SAMENVATTING
25/1829 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2025, 24/3722 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de hoogte van het dagloon van de WWuitkering van appellant juist heeft vastgesteld. Volgens appellant is het dagloon niet juist, omdat het geen reëel beeld geeft van zijn loon en zijn structurele verdiencapaciteit. Volgens appellant leidt het besluit tot een onevenredig en onredelijk resultaat. De Raad volgt dit standpunt niet en oordeelt dat het Uwv het dagloon juist heeft vastgesteld en dat het dagloon niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 juli 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 juli 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend, gebaseerd op het maximum dagloon van € 187,77. De WWuitkering is per 1 november 2012 geheel beëindigd, omdat appellant vanaf dat moment volledig als zelfstandige werkzaam was. Daarbij is appellant meegedeeld dat hij niet meer verzekerd is voor de WW en dat hij – als hij binnen 32 maanden (dus vóór 1 juli 2015) volledig stopt met werken als zelfstandige – om voortzetting van zijn uitkering kan vragen.
Appellant heeft van 12 december 2017 tot 1 februari 2020 gewerkt bij [naam B.V. 1] In verband met de beëindiging van die werkzaamheden heeft het Uwv aan appellant met ingang van 3 februari 2020 tot en met 2 mei 2020 een WWuitkering toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 52,13.
Vervolgens is appellant van 8 oktober 2020 tot en met 27 februari 2022 als uitzendkracht werkzaam geweest bij [Uitzendbureau B.V.] en [Uitzendbureau B.V.] ( [Uitzendbureau B.V.] ). Op 3 januari 2022 is appellant voor dat werk wegens ziekte uitgevallen, waarna hij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen. Met ingang van 20 oktober 2022 is appellant arbeidsgeschikt geacht voor zijn eigen werk, zodat de ZWuitkering is beëindigd. Appellant heeft vervolgens op 31 oktober 2022 een WWuitkering aangevraagd. Het Uwv heeft appellant per 20 oktober 2022 tot en met 19 oktober 2024 een WW-uitkering toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 54,16. Appellant heeft zich vervolgens op 6 december 2022 weer ziekgemeld en het Uwv heeft appellant met ingang van 7 maart 2023 een ZWuitkering toegekend. Daarbij is het dagloon voor de ZW-uitkering gebaseerd op het WW-dagloon, dat op dat moment € 59,66 bedroeg. De ZWuitkering is per 8 maart 2024 beëindigd.
Bij besluit van 6 maart 2024 heeft het Uwv de beëindigde WWuitkering met ingang van 8 maart 2024 voortgezet. Het dagloon is daarbij – na indexering van het in 2022 vastgestelde dagloon – vastgesteld op een bedrag van € 63,83 Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij besluit van 10 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 maart 2024 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij opgemerkt dat de WWuitkering is gebaseerd op zijn werkzaamheden bij [Uitzendbureau B.V.] . De WWuitkering die appellant eerder genoot, is al per 1 november 2012 beëindigd en zoals in de beslissing van 8 november 2012 is vermeld, kon deze uitkering alleen herleven als appellant binnen 32 maanden (dus vóór 1 juli 2015) volledig zou stoppen met werken als zelfstandige. Aangezien die herlevingstermijn is verstreken, kan zijn huidige WW-uitkering niet worden gebaseerd op het WW-dagloon uit 2012.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat appellant eraan voorbijgaat dat in de WW het dagloon is verzekerd en niet een zogeheten ‘bewezen verdiencapaciteit’ en dat het hoogte van het dagloon voor de WWuitkering wordt berekend op basis van het sv-loon dat is verdiend in de zogenaamde referteperiode, waarbij het dagloon nooit hoger kan zijn dan het wettelijk maximumdagloon. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat zelfstandige ondernemers of directeurgrootaandeelhouders zijn uitgezonderd van de WWverzekering.
Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat niet in geschil is dat de referteperiode terecht is vastgesteld op de periode van 6 december 2020 tot en met 5 december 2021. De inkomsten van appellant van november 2001 en november 2007 vallen buiten die referteperiode. Deze inkomsten kunnen alleen al daarom niet bij de dagloonberekening van de WW-uitkering van appellant worden betrokken.
De door appellant overgelegde facturen van zijn onderneming [naam B.V. 2] kunnen niet bij de dagloonvaststelling betrokken worden, omdat het gaat om door een vennootschap gefactureerde bedrijfsactiviteiten, waarover ook btw in rekening is gebracht zodat geen sprake is van loon als werknemer en evenmin van sv-loon.
Verder heeft de rechtbank het beroep van appellant op het evenredigheidsbeginsel niet gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat de vaststelling van het WW-dagloon van appellant niet heeft geleid tot een uitkomst die maakt dat het bestreden besluit voor hem onredelijk bezwarend is. De rechtbank acht van belang dat voor die vaststelling uit dient te worden gegaan van het feitelijk door appellant verdiende loon in dienstbetrekking en niet van bedragen die door de vennootschap [naam B.V. 2] zijn gefactureerd. Daarbij komt dat de WW niet bedoeld is om, zoals appellant kennelijk meent, een garantie te verstrekken dat een eenmaal verdiend inkomen levenslang gegarandeerd blijft. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, in het verleden jarenlang een hoog inkomen verdiende als vice-president van een multinational, maakt niet dat het Uwv nu gehouden zou zijn om dat inkomen bij wijze van WW-uitkering aan appellant te betalen. In de WW is slechts een gemaximeerd loon verzekerd, dat in het jaar voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid feitelijk verdiend moet zijn. Appellant kon daarmee overigens al bekend zijn, nu hij eerder in 2010 een WW-uitkering heeft ontvangen die was gebaseerd op het maximum dagloon. Er is in dit geval dus geen aanleiding om het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat zijn structurele verdiencapaciteit substantieel hoger ligt dan het door het Uwv vastgestelde dagloon. Appellant heeft erop gewezen dat hij in 2023 consultancywerk heeft verricht voor [naam bedrijf] in Italië tegen een dagtarief van circa € 1.000,- exclusief kosten. In 2024 heeft hij nog een consultancy-opdracht uitgevoerd in New Delhi. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat de inkomsten uit deze werkzaamheden zijn verrekend met zijn dagloon (lees: uitkering). Volgens appellant moet worden voorkomen dat hij wordt teruggezet op een inkomen onder bijstandsniveau en mag zijn inzet om tijdens de Covid-pandemie maatschappelijk nuttig werk te verrichten niet leiden tot structurele inkomensschade. Appellant heeft erop gewezen dat de Raad in vergelijkbare gevallen ook correcties op het dagloon heeft toegepast. Appellant heeft daarnaast verzocht de besluiten over zijn ZW- en WIA-uitkering te vernietigen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het dagloon van zijn herleefde WWuitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat aanleiding bestaat om in zijn geval het Dagloonbesluit (gedeeltelijk) buiten toepassing te laten. De door appellant gestelde omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat het bestreden besluit voor appellant tot een onevenredige uitkomst leidt. Daarvoor is het volgende van belang.
Uit artikel 1b van de WW en artikel 2 van het Dagloonbesluit volgt dat het loon dat is genoten tijdens de referteperiode bepalend is voor de vaststelling van het WW-dagloon. Artikel 3 van het Dagloonbesluit ziet op het relevante loon. Uit deze regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico of het inkomen dat een betrokkene op enig moment heeft genoten, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode, het zogenoemde historisch dagloon. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is hieraan inherent dat periodes waarin lager of minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode lager of minder loon is ontvangen. De wijze waarop het dagloon wordt berekend staat los van het verdiende inkomen voorafgaand aan de referteperiode. Het feit dat appellant in het verleden een hoger inkomen heeft genoten, kan dus geen rol spelen bij de vaststelling van het in geding zijnde WW-dagloon. De stelling van appellant dat het tijdens de Covid-pandemie verrichten van maatschappelijk nuttig werk ertoe zou leiden dat hij structurele inkomensschade leidt, leidt ook niet tot een ander oordeel. Daarbij wijst de Raad erop dat het inkomen dat appellant in 2017 verdiende ook al lager was dan zijn dagloon behorende bij de WWuitkering die hij in 2010 ontving. Appellant heeft verklaard dat hij ongeveer twintig jaar als zelfstandige heeft gewerkt en een succesvolle onderneming heeft gehad, maar dat in 2014 daarin een kentering is gekomen, met uiteindelijk als gevolg dat hij vanaf 2017 – lager betaalde – verzekerde arbeid is gaan verrichten. Pas vanaf dat moment heeft appellant dus weer verzekerde arbeid verricht. Deze omstandigheden maken niet dat uitkomst van de dagloonberekening zoals door het Uwv uitgevoerd in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Het feit dat het Uwv zijn ZW-uitkering heeft verlaagd in verband met inkomsten uit door hem verrichte werkzaamheden, wat volgens appellant betekent dat zijn verdiencapaciteit aanzienlijk hoger ligt dan het dagloon, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat hier om een verrekening van inkomsten met zijn ZWuitkering in 2023 en heeft – wat er overigens van zij - geen betrekking op het hier te beoordelen WW-dagloon.
In een aanvullend stuk van 22 juni 2026 heeft appellant de Raad verzocht mee te wegen dat de rechtbank Den Haag bij uitspraak van 24 april 2026 zijn verzet tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 9 februari 2026 (procedurenummers 25/7419 en 25/7421 betreffende besluiten van het Uwv in het kader van de WIA en de ZW) ongegrond heeft verklaard, waarbij de rechtbank volgens hem voorbij is gegaan aan de volgens hem schrijnende realiteit. Zoals ter zitting is toegelicht, valt deze procedure en genoemde besluiten buiten de omvang van het geding, waarover de Raad in deze zaak moet oordelen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van het WW-dagloon in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) D. Semiz