Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte, zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van wat aan hem onder 4 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging, de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de overwegingen van de rechtbank in het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverwegingen.
Aanvullende bewijsoverwegingen naar aanleiding van het verweer in hoger beroep
Door de verdediging is ter terechtzitting naar voren gebracht dat niet de verdachte zelf, maar slechts zijn telefoon, een Iphone 11, vanaf het bedrijventerrein in Duivendrecht met de Vito (hierna ook: de bus) is meegereisd. De verdachte heeft verklaard dat hij deze telefoon aan de oplader in de Vito had gelegd, dat hij dat vervolgens was vergeten en om die reden later een find my Iphone-spraakbericht naar zijn vriendin had gestuurd. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij deze telefoon slechts gebruikte als hotspot voor zijn andere telefoon, die hij wel bij zich had en die via de applicatie Whatsapp aan de Iphone 11 was gekoppeld. Niet met de in de bus aanwezige Iphone 11, maar met de telefoon die hij wel bij zich had heeft de verdachte om 21:13:27 uur aan zijn vriendin een spraakbericht verstuurd. De inhoud van het spraakbericht onderschrijft deze verklaring bovendien, nu het spraakbericht luidt: “Je moet effe op find my iphone moet je inloggen. Kan je die alarm ook laten gaan. Als je telefoon stil is, gaat 'ie het horen piepen. Plusje kan een bericht sturen van bel op dit nummer. Weet ik veel.” De verdediging heeft daarbij betoogd dat het onwaarschijnlijk is dat een spraakbericht zou worden verstuurd vanuit de bus.
De verdediging heeft ter terechtzitting ook naar voren gebracht dat sprake zou kunnen zijn van een persoonsverwisseling. De aangever heeft de verdachte namelijk aangewezen op een Instagram foto waarop de verdachte dreadlocks droeg, maar ten tijde van de wederrechtelijke vrijheidsberoving had de verdachte een andere haardracht.
Het hof overweegt als volgt. Het hof acht allereerst niet aannemelijk dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling. Niet alleen omdat het slechts om een andere haardracht gaat, maar ook omdat de verdachte ter terechtzitting zelf heeft verklaard dat hij op het parkeerterrein bij de “[plek]” aanwezig is geweest en dat hij de aangever toen om een vloeitje heeft gevraagd, wat een persoonsverwisseling des te onwaarschijnlijker maakt.
Voorts acht het hof, evenals de rechtbank, de verklaringen van de aangever betrouwbaar. Zo heeft de aangever verklaard dat de verdachte bij de verdachte in de bus heeft gezeten. Deze verklaringen van aangever worden in beginsel ondersteund door de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte. Hoewel de verdachte heeft benoemd dat de technische mogelijkheid bestaat dat hij genoemd spraakbericht vanaf een andere locatie met een andere telefoon zou hebben verstuurd, gaat het hof reeds voorbij aan deze mogelijkheid omdat het hof het volstrekt onaannemelijk vindt dat de verdachte was vergeten dat hij zijn telefoon in de bus aan de oplader had gelegd, wat de reden geweest zou zijn voor het versturen van het spraakbericht. De verdachte had volgens eigen zeggen zijn telefoon immers slechts enkele uren voor het versturen van het spraakbericht aan de oplader in de bus gelegd. Daar komt bij dat de verdachte verder geen (onderbouwde) uitleg heeft gegeven waar hij dan wel zou zijn geweest ten tijde van de tenlastegelegde feiten. De inhoud van het spraakbericht maakt dit niet anders, nu dit bericht niet eenduidig is te begrijpen als een instructie van de verdachte aan zijn vriendin ten behoeve van het vinden van zíjn telefoon die zich in de bus bevond.
Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 subsidiair tenlastegelegde en gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht om, in geval van bewezenverklaring, een straf op te leggen waarbij de onvoorwaardelijke gevangenisstraf de duur van de voorlopige hechtenis niet overstijgt, eventueel met een aanvullende taakstraf. De raadsman heeft hiertoe verwezen naar opgelegde straffen in vergelijkbare zaken en de positieve ontwikkeling die de verdachte sinds de tenlastegelegde feiten heeft doorgemaakt. De raadsman heeft ook verzocht de reeds geschorste voorlopige hechtenis op te heffen.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, dwang en het plegen van openlijk geweld. Hij heeft afgesproken op een industrieterrein met aangever. Daar is aangever ingesloten door de verdachte en zijn medeverdachten, moest aangever onder dwang enkele waardevolle spullen afstaan en plaatsnemen in een bus. Zo’n vijf uur lang is met deze bus rondgereden, terwijl aangever in deze bus werd geslagen en (met een vuurwapen) bedreigd. Hij moest op de grond van de bus zitten en zijn trui uittrekken en om zijn hoofd doen, zodat hij periodes niet kon zien waar hij was. Van aangever is beeldmateriaal gemaakt waarop hij te zien is met een bebloed gezicht. Toen hij de kans zag te ontsnappen is hij opnieuw te grazen genomen door de verdachte en zijn medeverdachten. Met zijn handelen hebben de verdachte en de medeverdachten een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de vrijheid van aangever. Aangever heeft doodsangsten uitgestaan en heeft lange tijd last gehad van angstklachten en herbelevingen.
Het hof heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 10 maart 2026 en de reclasseringsrapportages die over hem zijn opgemaakt. Hoewel de verdachte sinds de bewezenverklaarde feiten een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en er bij verdachte geen sprake is van eerdere veroordelingen voor strafbare feiten waarmee rekening moet worden gehouden, rekent de rechtbank verdachte zijn grote bijdrage aan de feiten zeer aan. De verdachte is betrokken geweest tot en met het laatste moment van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, waaraan slechts een einde is gekomen omdat het slachtoffer uiteindelijk heeft weten te ontsnappen. Hoewel het hof zich realiseert dat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf de verdachte zwaar zal vallen, legt wat in hoger beroep omtrent de persoonlijke situatie van de verdachte naar voren is gebracht, tegen de achtergrond van de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende gewicht in de schaal om een mildere strafoplegging te rechtvaardigen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden.
Tot slot constateert het hof dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 13 maart 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 8 april 2026 arrest wijst. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt aldus bijna een maand. Vanwege deze geringe overschrijding is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De rechtbank heeft op 7 juni 2023 de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst en bij vonnis van 8 maart 2024 de vordering tot opheffing van de schorsing afgewezen. Gelet op de positieve ontwikkelingen, zoals weergegeven in het reclasseringsrapport van 18 februari 2026, het feit dat het reclasseringstoezicht in januari 2026 positief is beëindigd en het feit dat de verdachte sinds zijn invrijheidstelling niet meer met politie of justitie in aanraking is gekomen, zal het hof het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 45.587,75, bestaande uit € 35.587,75 voor materiële schade en € 10.000,00 voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.485,00, te weten € 985,00 voor materiële schade en € 2.500,00 voor immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De benadeelde partij heeft opnieuw gevorderd de schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
Primair heeft de verdediging bepleit om, gelet op de bepleite vrijspraak, de gehele vordering niet- ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging zich wat de toewijzing van de schadevergoeding betreft aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat de gevorderde materiele schade dient te worden toegewezen conform het vonnis van de rechtbank en dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,00.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 985,00, zoals eerder is bepaald door de rechtbank en door de verdediging in hoger beroep niet (voldoende) nader is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof verwijst hiertoe naar overwegingen 7.4.1. en 7.4.3. in het vonnis van de rechtbank en neemt deze over.
Immateriële schade
Aanspraak
In de letselrapportage van de GGD van 7 september 2022 staat dat de benadeelde op 3 september 2022 “is geslagen met vuisten, op grond gevallen, geslagen met een stuk hout” en dat sprake is van “huidbeschadigingen aangezicht, linker arm bloeduitstorting aangezicht, bovenlip, rechter onderarm schaafwonden hals, rug, linker bovenarm”. De GGD schat de verwachte herstelduur zonder restschade in op vier weken. Het hof stelt op basis hiervan vast dat de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair en onder 3 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachten lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Bovendien is de benadeelde partij zo’n vijf uur lang van zijn vrijheid beroofd terwijl hij werd geslagen en vastgehouden tegen zijn wil en moest hij periodes geblinddoekt op de grond van de bus zitten. Ook is hij bedreigd met een vuurwapen. In de verwijsbrief van de huisarts van 4 november 2022 staat dat de benadeelde partij klachten van angst en herbeleving heeft nadat hij gegijzeld is geweest op 4 september 2022, slecht slaapt en angstklachten ervaart, en dat hij op grond van een vermoeden van een angststoornis en trauma- en stress gerelateerde stoornissen wordt doorverwezen naar een psycholoog voor onderzoek en behandeling. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg toegelicht dat de benadeelde partij vervolgens behandelingen bij een psycholoog heeft gevolgd, wat niet is weersproken. Nu een diagnose van de psycholoog ontbreekt, kan het bestaan van geestelijk letsel niet objectief worden vastgesteld. Het hof is evenwel van oordeel dat de uit het dossier blijkende aard en ernst van de normschending van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde en de door de benadeelde geconcretiseerde aard en ernst van de gevolgen daarvan voor hem, meebrengen dat sprake is van een persoonsaantasting op andere wijze die een zelfstandige aanspraak op smartengeld rechtvaardigt.
Daarmee staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en komt het hof toe aan de begroting van die schade.
Begroting
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Het hof gaat concreet uit van de Rotterdamse Schaal (RS) en heeft acht geslagen op de Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld (rechtspraak.nl).
Het hof neemt voor het lichamelijk letsel als uitgangspunt de RS-categorie ’licht letsel met een herstelperiode van ongeveer twee maanden’ met een bandbreedte tot € 1.100,00 (RS par. 13, onder c).
Voor de aantasting in de persoon op andere wijze betrekt het hof RS par. 19.2 ‘vrijheidsberoving’ en par. 19.1 ‘bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing’ in de variant onder (b) ‘ernstig’ met een bandbreedte tot € 3.000,00. Alles afwegend en in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof in de gegeven omstandigheden een totaalbedrag aan immateriële schade van € 4.000,00 billijk.
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor ontstane schade
In de onderhavige zaak is bewezenverklaard, voor zover hier van belang, dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde tezamen en in vereniging en het onder 3 subsidiair tenlastegelegde in vereniging met anderen heeft gepleegd. Dit betekent dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de ontstane schade ten bedrage van in totaal € 4.985,00, bestaande voor € 985,00 uit materiële schade en voor € 4.000,00 uit immateriële schade.
Ongelijktijdig berechte medeverdachten
In eerste aanleg is in de zaken van zowel de verdachte als de medeverdachten de - telkens gelijkluidende - vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de schade telkens hoofdelijk gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.485,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In hoger beroep liggen nu slechts de zaken van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] voor. De vonnissen in de zaken van de overige medeverdachten zijn reeds onherroepelijk geworden. In zoverre is dus sprake van ongelijktijdig berechte medeverdachten.
Op basis van de onweersproken toelichting door de advocaat van de benadeelde partij op de terechtzitting in hoger beroep, stelt het hof vast dat de benadeelde partij in de zaak van één van de in eerste aanleg reeds onherroepelijk veroordeelde verdachten het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 3.485,00 inmiddels volledig en onherroepelijk betaald heeft gekregen door de Staat (CJIB).
Gevolg voor de vordering van de benadeelde partij
Hieruit volgt dat de benadeelde partij in zoverre geen vergoedbare schade meer heeft. Bij die stand van zaken is er dus voor het gevorderde bedrag € 3.485,00 geen verplichting (meer) van de verdachte jegens de benadeelde partij tot vergoeding daarvan (art. 6:95 BW). De vordering van de benadeelde partij zal dus in zoverre worden afgewezen, neerkomend op afwijzing tot een bedrag van € 3.895,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De door het hof begrote schade voor zover die het reeds betaalde bedrag overstijgt, te weten € 1.500,00 aan immateriële schade, is nog niet vergoed. Het hof zal de verdachte dus wél - hoofdelijk - veroordelen tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij.
Gevolg voor de gevorderde schadevergoedingsmaatregel
De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep niet kunnen kwantificeren wat de omvang is van enerzijds het deel dat de Staat reeds bij mede verdachten heeft geïncasseerd en anderzijds het deel dat bij wijze van voorschot door de Staat is betaald aan de benadeelde partij en dus (nog) niét is geïncasseerd door de Staat bij de hoofdelijk aansprakelijke mededaders. Evenmin is gebleken dat die daders ieder al bedragen rechtstreeks hebben betaald aan de benadeelde partij. Daarom zal het hof, om te bevorderen dat de Staat het aan de benadeelde partij betaalde bedrag ook op de verdachte kan verhalen, aan de verdachte hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen ter hoogte van wél zekerheidshalve het gehele schadebedrag van € 4.985,00, bestaande uit € 985,00 materiële schade en € 4.000,000 immateriële schade zoals hiervoor is begroot, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna in de beslissing te noemen ingangsdatum.
Kosten
Uit het hiervoor overwogene volgt dat verdachte ook hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de benadeelde partij gevorderde proceskosten. Daaraan doet de afwijzing van de vordering benadeelde partij in dit geval niet af. Die kosten zullen dus hoofdelijk worden toegewezen, zoals in de beslissing zal worden gespecificeerd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 56, 57, 141, 282 en 284 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gevangenisstraf, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (vijftienhonderd) aan immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 3.895,00 (drieduizend achthonderdvijfennegentig) aan materiële schade en € 2.500,00 (vijfentwintighonderd) aan immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.985,00 (vierduizend negenhonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 985,00 (negenhonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 49 (negenenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 september 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Beveelt de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. R. van der Heijden en mr. J.F. van Halderen, in tegenwoordigheid van mr. R. Ras, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 april 2026.
=========================================================================
[…]
[…]