Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8, 15, 22 en 26 juni 2026 en 26 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft beperkt hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadslieden naar voren hebben gebracht.
Omvang hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte bij voormeld vonnis veroordeeld voor de feiten die in de zaak 13-730014-20 onder 1, 2 en 4 en in zaak 13-730002-21 onder 1 en 3 aan hem ten laste zijn gelegd. Namens de verdachte is beperkt hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld, te weten tegen de veroordeling in zaak 13-730014-20 ten aanzien van feit 1 en 4 en in de zaak 13-730002-21 onder 1. Het hoger beroep is daarom slechts gericht tegen deze beslissingen ten aanzien van het in zaak 13-730014-20 onder 1 en 4 en in zaak 13-730002-21 onder 1 ten laste gelegde.
Het voorgaande betekent dat het in zaak 13-730014-20 onder 2 en 13-730002-21 onder 3 bewezen verklaarde niet in appel voorligt en het hof geen oordeel toekomt met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van die feiten.
Wel zal het hof bij vernietiging van het vonnis toepassing dienen te geven aan artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de onder feit 4 (cumulatief) ten laste gelegde diefstal en heling van de Audi S4 met kenteken [kenteken 1] (zaaksdossier 3), de Audi RS5 met kenteken [kenteken 2] (zaaksdossier 6), de Audi A5 met kenteken [kenteken 3] (zaaksdossier 7) en de Piaggio Skipper met kenteken [kenteken 4] (zaaksdossier 11). Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld ten aanzien van feit 4 en is dus mede gericht tegen deze beslissingen tot vrijspraak. Hiertegen is echter geen hoger beroep mogelijk. Het hof zal de verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is, gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging en voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd dat:
Zaak A (met parketnummer 13-730014-20):
1.hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 november 2019 te Utrecht en/of Soest en/of Amsterdam en/of Nieuwegein en/of Zandvoort en/of Heerlen en/of Vleuten en/of Houten en/of Kerkrade en/of Brunssum en/of Hoensbroek, gemeente Heerlen en/of Voorburg en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meerdere anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- gekwalificeerde diefstal (van voertuigen) als bedoeld in artikel 311/310 Wetboek van Strafrecht en/of
- opzetheling (van voertuigen) als bedoeld in artikel 416/417 Wetboek van Strafrecht en/of
- voorbereiding van moord als bedoeld in artikel 46 jo. 289 Wetboek van Strafrecht en/of
- moord als bedoeld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht en/of
- zware mishandeling met voorbedachten rade als bedoeld in artikel 303/302 Wetboek van Strafrecht en/of
- valsheid in geschrift en/of opzettelijk voorhanden hebben en/of gebruik maken van een (ver)vals(t) geschrift (valse/vervalste kentekenplaten) als bedoeld in artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht en/of het voeren van valse kentekens als bedoeld in artikel 41 eerste lid, onder c en/of d van de Wegenverkeerswet 1994;
4.hij op één of meer tijdstip(pen) of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 september 2019 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Zandvoort en/of Heerlen en/of Vleuten en/of Houten en/of Kerkrade, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een of meerdere personenauto’s en/of een of meerdere scooters heeft weggenomen, te weten (onder meer)
(zaaksdossier 4)
- een personenauto (merk Renault, type Megane, voorzien van het kenteken [kenteken 5] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 5)
- een personenauto (merk Renault, type Megane, voorzien van het kenteken [kenteken 6] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 8)
- een personenauto (merk Audi, type S4, voorzien van het kenteken [kenteken 7] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 9)
- een personenauto (merk Volkswagen, type Multivan, voorzien van het kenteken [kenteken 8] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 10)
- een personenauto (merk Audi, type A4, voorzien van het kenteken [kenteken 9] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen personenauto’s en/of scooters onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels;
en/of
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 november 2019 te Amsterdam en/of Utrecht en/of Voorburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), een of meerdere personenauto’s en/of een of meerdere scooters, te weten (onder meer)
(zaaksdossier 4)
- een personenauto van het merk Renault, type Megane (voorzien van het valse kenteken [kenteken 10] ) en/of
(zaaksdossier 5)
- een personenauto van het merk Renault, type Megane (voorzien van het valse kenteken [kenteken 11] ) en/of
(zaaksdossier 8)
- een personenauto van het merk Audi, type S4 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 12] en/of [kenteken 13] ) en/of
(zaaksdossier 9)
- een personenauto van het merk Volkswagen, type Multivan (voorzien van het valse kenteken [kenteken 14] ) en/of
(zaaksdossier 10)
- een personenauto (merk Audi, type A4, voorzien van het valse kenteken [kenteken 15] ) en/of
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
Zaak B (met parketnummer 13-730002-21):
1. primair
hij op of omstreeks 18 mei 2021 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen en/of Breukelen en/of Utrecht en/of Nieuwegein en/of Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, in elk geval in Nederland, een personenauto van het merk BMW, type Alpina B3 (voorzien van het kenteken [kenteken 16] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door diefstal, in elk geval een door misdrijf verkregen goed betrof;
subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2021 tot en met 30 maart 2021 te Wilnis, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een personenauto van het merk BMW, type Alpina B3 (voorzien van het kenteken [kenteken 16] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft weggenomen, waarbij verdachte die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waartegen beroep
Het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging in zaak A
Identificatie telefoonnummers, PGP-nummers en Sky-ID’s
Het bewijs dat de verdachten betrokken waren bij de feiten die in dit arrest bewezen worden verklaard, berust onder andere op telefoongegevens en de inhoud van (chat)berichten. Het hof zal hieronder vaststellen welke (crypto)telefoons (hierna ook aangeduid als: PGP), telefoonnummers en Sky-ID’s bij de verdachte en medeverdachten in gebruik waren in de bewezen verklaarde periodes.
Telefoonnummer, PGP-nummer en Sky-ID die worden toegeschreven aan [medeverdachte 1]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ) veelal in de nacht gebruik maakte van Cell-ID’s aan de [adres 1] en de [adres 2] te Soest in de omgeving van de [adres 3] in Soest, het woonadres van [medeverdachte 1] . Bij de aanhouding van [medeverdachte 1] op 20 november 2019 werd een iPhone aangetroffen met daarin de simkaart met het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] . De telefoon is na de aanhouding van [medeverdachte 1] ontgrendeld, door zijn vinger en/of duimafdruk. [medeverdachte 1] heeft op 26 mei 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij de telefoon met dit nummer al jaren gebruikt.
Voorts werd tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] in een zak op de salontafel in de woonkamer een PGP-toestel met goednummer 5839784 aangetroffen. In dat PGP-toestel zat een simkaart met PGP-nummer [PGP-nummer 1] (hierna: * [PGP-nummer 1] ). Het Sky-ID [Sky-ID 1] bleek via de in de metadata geregistreerde gegevens van het IMEI-nummer ( [IMEI-nummer 1] ) en historische verkeersgegevens te zijn gekoppeld aan * [PGP-nummer 1] .
Uit het voorgaande concludeert het hof dat [medeverdachte 1] tot in elk geval 20 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] , het PGP-nummer * [PGP-nummer 1] en het Sky-ID [Sky-ID 1] , en dat hij degene was die hiermee deelnam aan het in de bewijsmiddelen opgenomen berichtenverkeer.
Telefoonnummers en Sky-ID die worden toegeschreven aan [medeverdachte 2]
Het hof concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: * [telefoonnummer 2] ) in de bewezen verklaarde periode in gebruik was bij [medeverdachte 2] . Het IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] (hierna: * [IMEI-nummer 2] ) kwam naar voren tijdens de inzet van een IMSI-catcher. Uit opgenomen en afgeluisterde gesprekken bleek dat in het telefoontoestel met voormeld IMEI-nummer een simkaart met het telefoonnummer * [telefoonnummer 2] zat. Op basis van stemherkenning bleek dat [medeverdachte 2] de gebruiker was van * [telefoonnummer 2] . Dit wordt ondersteund door het feit dat het toestel met eerdergenoemd IMEI-nummer in de voor de feiten relevante periode, na de nachtrustperiode, het meest gebruik maakte van de Cell-ID’s aan de [adres 1] en de [adres 2] in Soest. Deze Cell-ID’s zijn gelegen in de omgeving van het woonadres van [medeverdachte 1] aan de [adres 3] te Soest, waar ook [medeverdachte 2] toen verbleef. Verder blijkt uit afgeluisterde telecommunicatie dat * [telefoonnummer 2] frequent contact had met [naam 4] en [naam 4] , de broer en zus van [medeverdachte 2] .
Tevens kwam het IMEI-nummer [IMEI-nummer 3] naar voren bij de genoemde IMSI-catch. Ook op dit nummer werd vervolgens een technische actie uitgevoerd. Hieruit bleek dat het telefoonnummer dat in het toestel met voormeld IMEI-nummer werd gebruikt het nummer [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) was. Uit een CIOT-bevraging bleek dat [medeverdachte 2] als abonnementhouder van * [telefoonnummer 3] stond geregistreerd. Het toestel maakte na de nachtrustperiode bijna dagelijks contact met Cell-ID's in Soest, aan de [adres 1] en de [adres 2] . Zoals hiervoor vermeld, verbleef [medeverdachte 2] daar in de directe omgeving. Dat [medeverdachte 2] in de voor de bewezenverklaring relevante periode de gebruiker was van dit telefoonnummer blijkt verder uit de stemherkenning van vanaf 26 augustus 2019 gevoerde gesprekken met de * [telefoonnummer 3] . Uit dit alles leidt het hof af dat [medeverdachte 2] in de bewezen verklaarde periode, in elk geval vanaf 25 juni 2019, de gebruiker was van * [telefoonnummer 3] .
Voorts werd tijdens een doorzoeking van de woning aan de [adres 5] in Utrecht op 26 november 2019 een PGP-telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 4] in beslag genomen. [medeverdachte 2] stond toen op dit adres ingeschreven. Uit de SkyECC-metadata volgt dat het IMEI-nummer van die aangetroffen PGP-telefoon gekoppeld was aan Sky-ID [Sky-ID 2] , met als gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’ en actief was in de periode van 20 november 2019 tot en met 25 november 2019. Het hof concludeert, omdat deze PGP-telefoon in de woning van [medeverdachte 2] is aangetroffen, in combinatie met de omstandigheid dat het procesdossier geen enkele aanwijzing bevat dat een ander dan [medeverdachte 2] de gebruiker was van die telefoon en dat Sky-account – hetgeen overigens door of namens [medeverdachte 2] ook niet is weersproken – dat [medeverdachte 2] in deze periode de gebruiker was van deze telefoon en dit Sky-account.
PGP-nummers en Sky-ID’s die worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] / [medeverdachte 2]
Tijdens een IMSI-scan op [medeverdachte 2] op onder meer 2 september 2019 kwam het IMSI-nummer [IMSI-nummer 1] (hierna * [IMSI-nummer 1] ) naar voren. Dit IMSI-nummer is gekoppeld aan het PGP-nummer [PGP-nummer 2] (hierna: * [PGP-nummer 2] ), zo bleek uit onderzoek aan het IMEI-nummer dat gekoppeld was aan * [IMSI-nummer 1] . Het betrof een PGP-nummer dat actief was in de periode van 18 augustus 2019 tot en met 18 september 2019. In deze periode maakte het toestel, na de nachtrustperiode, gebruik van de Cell-ID’s aan de [adres 1] of de [adres 2] in Soest, gelegen dus in de omgeving van het woonadres van [medeverdachte 1] aan de [adres 3] te Soest. Op dit adres verbleef als gezegd toen ook [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] was van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 in [land] . * [PGP-nummer 2] was in die periode, te weten in de periode tussen 22 augustus 2019 en 30 augustus 2019, uitsluitend actief geweest in het [land] netwerk. Hieruit, in combinatie met de hiervoor genoemde bevindingen, leidt het hof af dat * [PGP-nummer 2] in de periode van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 in gebruik was bij [medeverdachte 1] . Het hof concludeert, nu dit nummer tijdens een IMSI-scan tot twee keer toe op 2 september 2019 naar voren is gekomen bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] toen verbleef in de woning die onder de dekking van de hiervoor genoemde Cell-ID’s in Soest viel, dat ook [medeverdachte 2] in de periode vanaf in elk geval 31 augustus 2019 de (mede)gebruiker van dit nummer was.
Het nummer * [PGP-nummer 2] werd gebruikt in een telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 5] (* [IMEI-nummer 5] ). Met deze telefoon werd het Sky-ID [Sky-ID 3] met de bijnamen ‘ [gebruikersnamen 1] ’ gebruikt.
Het hof concludeert op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dit Sky-ID gebruikten.
Het PGP-nummer [PGP-nummer 3] (hierna: * [PGP-nummer 3] ) is op 7 mei 2019 geactiveerd. Het nummer werd gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 6] en was in gebruik in de periode van 25 juni 2019 tot en met 24 september 2019. Uit een analyse van historische telecomgegevens van * [PGP-nummer 3] in relatie tot andere nummers in gebruik bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijkt het volgende. Tijdens de reis naar [land] van [medeverdachte 1] in de periode van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 had * [PGP-nummer 3] registraties in Nederland en was er wat betreft locaties en tijdstippen waar de * [PGP-nummer 3] zich dan bevond, samenhang te zien met * [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 2] van [medeverdachte 2] . Die samenhang liep door tot en met 5 september 2019. Voor het vertrek van [medeverdachte 1] naar [land] waren er vanaf 25 juni 2019 meerdere dagen waarop * [PGP-nummer 3] samenhangende registraties in tijd en plaats had met * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] . Op grond hiervan, in combinatie met de omstandigheid dat * [PGP-nummer 3] in voormelde periode onder meer in de nacht gebruik maakte van Cell-ID’s aan de [adres 2] en [adres 1] in Soest, concludeert het hof dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in deze periode de gebruikers waren van * [PGP-nummer 3] . Dit nummer was gekoppeld aan het Sky-ID [Sky-ID 4] met de gebruikersnamen ‘ [gebruikersnamen 2] ’, hetgeen impliceert dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook de gebruikers van dat Sky-ID waren.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna: * [telefoonnummer 4] ) is vanaf in elk geval 11 oktober 2019 gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 7] (* [IMEI-nummer 7] ). In afgeluisterde gesprekken werden zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] op basis van hun stem herkend als de gebruiker van * [telefoonnummer 4] . Ook noemde [medeverdachte 1] in meerdere gesprekken zijn naam. Verder vertoonde * [telefoonnummer 4] een vergelijkbaar bewegingspatroon wat betreft tijd en plaats ten opzichte van telefoonnummers van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 1] ) en [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 3] ). Op basis hiervan stelt het hof vast dat zowel [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de gebruikers waren van het telefoonnummer * [telefoonnummer 4] .
Telefoonnummers die worden toegeschreven aan [verdachte]
Op 26 november 2019 is tijdens een doorzoeking in de woning van [verdachte] ( [adres 6] in Utrecht) een Nokia-telefoon type 105 met IMEI-nummer [IMEI-nummer 8] in beslag genomen. Uit historische verkeersgegevens volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 5] (hierna: * [telefoonnummer 5] ) in de periode van 13 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 in gebruik was in die telefoon.
Uit tapgesprekken tussen het telefoonnummer van de vader van [verdachte] en * [telefoonnummer 5] volgt dat de gebruiker van * [telefoonnummer 5] opnam met “Hallo pa” en de vader van [verdachte] antwoordde met “Hee [voornaam 1] ”. [voornaam 1] is de voornaam van [verdachte] . Ook zijn er meerdere berichten in de telefoon aangetroffen van het telefoonnummer van de vader van [verdachte] waarin hij de gebruiker van * [telefoonnummer 5] aansprak met “ [voornaam 1] ” en “m’n geliefde zoon”.
Op grond van het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat [verdachte] in de periode van 13 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 de gebruiker was van * [telefoonnummer 5] .
Ook concludeert het hof dat het telefoonnummer [telefoonnummer 6] (hierna: * [telefoonnummer 6] ) werd gebruikt door [verdachte] in de periode van 2 juli 2019 tot en met 7 augustus 2019. Dit nummer maakte in de nachtelijke uren het meest gebruik van een Cell-ID aan de [adres 7] in Utrecht, gelegen in de directe omgeving van de woning van [verdachte] aan de [adres 6] . Het nummer * [telefoonnummer 6] had het meeste contact met telefoonnummers die werden gebruikt door de vader van [verdachte] en [vriendin verdachte] , de vriendin van [verdachte] . Verder zijn in de telefoon van [vriendin verdachte] WhatsApp-berichten aangetroffen tussen haar en * [telefoonnummer 6] , waarin de gebruiker van * [telefoonnummer 6] ‘ [voornaam 1] ’ werd genoemd.
Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat het telefoonnummer [telefoonnummer 7] (hierna * [telefoonnummer 7] ) op verschillende dagen in oktober 2019 door [verdachte] werd gebruikt, zulks gelet op het onderzoek naar de onder [vriendin verdachte] (vriendin van [verdachte] ) in beslag genomen iPhone XS op 12 december 2019. [vriendin verdachte] voegde op 17 september 2019 dit telefoonnummer aan haar contactenlijst toe onder de naam [bijnaam] . [bijnaam] is een bijnaam van [verdachte] . [verdachte] werd voorts tijdens gesprekken aan zijn stem herkend. Overigens werd dit nummer ook gebruikt door [medeverdachte 12] , die door verbalisanten ook aan zijn stem werd herkend.
Uit het onderzoek naar de onder [vriendin verdachte] in beslag genomen iPhone XS op 12 december 2019 bleek verder dat zij op 16 oktober 2019 het contact ‘ [voornaam 1] ’ met telefoonnummer [telefoonnummer 8] (hierna: * [telefoonnummer 8] ) aan de contactenlijst heeft toegevoegd. Uit tapgesprekken blijkt dat de gebruiker van * [telefoonnummer 8] zichzelf [verdachte] noemde. Voorts werd [verdachte] aan zijn stem herkend tijdens gesprekken die met de * [telefoonnummer 8] worden gevoerd. Het hof concludeert dan ook dat [verdachte] de gebruiker was van * [telefoonnummer 8] .
PGP-nummer en Sky-ID die worden toegeschreven aan [verdachte] en [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]
Aan het PGP-nummer [PGP-nummer 4] (hierna: * [PGP-nummer 4] ) was het IMEI-nummer [IMEI-nummer 9] (* [IMEI-nummer 9] ) gekoppeld. Dit is naar voren gekomen uit IMSI-scan sessies en historische printgegevens.
Uit de verkeersgegevens volgt dat * [PGP-nummer 4] ook was gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMSI-nummer 2] (* [IMEI-nummer 10] ). Het PGP-nummer * [PGP-nummer 4] was tussen 15 augustus 2019 en 20 november 2019 actief geweest in het Nederlandse mobiele netwerk, zo blijkt uit de verkeersgegevens van dit nummer. In de periode van 15 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 maakte de * [PGP-nummer 4] tijdens de voor de nachtrust bestemde uren het meest gebruik van Cell-ID’s gelegen aan de [adres 7] en de [adres 8] in Utrecht. Deze Cell-ID’s liggen in de omgeving van het BRP-adres van [verdachte] , aan de [adres 6] in Utrecht. Uit analyse van de telecombewegingen van * [telefoonnummer 5] , dat in gebruik was bij [verdachte] zoals hierboven uiteengezet, volgt dat de * [PGP-nummer 4] op meerdere dagen in de periode van 19 augustus 2019 tot en met 1 oktober 2019 ‘meebewoog’ met * [PGP-nummer 4] . Op grond van dit alles komt het hof tot de conclusie dat [verdachte] de gebruiker is geweest van * [PGP-nummer 4] .
In de periode van 8 oktober 2019 tot 19 november 2019 was de * [PGP-nummer 4] meerdere malen actief in Soest. Op deze momenten waren de * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] (hierboven uiteengezet) en * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 3] van [medeverdachte 2] (hierboven uiteengezet) op dezelfde data – te weten 16 oktober 2019, 21 oktober 2019, 5 november 2019, 10 november 2019 en 19 november 2019 – en rond dezelfde tijdstippen ook actief in Soest. Daarnaast bewogen de * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] en de * [telefoonnummer 2] van [medeverdachte 2] op 11 oktober 2019 mee met de * [PGP-nummer 4] van Rotterdam naar Amsterdam en op 28 oktober 2019 bewogen de * [telefoonnummer 1] en * [telefoonnummer 3] mee met de * [PGP-nummer 4] van Soest naar Nieuwerkerk aan de IJssel. Tot slot werd [medeverdachte 1] op 20 november 2019 aangehouden, terwijl hij reed in een Peugeot. In deze auto werd onder andere een Apple iPhone aangetroffen. Deze telefoon bevatte een simkaart met het IMSI-nummer [IMSI-nummer 2] (kennelijk abusievelijk vermeld als [IMSI-nummer 2] ). Sky-ID [Sky-ID 5] werd via de geregistreerde IMEI-nummers gekoppeld aan * [PGP-nummer 4] .
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat zowel [verdachte] , [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] in voornoemde periode de gebruikers waren van de telefoonnummers * [PGP-nummer 4] en daarmee het Sky-ID [Sky-ID 5] en aldus dat zij degene waren die via dit nummer en dit account deelnamen aan het in de bewijsmiddelen opgenomen berichtenverkeer.
PGP-nummers die worden toegeschreven aan [medeverdachte 6]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat PGP-nummer [PGP-nummer 5] (hierna: * [PGP-nummer 5] ) bij [medeverdachte 6] in gebruik was in de bewezen verklaarde periode. Uit een analyse van historische telecomgegevens blijkt dat tot 29 juli 2019 de * [PGP-nummer 5] in de nachtelijke uren het meest gebruik maakte van Cell-ID’s in de directe omgeving van de [adres 9] in Utrecht, het adres van de oma van [medeverdachte 6] , waar hij destijds woonde. Daarnaast is op camerabeelden te zien dat [medeverdachte 6] op 16 augustus 2019 een Renault met kenteken [kenteken 11] de garagebox aan de [straat garagebox] uitreed. * [PGP-nummer 5] bewoog vervolgens samen met deze Renault mee. Op 16 augustus 2019 wisselde [medeverdachte 6] van * [PGP-nummer 5] naar het PGP-nummer [PGP-nummer 6] (* [PGP-nummer 6] ). Het bewegingspatroon bleef na deze overgang gelijk. Ten slotte zijn er overeenkomsten tussen de registraties van de OV-chipkaart van [medeverdachte 6] en de aansluitende en/of opvolgende registraties van * [PGP-nummer 5] .
Naar aanleiding van vergelijkend onderzoek binnen opgevraagde historische verkeersgegevens afkomstig van de netwerkmetingen [adres 28] te Amsterdam en de wijk Oud Zuilen te Utrecht kwam één gemeenschappelijk PGP-nummer naar voren, te weten het PGP nummer * [PGP-nummer 6] . Uit de historische verkeersgegevens volgt dat * [PGP-nummer 6] is gebruikt in de telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 11] (hierna: * [IMEI-nummer 11] ). In de nachtelijke uren maakte * [PGP-nummer 6] gebruik van Cell-ID’s aan de [adres 10] , de [adres 11] en de [adres 12] in Utrecht. Deze Cell-ID’s zijn gelegen in de directe omgeving van de [adres 13] , het verblijfadres waar [medeverdachte 6] sinds 13 september 2019 ingeschreven stond. Verder blijkt uit de reisgegevens van de OV-chipkaart van [medeverdachte 6] dat de weergegeven locaties bij het reizen met het openbaar vervoer aansluiten op geregistreerde Cell-ID’s in de historische verkeersgegevens van * [PGP-nummer 6] .
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 6] in de periode van in elk geval 29 juli 2019 tot en met 16 augustus 2019 de gebruiker was van het PGP-nummer * [PGP-nummer 5] en vanaf 16 augustus 2019 de gebruiker van de * [PGP-nummer 6] .
Sky-ID die wordt toegeschreven aan [medeverdachte 7]
Het hof concludeert dat [medeverdachte 7] in de bewezen verklaarde periode de gebruiker was van het Sky-account [Sky-ID 6] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 5]
gaf op 8 augustus 2019 zijn telefoonnummer op bij de politie. Dit betreft het telefoonnummer [telefoonnummer 9] (hierna: * [telefoonnummer 9] ). is, zo volgt uit de bewijsoverwegingen, een contact van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Uit afgeluisterde gesprekken van de * [telefoonnummer 9] volgt dat de gebruiker van die * [telefoonnummer 9] op 4 november 2019 telefonisch contact had met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 5] in de periode van in elk geval 8 augustus 2019 tot en met 4 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 8]
Met een IMSI-catcher werd op 21 februari 2020 is het IMSI-nummer [IMSI-nummer 3] verkregen. Telefoonnummer [telefoonnummer 10] (hierna: * [telefoonnummer 10] ) was aan dit IMSI-nummer gekoppeld. Uit de historische verkeersgegevens van * [telefoonnummer 10] bleek dat het telefoonnummer frequent contact had met het telefoonnummer van de zus van [medeverdachte 8] . Verder bleek uit de historische verkeersgegevens dat * [telefoonnummer 10] op 30 december 2019 om 16:48 uur en 17:33 uur meerdere zendmasten heeft aangestraald in Portugaal. Uit de politiesystemen bleek dat [medeverdachte 8] op dat moment in Portugaal werd gecontroleerd.
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 8] de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 10] . Het hof concludeert ook dat [medeverdachte 8] in oktober 2019, rond het moment van het geweld tegen [slachtoffer] , de gebruiker was van de * [telefoonnummer 10] . Redengevend daarvoor acht het hof dat de * [telefoonnummer 10] frequent contact had met onder meer het telefoonnummer [telefoonnummer 11] . Dit telefoonnummer wordt blijkens politiesystemen gekoppeld aan [betrokkene] . [medeverdachte 8] is op 22 februari 2019 samen met [betrokkene] gecontroleerd. Overigens heeft [medeverdachte 8] niet ontkend dat hij op en rond 30 oktober 2019 de gebruiker was van de * [telefoonnummer 10] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 9]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 9] op 25 november 2019 bij de politie het telefoonnummer [telefoonnummer 12] (hierna: * [telefoonnummer 12] ) als zijn telefoonnummer heeft opgegeven. Dat dit zijn telefoonnummer was wordt ook onderbouwd door het feit dat de * [telefoonnummer 12] frequent contact had met telefoonnummer * [telefoonnummer 10] van [medeverdachte 8] en dat uit historische verkeersgegevens bleek dat * [telefoonnummer 12] op 16 oktober 2019 tussen 00:30 uur en 00:35 uur zendmasten aanstraalde in de omgeving van Lunetten, terwijl uit de politiesystemen volgt dat [medeverdachte 9] rond dat tijdstip in de omgeving van Lunetten werd gecontroleerd.
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 9] in elk geval in de periode van 16 oktober 2019 tot en met 25 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 12] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 10]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 13] (hierna: * [telefoonnummer 13] ) tot 7 maart 2020 in de nachtelijke uren voornamelijk mastgegevens in de omgeving van het woonadres van [medeverdachte 10] ( [adres 14] in Tiel) aanstraalde. Dit telefoonnummer kwam in beeld in het onderzoek naar aanleiding van het geweldsfeit jegens [slachtoffer] op 30 oktober 2019, te weten na de DNA-match van [medeverdachte 10] met één van de bivakmutsen die op 1 november 2019 in de garagebox was aangetroffen (zie verder hierna) en na onderzoek van de telefoon van [medeverdachte 8] . Na 7 maart 2020 stopte het gebruik van de * [telefoonnummer 13] . Tot deze datum waren de belangrijkste tegencontacten van * [telefoonnummer 13] zijn vriendin, broer, vader, moeder en [medeverdachte 8] .
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 10] vanaf in elk geval 30 oktober 2019 tot en met 7 maart 2020 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 13] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 11]
Uit tapgesprekken van [medeverdachte 2] met zijn telefoonnummer * [IMEI-nummer 2] volgt dat hij geregeld contact had met het telefoonnummer [telefoonnummer 14] (hierna: * [telefoonnummer 14] ). Het IMEI-nummer [IMEI-nummer 12] bleek gekoppeld aan het nummer * [telefoonnummer 14] . Uit de CIOT-bevraging bleek dat het telefoonnummer op naam stond van [naam 1] , wonende op hetzelfde adres als [medeverdachte 11] . Uit de specifieke inhoud van de afgeluisterde gesprekken blijkt dat * [telefoonnummer 14] in gebruik was bij [medeverdachte 11] .
Het hof stelt op basis van dit alles, in onderlinge samenhang bezien, vast dat [medeverdachte 11] in elk geval in de maand september 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 14] .
FEIT 1: DEELNAME AAN CRIMINELE ORGANISATIE
Standpunt advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat kan worden bewezen dat [verdachte] zich met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] heeft schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk (voorbereiding) moord, gekwalificeerde diefstal, opzetheling, zware mishandeling met voorbedachte raad en valsheid in geschrift.
Standpunt verdediging
Volgens de verdediging dient [verdachte] partieel te worden vrijgesproken van de deelname aan een criminele organisatie en wel voor zover het betreft het oogmerk van (de voorbereiding van) moord. Zij heeft, samengevat weergegeven, gewezen op het fluïde karakter van criminele (netwerk)organisaties. Criminelen zitten niet per se in één organisatie, maar vaak in verschillende tegelijk. De groepen kunnen deels overlappen, maar dat hoeft niet. Bij de duiding van de rol van een deelnemer – en de strafbaarheid van die deelname – moet dan ook scherp onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende groepen. In deze zaak moet dat onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de criminele voertuig- en geweldsorganisatie en anderzijds de criminele moordorganisatie. Aan die laatste organisatie heeft [verdachte] niet deelgenomen. Hij heeft twee keer een auto bestuurd waarvan later is gebleken dat die is gebruikt bij observaties van Wiersum, maar daarmee heeft hij niet bewust een moordorganisatie ondersteund. Ten aanzien van de deelname aan de eerstgenoemde organisatie heeft de verdediging geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Inleiding
Onder een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt volgens vaste jurisprudentie verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het oogmerk tot het plegen van de strafbare feiten, dan wel dat hij deze gedragingen ondersteunt. Het is niet vereist dat een deelnemer aan de criminele organisatie moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaakten van dat samenwerkingsverband of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de verdachte op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de verdachte.
Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Wel moet hij een aandeel hebben gehad of ondersteuning hebben geboden aan gedragingen, ter verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Voor het bewijs van deelname aan de criminele organisatie zal, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, dus moeten worden vastgesteld dat (i) sprake is geweest van een organisatie, (ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven en (iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
Oogmerk van opzetheling en valsheid in geschrifte
Op 6 augustus 2019 wordt een Audi met het kenteken [kenteken 1] gestolen. Diezelfde dag vindt de politie het voertuig terug in Soesterberg. Inmiddels is de auto voorzien van het valse kenteken [kenteken 12] . De auto verplaatst zich vervolgens naar de [straat garagebox] in Utrecht, waar het voertuig in een garagebox lijkt te zijn geplaatst. De politie verricht op 8 augustus 2019 een inkijk in drie garageboxen aan de [straat garagebox] , die met elkaar zijn verbonden tot één ruimte (hierna: de garagebox). In de garagebox is, zo blijkt uit het voertuigidentificatienummer, de gestolen Audi gestald. Inmiddels is het voertuig voorzien van het valse kenteken [kenteken 17] . In de garagebox staan verder de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 10] (zie hierna ook bij de bespreking van zaaksdossier 4) en de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 11] (zie hierna ook bij de bespreking van zaaksdossier 5). De politie plaatst vervolgens een camera met zicht op de garagebox en op een later moment ook een camera aan de binnenzijde van de garagebox.
Aan de hand van de verkregen camerabeelden en verder onderzoek door de politie stelt het hof het volgende vast.
- [verdachte] en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] komen in de periode van 10 augustus 2019 tot en met 22 november 2019 op verschillende momenten en in verschillende samenstellingen in de garagebox:
o [medeverdachte 2] op 17 verschillende dagen, soms meermalen op één dag (10, 14, 19, 20 en 26 augustus 2019; 8, 10, 13, 14, 17 en 20 september 2019; 9, 22, 24, 26 en 31 oktober 2019; 22 november 2019);
o [medeverdachte 1] op 14 verschillende dagen (14 en 16 augustus 2019; 8, 9, 13, 14, 17, 19 en 20 september 2019; 26, 30 en 31 oktober 2019; 11 november 2019);
o [medeverdachte 6] op drie verschillende dagen (16, 19 en 26 augustus 2019);
o [verdachte] drie keer op 10 augustus 2019.
- Op 10 augustus 2019 rond 01:20 uur loopt [medeverdachte 2] met twee gevulde jerrycans naar de garagebox en opent de toegangsdeur met een sleutel. Vervolgens komt [verdachte] aanlopen. Ook hij draagt twee gevulde jerrycans. Beide mannen lopen de garagebox in. Even later verlaten ze de garagebox en sluit [medeverdachte 2] de deur van de garagebox af. Later die nacht, rond 03:05 uur, komen beide mannen terug bij de garagebox. [verdachte] rijdt vervolgens de gestolen Renault met het valse kenteken [kenteken 10] (zaaksdossier 4) de garagebox uit. Even later rijdt [medeverdachte 2] de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 12] (zaaksdossier 8) de garagebox in. Beide mannen verlaten daarna de garagebox. Rond 04:04 uur bezoeken [medeverdachte 2] en [verdachte] de garagebox nogmaals.
- Tijdens een inkijk door de politie op 14 augustus 2019 staat de gestolen Audi uit zaaksdossier 3 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 17] ), de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 11] uit zaaksdossier 5 en de gestolen Audi uit zaaksdossier 8 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 13] ) in de garagebox. De drie voertuigen hebben lamineercodes op de aangebrachte kentekenplaten, waarvan de eerste zeven cijfers overeenkomen en dus uit één serie komen. Dit betreft een niet-bestaande serie. De codes uit deze specifieke serie komen terug in zaken met verschillende strafbare feiten. In de garagebox worden verder een fles ammoniak, verpakkingen van bivakmutsen en werkhandschoenen aangetroffen. Het hof leidt uit de verklaring van [medeverdachte 1] tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 26 mei 2020 en het hiernavolgende af dat er auto’s in de garagebox werden schoongemaakt met ammoniak. Er werd ook schoonmaakmiddel (‘Glassex’) gebruikt.
- Op 16 augustus 2019 omstreeks 01.46 uur lopen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] naar de garagebox. [medeverdachte 6] rijdt vervolgens de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 11] (zaaksdossier 5) de garagebox uit. Even later wordt de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 18] (zaaksdossier 7) de garagebox ingereden. Enkele minuten later staan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] in de garagebox. Ze dragen allebei mondkapjes en handschoenen. Eén van beiden heeft in beide handen een spuitbus vast.
- Op 19 augustus 2019 zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] in de garagebox aanwezig. Ze dragen beiden mondkapjes en handschoenen en lopen met jerrycans heen en weer naar voertuigen. Het hof leidt uit deze handelingen af dat die voertuigen met gebruikmaking van de jerrycans in de garagebox worden voorzien van brandstof.
- Op 26 augustus 2019 lopen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] naar de garagebox. [medeverdachte 2] opent de toegangsdeur en beide mannen lopen naar binnen. Even later komen ze weer naar buiten. [medeverdachte 2] draagt vier, vermoedelijk lege, jerrycans. [medeverdachte 6] sluit de deur af.
- Op 8 september 2019 zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de garagebox. Beiden dragen handschoenen. Door de mannen worden verschillende goederen in twee voertuigen gelegd, onder meer een set baseballpetjes, een aantal handschoenen (in verpakking), een fles (met vermoedelijk schoonmaakmiddel) en twee doosjes met (vermoedelijk) bivakmutsen.
- Op 13 september 2019 is [medeverdachte 2] bij de garagebox. Hij opent de toegangsdeur en draagt een volle jerrycan naar binnen. Na enkele minuten vertrekt hij weer. Een half uur later komt [medeverdachte 2] opnieuw, nu in gezelschap van [medeverdachte 1] , bij de garagebox. Beide mannen dragen handschoenen en zijn bezig met een grote jerrycan met het opschrift ‘Super Cleaner’. Even later rijdt [medeverdachte 2] de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 13] (zaaksdossier 8) naar buiten en sluit [medeverdachte 1] de garagebox af. Een klein uur later brengen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de Audi weer terug naar de garagebox.
- Op 14 september 2019 zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samen in de garagebox; [medeverdachte 1] draagt handschoenen. Later die dag rijdt [medeverdachte 2] de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 17] (zaaksdossier 3) naar buiten. [medeverdachte 1] sluit de garagebox af en loopt weg.
- Ook op 17 september 2019 zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samen in de garagebox. [medeverdachte 2] rijdt de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 20] (zaaksdossier 6) de garagebox in. [medeverdachte 1] maakt verschillende foto’s van de Audi. Beide mannen hebben een spuitbus in hun hand en maken de Audi schoon.
- Op 19 september 2019 is [medeverdachte 1] met een onbekend gebleven man in de garagebox. [medeverdachte 1] maakt een auto schoon met een spuitbus. De garagebox en/of aanwezige voertuigen worden door de onbekende man gesweept, zo volgt uit de beschrijving door de politie van de camerabeelden in combinatie met de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] dat hij regelmatig voertuigen die in de garagebox stonden heeft gesweept of heeft laten sweepen.
- Op 31 oktober 2019 schrijft [medeverdachte 7] (* [Sky-ID 6] ) aan de gebruiker van Sky-ID [Sky-ID 5] ( [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] ) dat hij nieuwe kentekenplaten moet hebben; hij heeft [kenteken 19] en ‘nog 1 andere beste’.
- Op 20 november 2019 wordt tijdens een doorzoeking door de politie van de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 3] in Soest een huurovereenkomst met betrekking tot de garagebox aangetroffen. Het contract vermeldt ‘Jamay’ als huurder en het heeft 14 juni 2019 als ingangsdatum, met een geldigheidsduur van één jaar. Op het contract staat als telefoonnummer van Jamay het nummer [telefoonnummer 2] . Dit is het telefoonnummer van [medeverdachte 2] .
- Na de aanhouding van [medeverdachte 1] op 20 november 2019 vraagt [medeverdachte 7] (* [Sky-ID 6] ) nog dezelfde dag aan [medeverdachte 2] (* [Sky-ID 2] ) om hem de gegevens toe te sturen van ‘contact gereedschap’, ‘contact sweaper + sleutel’ en ‘Stash adres nieuwegein + nummer’. [medeverdachte 2] antwoordt vervolgens: ‘ [voornaam 2] [telefoonnummer 9] ’, [medeverdachte 5] voornaam en telefoonnummer dus. [medeverdachte 5] is met andere woorden de contactpersoon van het gereedschap. Het adres van de ‘stash’ is, zo bericht [medeverdachte 2] , [adres 15] . Dit is het adres van de zus van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 7] instrueert [medeverdachte 2] verder onder meer om geen telefoons mee te nemen en nooit in auto’s (‘waggi’) te praten, ook niet versluierend (‘undercover taal’). De volgende dag bericht [medeverdachte 7] [medeverdachte 2] dat hij het slot moet vervangen. Als [medeverdachte 7] hier de volgende dag opnieuw bij [medeverdachte 2] op aandringt, vervangt [medeverdachte 2] nog diezelfde dag het slot van de toegangsdeur van de garagebox.
- Op 23 november 2019 zijn er berichtenwisselingen tussen [medeverdachte 7] (* [Sky-ID 6] ) en [medeverdachte 2] (* [Sky-ID 2] ). [medeverdachte 7] vraagt aan [medeverdachte 2] of hij een aantal voertuigen (‘bus en de andere’) wil verplaatsen. [medeverdachte 7] zegt verder dat ze voor een blauw voertuig nu geen ‘platen’ (het hof begrijpt: kentekenplaten) hebben; ook wordt in dit kader gesproken over andere voertuigen (‘Renault’, ‘Transporter’ en ‘zwarte en blauwe’). Verder vraagt [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 2] om te controleren of er dubbele kentekenplaten nodig zijn, dan maakt hij deze (‘check ff dubbele ervoor maak ik ze’). Tot slot draagt [medeverdachte 7] [medeverdachte 2] op om ‘ze’ goed schoon te maken, zowel van binnen als van buiten. Dit is zeer belangrijk en zo nodig moet daarvoor extra ammoniak worden gekocht. Een dag later bericht [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 2] dat hij twee platen heeft gehad, van de Capture en de ‘transporter nieuwe platen’. Verder schrijft hij dat ‘ze’ echt super schoon moeten worden. Met ‘ze’ worden voertuigen bedoeld, want in het volgende bericht instrueert [medeverdachte 7] [medeverdachte 2] deze zelf schoon te maken: hij moet de ammoniak (‘ammo’) goed spuiten en de stoelen, grond en stuur vegen. Ook moeten ‘platen veranderen’. [medeverdachte 2] en de ‘jongen die met hem is’ moeten handschoenen gebruiken en een muts opzetten, ‘niet herkenbaar’ en ‘niet praten in of bij de auto’. Ook moet [medeverdachte 2] een ‘buitenstaander’ een sweeper laten kopen, een simpele van een paar honderd euro (‘paar barkis’).
- Op 26 november 2019 wordt de garagebox door de politie doorzocht. In de garagebox staan de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 20] (zaaksdossier 6), de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 18] (zaaksdossier 7), de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 13] (zaaksdossier 8) en de gestolen motorscooter van het merk Piaggio Skipper (zaaksdossier 11). Ook worden vier flessen ammoniak, twee flessen wasbenzine, een spuitfles reiniger, een doos latex handschoenen, een plastic zak met zestien zwarte petjes, een plastic zak met vier zwarte wollen collen en een plastic zak met aanstekers aangetroffen.
- Bij de doorzoeking op 26 november 2019 van de berging van de woning van de zus van [medeverdachte 2] aan het [adres 15] in Nieuwegein worden onder meer twee rugtassen met vijf jammers en een kentekenplaat ( [kenteken 21] ) aangetroffen.
- Op 12 mei 2020 worden in de schuur van de woning van de grootouders van [medeverdachte 5] aan de [adres 16] in Utrecht twee valse kentekenplaten ( [kenteken 19] ), zes honkbalknuppels, tien klauwhamers en twee voorhamers aangetroffen.
Aan de hand van deze feitenvaststellingen concludeert het hof dat:
( i) [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [verdachte] in de periode van 10 augustus 2019 tot en met 22 november 2019 op verschillende momenten, ook tijdens nachtelijke uren en in wisselende samenstellingen, in of bij de garagebox zijn geweest;
( ii) in de garagebox voertuigen werden gestald die van diefstal afkomstig waren;
( iii) gestolen voertuigen werden voorzien van valse kentekenplaten met lamineercodes uit één niet-bestaande serie;
( iv) valse kentekenplaten op bestelling konden worden gemaakt;
( v) gestolen voertuigen bij herhaling in en uit de garagebox werden geplaatst;
( vi) [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] verschillende handelingen aan gestolen voertuigen hebben verricht: voertuigen werden schoongemaakt met ammoniak en ander schoonmaakmiddel (met het kennelijke doel om sporen aan de voertuigen te verwijderen), in de garagebox van brandstof voorzien (met het kennelijke doel om te voorkomen dat een voertuig en de inzittenden bij een tankstation door een camera zouden worden geregistreerd) en in de garagebox gesweept (met het kennelijke doel om te achterhalen of opname- en/of afluisterapparatuur was geplaatst);
( vii) gebruik werd gemaakt van meerdere adressen, waaronder (zoals hierna wordt toegelicht) de schuur van de grootouders van [medeverdachte 5] , waar goederen zoals jammers en valse kentekenplaten werden gestald, die dienstig zijn aan de hiervoor beschreven voertuigcriminaliteit;
( viii) na de aanhouding van de medeverdachte [medeverdachte 1] alles in het werk werd gesteld om de toegang tot de garagebox te bemoeilijken, om sporen aan voertuigen uit te wissen en om afgeschermd te communiceren.
Uit al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen onder meer [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] met als oogmerk het plegen van de opzetheling van voertuigen en valsheid in geschrift (het opzettelijk voorhanden hebben en gebruiken van valse kentekenplaten). Dat [verdachte] aan een criminele organisatie met dit oogmerk heeft deelgenomen, is door de verdediging ook niet betwist.
Over de rol van [medeverdachte 5] merkt het hof ter toelichting nog op dat uit het bericht van [medeverdachte 7] van 20 november 2019 volgt dat [medeverdachte 5] de persoon was die voor de organisatie goederen (in de schuur van zijn grootouders) in bewaring had. Daar stalde hij, naast slagvoorwerpen waarop het hof hierna verder in zal gaan, kentekenplaten die [medeverdachte 7] – zo volgt uit diens bericht van 31 oktober 2019 – eerder had laten maken en die dienden om te worden gebruikt op gestolen voertuigen. Ook is [medeverdachte 5] , zoals hiervoor toegelicht, als bestuurder opgetreden van de gestolen Volkswagen Multivan (zaaksdossier 9) en de gestolen Volkswagen Transporter (zaaksdossier 13). Op deze wijze heeft [medeverdachte 5] een bijdrage geleverd aan de gedragingen ter verwezenlijking van het oogmerk van de opzetheling en de valsheid in geschrifte.
Oogmerk van zware mishandeling met voorbedachten rade
10 ammo
Uit hetgeen hiervoor bij de bespreking van het geweldsfeit tegen [slachtoffer] is overwogen volgt dat het samenwerkingsverband tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] ook was gericht op het geweld tegen [slachtoffer] . Allen hebben een bijdrage geleverd aan de uitvoering van het gezamenlijke plan om fors geweld op [slachtoffer] uit te oefenen. Daarbij gebruikte de organisatie gestolen voertuigen voor dit geweld. Zoals hiervoor is overwogen zijn bij de (voorbereiding van) het geweld immers de gestolen Volkswagen Multivan met het valse kenteken [kenteken 14] (zaaksdossier 9) en de gestolen Volkswagen Transporter (zaaksdossier 13) gebruikt.
Dat het plegen van geweldsfeiten in breder verband een oogmerk van de organisatie was, blijkt uit verschillende berichten die zijn gewisseld:
- daags na de geweldsuitoefening tegen [slachtoffer] , op 31 oktober 2019, leest [medeverdachte 2] een artikel voor aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] spreekt onder meer over een ‘gerichte aanslag’, ‘bloedsporen’, ‘zwaargewond’ en ‘per ambulance naar het ziekenhuis’. [medeverdachte 1] reageert met de opmerking: ‘Weet je wie we ook gaan doen? [naam 2] ’. Duidelijk is, in de context van de hiervoor genoemde termen, dat met ‘doen’ het uitoefenen van ernstig geweld wordt bedoeld. Uit de reactie van [medeverdachte 2] blijkt dat hem duidelijk is wie [medeverdachte 1] met [naam 2] bedoelt;
- zoals hiervoor is toegelicht, heeft ook [medeverdachte 7] op 31 oktober 2019 contact over het kort daarvoor uitgeoefende geweld tegen [slachtoffer] , met de gebruiker van [Sky-ID 5] ( [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] ). Hij merkt op dat er eigenlijk een foto van [slachtoffer] zou moeten worden gemaakt. Ook wordt gesproken over de ‘hamers’, waarmee in deze context kennelijk wordt gedoeld op de tegen [slachtoffer] gebruikte slaghamer. [medeverdachte 7] merkt vervolgens op: ‘Hebben we nieuwe hamers setjes alles voor nieuwe klus moet uit belgie of duits’. [medeverdachte 7] overlegt hier dus over een nieuwe klus, meer specifiek – gelet op het gereedschap dat moet worden geregeld – een geweldsklus;
- op 13 november 2019 bericht [medeverdachte 1] ( [Sky-ID 1] ) aan [medeverdachte 2] (op dat moment de gebruiker van [Sky-ID 5] ) dat bij een onbekend gebleven persoon alle botten moeten worden gebroken. Ook moet deze persoon schade vergoeden en een boete betalen: vijftigduizend euro, deze week.
De organisatie beschikte, naast het genoemde voertuig dat bij (de voorbereiding van) het geweld tegen [slachtoffer] is gebruikt, over wapens en andere voorwerpen ten behoeve van dit geweld. Zoals besproken werden in de schuur van de grootouders van [medeverdachte 5] , die hij voor de organisatie als opslagplaats gebruikte, honkbalknuppels, klauwhamers en voorhamers gestald. Slagvoorwerpen, kortom, van het type als de slagwapens die zijn gebruikt bij het geweld tegen [slachtoffer] . Deze combinatie van slagwapens komt ook terug in de notities die zijn aangetroffen in de telefoon waaraan Sky-ID [Sky-ID 5] (in gebruik bij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [verdachte] ) was gekoppeld, waarin onder het kopje ‘nodig’ het volgende stond vermeld:
10x hamer
5x moker
20x handschoenen
20x keukendoek
10x barbeque brander
5x knuppel
5x nokia telefoon nieuw
Op deze telefoon zijn voorts foto’s aangetroffen van kassabonnen van aangekochte klauwhamers en voorhamers. De goederen werden volgens de kassabonnen op 9 november 2019 aangeschaft. Deze lijst vertoont overeenkomsten met een lijst (met de naam ‘Inventaris’) die is aangetroffen in de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoon (met het Sky-ID [Sky-ID 1] ), waarop onder meer de volgende goederen staan:
3x jammers
1x jammer autolader
8x amo flesjes
2x gps tracker
Sweeper
3x af luister zender
Renault kastje 3x sleutel
Audi kastje a6 s6 rs6 t/m bouwjaar 2010
Audi kastje B7 = rs4 t/m 2008
Audi kastje B8 = a4 s4 rs4 a5 s5 rs5 t/m 2014
22x petjes
14x bivak
20x schroeven
Slotentrekker
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de organisatie voorwerpen op voorraad had die dienstig waren aan het door de organisatie beoogde geweld, naast de beoogde opzetheling. Ook de combinatie van de wapens en de overige in deze notities genoemde goederen, zoals handschoenen, petjes en bivaks (het hof begrijpt: bivakmutsen) – welke combinatie van goederen immers ook bij het geweld tegen [slachtoffer] is gebruikt – en de hoeveelheid van al die goederen (‘5 x knuppel’, ’14 x bivak’) wijst op het bredere oogmerk van het plegen van fors geweld door de organisatie.
Het samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] was kortom ook gericht op het plegen van zware mishandeling met voorbedachte raad. De deelname aan de criminele organisatie is overigens wat dit oogmerk betreft door de verdediging van [verdachte] niet betwist.
Oogmerk van voorbereiding van moord
Bij de beoordeling van de vraag of de organisatie ook was gericht op (de voorbereiding van) moord, zijn de volgende feiten van belang.
- Op 17 juli 2019 maakt het PGP-nummer * [PGP-nummer 5] van [medeverdachte 6] (hierna ook aangeduid als: de PGP van [medeverdachte 6] ) om 06:23 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 17] in Utrecht. Deze Cell-ID ligt in de omgeving van de verblijfsplaats van [medeverdachte 6] , de woning van zijn oma aan de [adres 18] . Tussen 07:09 uur en 07:21 uur straalt de PGP van [medeverdachte 6] achtereenvolgens aan in Utrecht, Maarssen, Breukelen, Nieuwersluis en Amsterdam. Tussen 09:13 uur en 13:02 uur maakt de PGP van [medeverdachte 6] gebruik van Cell-ID’s aan het [adres 19] , [adres 20] en de [adres 21] in Amsterdam. Deze Cell-ID’s bevinden zich in de omgeving van het kantoor van Wiersum. Om 14:59 uur straalt de PGP van [medeverdachte 6] weer in Utrecht aan.
- Op 18 juli 2019 maakt de PGP van [medeverdachte 6] om 04:12 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 16] in Utrecht. Deze Cell-ID ligt in de omgeving van zijn verblijfadres aan de [adres 18] in Utrecht. Om 13:46 uur maakt de PGP van [medeverdachte 6] gebruik van een Cell-ID in de omgeving van het kantoor van Wiersum (de [adres 21] ). Tussen 14:25 uur en 14:41 uur straalt de PGP van [medeverdachte 6] aan op de route van Amsterdam naar Utrecht.
- Op 19 juli 2019 maakt de PGP van [medeverdachte 6] om 06:41 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 16] in de omgeving van zijn verblijfsadres. Tussen 07:53 uur en 08:00 uur straalt de PGP aan op de route van Maarssen naar Amsterdam. De PGP maakt om 10:11 uur en 11:12 uur gebruik van een Cell-ID aan in de omgeving van het kantoor van Wiersum (de [adres 22] ). Vervolgens verplaatst de PGP zich in Amsterdam, waarbij het nummer gebruik maakt van Cell-ID’s aan de [adres 23] en de [adres 24] . Om 16:07 uur maakt de PGP opnieuw gebruik van de Cell-ID aan de [adres 22] , waarna deze blijkens de mastgegevens terugkeert naar Utrecht.
- Op 26 juli 2019 maakt de PGP van [medeverdachte 6] om 7:55 uur gebruik van een Cell-ID bij Utrecht Centraal Station, waarna deze zich verplaatst naar Amsterdam. Om 10:02 uur en om 11:24 uur maakt de PGP gebruik van Cell-ID’s in de omgeving van het kantoor van Wiersum (de [adres 21] en de [adres 22] ). De PGP maakt om 14:32 uur weer gebruik van een Cell-ID in Utrecht.
- Op 31 juli tussen 07:53 uur en 08:04 uur maakt de PGP van [medeverdachte 6] achtereenvolgens gebruik van Cell-ID’s in Maarssen, Abcoude, Loenen aan de Vecht en Amsterdam. Om 09:28 uur straalt de PGP van [medeverdachte 6] weer aan in de omgeving van het kantoor van Wiersum (de [adres 21] ). In de loop van de middag maakt de PGP weer gebruik van een Cell-ID in Utrecht. Net na middernacht, om 00:07 uur en 00:29 uur, maakt de PGP van [medeverdachte 6] gebruik van een Cell-ID in de omgeving van de garagebox.
- Op 1 augustus 2019 om 07.22 uur maakt de PGP van [medeverdachte 6] gebruik van een Cell-ID in Amsterdam. Tussen 08:03 uur en 13:34 uur maakt de PGP gebruik van meerdere Cell-ID’s in de omgeving van het kantoor van Wiersum (het [adres 19] , [adres 20] en de [adres 25] ). De PGP van [medeverdachte 6] verplaatst zich vervolgens terug naar Utrecht. De PGP’s met de nummers * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 3] van [medeverdachte 2] en nummer * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] maken tussen 16:50 uur en 18:37 uur gebruik van Cell-ID’s in de omgeving van de garagebox. De hiervoor besproken gestolen Renault met het valse kenteken [kenteken 10] (zaaksdossier 4) (hierna ook aan de duiden als: de Renault) heeft om 17:06 uur een startmoment en om 17:11 uur een stopmoment in de omgeving van de garagebox. Om 18:04 uur maakt de PGP van [medeverdachte 6] gebruik van een Cell-ID in de omgeving van de garagebox aan de [straat garagebox] . Ook de PGP’s * [telefoonnummer 3] van [medeverdachte 2] en * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] hebben hier registraties. Om 18:18 uur heeft de Renault vervolgens een start- en hierna om 18:25 uur een stopmoment in de omgeving van de garagebox.
- Op 2 augustus 2019 maakt de PGP van [medeverdachte 6] vanaf 07:15 uur een reisbeweging van Breukelen naar Amsterdam. Tussen 08:13 uur en 10:38 uur maakt de PGP gebruik van verschillende Cell-ID’s in de omgeving van het kantoor van Wiersum ( [adres 20] , het [adres 19] en de [adres 25] ). In de middag is de PGP weer in Utrecht.
- Op 3 augustus 2019 wordt er om 15:40 uur bij het internetcafé ‘ [naam 3] ’ aan de [adres 26] in Utrecht (hierna: het internetcafé) een bevraging gedaan in het online handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) op het advocatenkantoor van Wiersum. In het KvK-uittreksel van het advocatenkantoor staat het woonadres van Wiersum vermeld. Voorafgaand aan en na deze bevraging – om respectievelijk 14:59 uur en 16:53 uur – maakt de PGP van [medeverdachte 6] gebruik van een Cell-ID aan het [adres 27] . De [adres 26] ligt, zo volgt uit de openbare bron Googlemaps, in de directe omgeving van het [adres 27] . Er is eerder, op 19 maart 2019, en op 6 augustus 2019 en 4 september 2019 met de DigiD van [medeverdachte 6] ingelogd in het internetcafé.
- Op 5 augustus 2019 rijdt de Renault om 06:59 uur door de [adres 28] te Amsterdam. Wiersum was woonachtig aan de [adres 28] 62. De PGP van [medeverdachte 6] maakt om 07:19 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 36] in Amstelveen, die dekking geeft aan de [adres 28] . De Renault rijdt vervolgens ook om 09:17 uur en 09:19 uur door de [adres 28] . De PGP van [medeverdachte 6] maakt dan gebruik van een Cell-ID aan de [adres 29] ; ook deze Cell-ID geeft dekking aan de [adres 28] .
- Op 8 augustus 2019 is de Renault, zoals hiervoor opgemerkt, in de garagebox gestald.
- Ook in de nacht van 10 augustus 2019 staat de Renault in de garagebox. Zoals besproken bezoeken [medeverdachte 2] en [verdachte] die nacht de garagebox en dragen zij allebei twee gevulde jerrycans naar binnen. Later die nacht bezoeken ze de garagebox nogmaals en rijdt [verdachte] de Renault naar buiten.
- Op 12 augustus 2019 rijdt de Renault meerdere rondes door de woonwijk waarin de woning van van Wiersum is gelegen. Rond 06:00 uur rijdt de Renault over de [adres 30] richting de [adres 31] , een zijstraat van de [adres 28] . De PGP van [medeverdachte 6] maakt om 06:07 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 32] in Amsterdam. Om 06:32 uur is de Renault weer terug in Utrecht en maakt dan gebruik van een Cell-ID aan de [adres 33] , die dekking geeft aan het adres waar [medeverdachte 6] in die periode verblijft, de [adres 13] in Utrecht. Tussen 08:07 uur en 08:15 uur straalt de PGP van [medeverdachte 6] aan op de route van Utrecht naar Amsterdam. Om 08:13 uur passeert de Renault een ANPR-camera in Ouderkerk aan de Amstel. Om 08.20 uur rijdt de Renault op de [adres 28] , waar hij ter hoogte van de woning van Wiersum stopt. Daarna rijdt de Renault verder. Om 08:39 uur wordt het voertuig ter hoogte van de woning van Wiersum in een parkeervak gereden en om 09:16 uur rijdt de Renault weer weg uit het parkeervak.
- Ook op 14 augustus 2019 rijdt de Renault meerdere rondes door de woonwijk waarin de woning van Wiersum is gelegen. Om 05:46 uur en om 05:58 uur rijdt de Renault weer over de [adres 30] richting de [adres 34] , een zijstraat van de [adres 28] . De PGP van [medeverdachte 6] maakt om 07:41 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 36] in Amstelveen, die dekking geeft aan de [adres 28] . De Renault is vervolgens om 07:44 uur, 07:59 uur, 08:39 uur en 09:14 uur op de [adres 28] . Om 09:27 uur maakt de PGP van [medeverdachte 6] gebruik van een Cell-ID in Ouderkerk aan de Amstel. De Renault maakt om 09:55 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 35] in Utrecht. Ook de PGP van [medeverdachte 6] maakt om 11:27 uur en 12:45 uur gebruik van deze Cell-ID.
- Op 15 augustus 2019 wordt de nieuwe PGP * [PGP-nummer 6] van [medeverdachte 6] (vanaf hier in plaats van de * [PGP-nummer 5] aangeduid als: de PGP van [medeverdachte 6] ) geactiveerd. Om 04:03 uur – inmiddels dus 16 augustus 2019 – maakt de Renault gebruik van een Cell-ID aan de [adres 33] 80 in Utrecht, in de omgeving van de verblijfplaats van [medeverdachte 6] . Ook de PGP van [medeverdachte 6] maakt om 04:16 uur gebruik van deze Cell-ID. Om 06:01 uur heeft de Renault hier een startmoment. De PGP van [medeverdachte 6] maakt om 06:16 uur verbinding met een Cell-ID aan de [adres 37] in Nieuwer ter Aa, gelegen langs de A2 tussen Utrecht en Amsterdam. Om 06:39 uur rijdt de Renault door de [adres 28] . Om 06:53 uur stopt de Renault in de omgeving van de [adres 38] te Amsterdam. Tussen 07:10 uur en 07:35 uur heeft de OV-chipkaart van [medeverdachte 6] achtereenvolgens registraties bij de haltes [adres 41] (een zijstraat van de [adres 39] waar de Renault kennelijk is achtergelaten), Station Zuid en het Centraal Station in Amsterdam. De PGP van [medeverdachte 6] maakt om 09:25 uur gebruik van een Cell-ID aan het [adres 40] . Vervolgens heeft de OV-chipkaart van [medeverdachte 6] tussen 10:24 uur en 10:54 uur achtereenvolgens registraties bij de haltes Centraal Station, Station Zuid en de [adres 41] . De Renault rijdt om 11:12 uur opnieuw door de [adres 28] . Hierna rijdt de Renault terug naar Utrecht; de Renault en de PGP van [medeverdachte 6] maken tegelijk – om respectievelijk 11:58 uur en 11:56 uur – gebruik van een Cell-ID in de omgeving van de verblijfplaats van [medeverdachte 6] (de [adres 33] ).
- Op 19 augustus 2019 wordt de Renault om 05:22 uur in de omgeving van de verblijfplaats van [medeverdachte 6] (de [adres 33] ) gestart. De Renault rijdt om 06:09 uur en 06:41 uur door de [adres 28] . De PGP van [medeverdachte 6] maakt om 06:58 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 29] in Amsterdam, die dekking geeft aan de [adres 28] . De Renault rijdt om 07:30 uur en om 09.19 uur door de [adres 28] . Hierna heeft de Renault om 09:24 uur en 10:11 uur twee stopmomenten in de omgeving van de [adres 28] en maakt verbinding met een Cell-ID [adres 36] in Amstelveen. De PGP van [medeverdachte 6] maakt om 10:37 uur gebruik van een Cell-ID aan de Mahlerlaan 4 in Amsterdam. Om 15:23 uur rijdt de Renault weer door de [adres 28] . Hierna rijdt de Renault weer terug naar Utrecht en om 16:03 uur maakt het voertuig gebruik van een Cell-ID aan de [adres 33] . De PGP van [medeverdachte 6] maakt een kwartier later gebruik van een Cell-ID aan de Rooseveltlaan. De beide Cell-ID’s liggen in de omgeving van [medeverdachte 6] ’s verblijfsplaats. Zoals hiervoor is overwogen, is [medeverdachte 6] die avond rond zes uur met [medeverdachte 2] in de garagebox aanwezig: beiden dragen mondkapjes en handschoenen en lopen met jerrycans heen en weer, waarna voertuigen worden voorzien van brandstof.
- Op 20 augustus 2019 rijdt de Renault om 06:06 uur, 06:11 uur en 06:29 uur door de [adres 28] . De Renault en de PGP van [medeverdachte 6] maken vervolgens beide – om respectievelijk 07:16 uur en 08:29 uur (de Renault) en 07:41 uur (de PGP van [medeverdachte 6] ) – gebruik van de Cell-ID aan de [adres 36] in Amstelveen. Hierna rijdt de Renault om 08:33 uur, 08:34 uur, 09:17 uur en 09:30 uur telkens opnieuw door de [adres 28] . Om 10:50 uur is de Renault weer terug in de omgeving van het verblijfadres van [medeverdachte 6] .
- Op 22 augustus 2019 maakt de PGP van [medeverdachte 6] om 09:59 uur gebruik van een Cell-ID in de omgeving van zijn verblijfplaats (de [adres 33] ). Vervolgens verplaatst de PGP zich per trein naar Amsterdam. De Renault rijdt vervolgens om 11:46 uur en 11:47 uur door de [adres 28] .
- Op 17 september 2019 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rond 20:00 uur samen, zo volgt uit de mastgegevens van hun telefoons en uit het telefoongesprek dat [medeverdachte 1] dan met zijn moeder voert. Rond dezelfde tijd wordt de Renault door [verdachte] naar Bergschenhoek gebracht, zo volgt uit de mastgegevens van de telefoon van [verdachte] en die van de Renault en uit de verklaring van [medeverdachte 1]. Overigens heeft [verdachte] dit ook erkend. Eerder had [medeverdachte 1] de Renault al een aantal keer gesweept. Om 21:07 uur bellen [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 1] ) en [verdachte] (* [telefoonnummer 5] ) met elkaar. [medeverdachte 1] vraagt of het is gelukt, waarop [verdachte] bevestigend antwoordt. [verdachte] zegt verder dat hij terug onderweg is en legt uit waar hij hem heeft gezet: ‘bij die binnenhofje […] je weet toch. Die jongen die daar komt hij gaat precies begrijp wat ik bedoel […] als je dat tegen die jongen zegt, hij weet het precies’. Iets later, tijdens een telefoongesprek om 22:33 uur, zegt [verdachte] , desgevraagd door [medeverdachte 1] , dat de sleutel linksachter bij de bestuurderskant ligt. [medeverdachte 1] vraagt of hij niet door iemand is gezien, waarop [verdachte] antwoordt dat dit zeker niet het geval is. Een paar minuten later, om 22:41 uur, belt [verdachte] (* [telefoonnummer 5] ) naar [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ) en vraagt of het is gelukt, waarop [medeverdachte 2] antwoordt dat hij het niet weet en zo wordt gebeld. Om 22:52 uur zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samen in de garagebox.
- De volgende dag, in de ochtend van 18 september 2019, wordt Wiersum op de [adres 28] doodgeschoten.
Op basis van de voorgaande vaststellingen trekt het hof de volgende conclusies:
( i) [medeverdachte 6] heeft zich op 17, 18, 19, 26 en 31 juli 2019 en op 1 en 2 augustus 2019 vanuit Utrecht steeds naar de directe omgeving van het kantoor van Wiersum begeven.
( ii) Op 1 augustus 2019 heeft [medeverdachte 6] zich in de ochtend naar de directe omgeving van het kantoor van Wiersum begeven en heeft hij zich aan het eind van de middag in de richting van de garagebox begeven, waar zich rond dezelfde tijd ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (en de Renault) bevonden.
( iii) Op 3 augustus 2019 heeft [medeverdachte 6] het KvK-uittreksel van het advocatenkantoor van Wiersum (waarop diens woonadres werd vermeld) in het internetcafé geraadpleegd, zo leidt het hof af uit de omstandigheden dat zijn PGP voorafgaand aan en na deze bevraging een Cell-ID aan het [adres 27] aanstraalde, hij blijkens de eerdere en de latere DigiD-inlog een bezoeker van het internetcafé was en – zoals hierna wordt geconcludeerd – hij vanaf het moment van raadplegen van het KvK-uittreksel zeer frequent naar de woning van Wiersum is gereden, zoals hiervoor is vastgesteld.
( iv) Op 5, 12, 14, 16, 19, 20 en 22 augustus 2019 is de Renault op en rond de [adres 28] geweest.
( v) Uit de hiervoor besproken onderzoeksbevindingen en locatiegegevens – waaruit wordt afgeleid dat de PGP’s van [medeverdachte 6] (eerst * [PGP-nummer 5] en daarna * [PGP-nummer 6] ) meermalen (ook vanaf de omgeving van het verblijfsadres van [medeverdachte 6] ) met de Renault meebewogen – volgt dat [medeverdachte 6] degene is geweest die deze voorverkenningen met de Renault heeft uitgevoerd.
( vi) De Renault heeft veel korte ritten gemaakt op en rondom de [adres 28] . De Renault stond een keer stil ter hoogte van de woning van Wiersum en werd daar een keer enige tijd geparkeerd. Nergens op de beelden is te zien dat iemand de Renault in- of uitstapte en ook overigens kan niet uit het dossier worden afgeleid dat de Renault voor een legitiem doel in de wijk moest zijn. Daarbij speelt dat de ritten ook veelal zeer vroeg in de ochtend waren. Het hof leidt hieruit af dat de Renault is gebruikt om de omgeving van de woning van Wiersum te verkennen ten behoeve van een – op 19 september 2019 ook daadwerkelijke op de locatie van de voorverkenningen, de [adres 28] , uitgevoerde – moordaanslag op Wiersum.
( vii) Nadat [medeverdachte 6] op 5 augustus 2019 was begonnen met de voorverkenningen met de Renault bij de woning van Wiersum, werd de Renault op 10 augustus 2019 door [medeverdachte 2] en [verdachte] – nadat zij eerder met jerrycans met brandstof de garagebox binnen zijn gegaan – de garagebox uitgereden. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] waren op 16 augustus 2019 samen in de garagebox waarbij zij handschoenen en witte mondkapjes droegen en één van hen twee spuitbussen vast had. [medeverdachte 2] was op 19 augustus 2019 samen met [medeverdachte 6] in de garagebox, waarbij zij handschoenen en mondkapjes droegen en waarbij zij met jerrycans heen en weer liepen. Na de laatste voorverkenning door [medeverdachte 6] heeft [verdachte] de Renault, in nauw contact met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , heimelijk afgevoerd naar een veilige plaats.
Uit het voorgaande volgt dat de organisatie, door het verrichten van voorverkenningen ten behoeve van de latere moordaanslag op Wiersum, ook de voorbereiding van moord tot oogmerk heeft gehad. Door de Renault in de garagebox te stallen, te verplaatsen, te sweepen en/of hieraan sporen te verwijderen en/of van brandstof te voorzien, en door deze daags voor de moord heimelijk naar een veilige plek af te voeren, hebben [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] een bijdrage geleverd aan deze voorverkenningen en aldus aan de gedragingen ter verwezenlijking van het oogmerk van de voorbereiding van moord. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor bij de inleiding is overwogen, hoeft voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging niet te worden vastgesteld dat [verdachte] wist dat de moord op Wiersum werd voorbereid. Voor een bewezenverklaring is toereikend – en op basis van de voorgaande vaststellingen is evident – dat [verdachte] in zijn algemeenheid wist dat dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Het andersluidende betoog van de verdediging wordt verworpen.
FEIT 4: DIEFSTAL DAN WEL HELING VAN VOERTUIGEN
Zaaksdossier 4: diefstal en/of heling van de Renault Megane
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Renault Megane met kenteken [kenteken 5] (vals kenteken [kenteken 10] ).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [verdachte] ter zake van het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ter zake van de schuldheling en hebben voor het overige vrijspraak bepleit.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank, de advocaten-generaal en de verdediging van oordeel dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.
Bij de beantwoording van de vraag of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
De Renault wordt in de nacht van 24 op 25 juni 2019 gestolen.
Zoals hiervoor is overwogen, wordt de auto in de nacht van 7 op 8 augustus 2019 in de garagebox aangetroffen, voorzien van het valse kenteken [kenteken 10] .
In de nacht van 10 augustus 2019 lopen [verdachte] en [medeverdachte 2] , zoals hiervoor overwogen, naar de garagebox en dragen beiden jerrycans naar binnen. Later die nacht rijdt [verdachte] de Renault de garagebox uit, waarna [medeverdachte 2] even later de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 12] (zaaksdossier 8) de garagebox inrijdt.
Hiervoor is vastgesteld dat [verdachte] de Renault op 17 september 2019, in nauw contact met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , heimelijk afvoert naar Bergschenhoek.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [verdachte] wist dat de Renault van diefstal afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [verdachte] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een aannemelijke verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [verdachte] , met zijn slechts heel algemeen geformuleerde en niet nader onderbouwde verklaring dat hij dacht dat het een ‘eerlijke auto’ was die ‘werd overgedragen voor drugshandel of zo’, niet gedaan.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Zaaksdossier 5: diefstal en/of heling van de Renault Megane
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Renault Megane met kenteken [kenteken 6] (vals kenteken [kenteken 11] ).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [verdachte] ter zake het ten laste gelegde medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ter zake van de schuldheling en hebben voor het overige vrijspraak bepleit.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank, de advocaten-generaal en de verdediging van oordeel dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.
Bij de beantwoording van de vraag of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
Op 27 juni 2019 wordt de Renault Megane met het kenteken [kenteken 6] gestolen in Utrecht.
Zoals hiervoor overwogen, bevindt de Renault zich op 8 augustus 2019 in de garagebox, voorzien van het valse kenteken [kenteken 22] . De Renault wordt door de politie voorzien van een baken en OVC-apparatuur.
Zoals hiervoor opgemerkt, zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] in de nacht van 10 augustus 2019 meermalen in de garagebox.
Ook op 14 augustus 2019 staat de Renault, zoals hiervoor overwogen, voorzien van het valse kenteken [kenteken 11] in de garagebox, samen met de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 17] (zaaksdossier 3) en de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 13] (zaaksdossier 8).
Blijkens bakengegevens komt de Renault op 22 augustus 2019 omstreeks 05:39 uur in beweging en komt deze omstreeks 05:42 uur aan op een parkeerplaats aan de [adres 42] in Westbroek. De Renault wordt daar rond 06:00 uur aangetroffen. Op de [adres 42] staat op acht meter afstand van de Renault ook de Peugeot 208 met kenteken [kenteken 23] geparkeerd, die in die periode in gebruik is bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
In de OVC-gesprekken die in de Renault zijn gevoerd, worden de stemmen van [medeverdachte 2] en [verdachte] herkend. Aan de hand hiervan concludeert het hof dat [medeverdachte 2] zich op 12 september 2019 in de Renault bevindt en [verdachte] op 27 augustus 2019, 15 september 2019 en op 16 september 2019.
Op 16 september 2019 beweegt de telefoon van [verdachte] richting Nijmegen, tezamen met de Renault. Hij vraagt om 20.08 uur telefonisch aan [vriendin verdachte] of zij hem kan ophalen in Nijmegen. Om 22:44 uur is [vriendin verdachte] – zo blijkt uit de mastgegevens van haar telefoon – ook in Nijmegen. Om 00:53 uur zijn [verdachte] en [vriendin verdachte] – blijkens de mastgegevens van hun telefoons – weer in Utrecht. De Renault blijft achter in Nijmegen: bij een inkijkoperatie op 21 september 2019 wordt de Renault voorzien van het valse kenteken [kenteken 11] in een garagebox aan de [adres 43] in Nijmegen aangetroffen. Uit het voorgaande volgt dat de Renault door [verdachte] , samen met [vriendin verdachte] , daarheen is gebracht.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [verdachte] wist dat de Renault van diefstal afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [verdachte] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [verdachte] nagelaten.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Zaaksdossier 8: diefstal en/of heling van de Audi S4 ( [kenteken 24] )
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Audi S4 met kenteken [kenteken 24] (valse kentekens [kenteken 12] en [kenteken 25] ).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [verdachte] ter zake van het medeplegen van diefstal wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben zich ter zake van de schuldheling gerefereerd aan het oordeel van het hof en hebben voor het overige vrijspraak bepleit.
Oordeel van het hof
Het hof is anders dan de rechtbank en anders dan gevorderd door de advocaten-generaal van oordeel dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat. Uit het dossier blijkt dat de Audi S4 door [medeverdachte 3] is gestolen. Ook blijkt hieruit dat [verdachte] en [medeverdachte 3] in de nacht van de diefstal op enig moment samen zijn geweest. Het dossier bevat evenwel geen aanwijzingen dat [verdachte] ook bij de diefstal zelf betrokken is geweest dan wel dat hij daarbij anderszins als medepleger betrokken is geweest.
Bij de beantwoording van de vraag of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
De Audi S4 wordt in de nacht van 8 op 9 augustus 2019 in Zandvoort gestolen.
Zoals hiervoor is overwogen, zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] in de nacht van 10 augustus 2019 meermalen samen in de garagebox. Op enig moment rijdt [verdachte] de genoemde Renault met het valse kenteken [kenteken 10] (zaaksdossier 4) de garagebox uit, waarna [medeverdachte 2] de gestolen Audi S4 (die dan voorzien is van het valse kenteken [kenteken 12] ) de garagebox inrijdt.
Ook op 14 augustus 2019 staat de Audi S4 (dan voorzien van het valse kenteken [kenteken 13] ), zoals hiervoor is overwogen, in de garagebox, samen met de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 11] (zaaksdossier 5) en de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 17] (zaaksdossier 3).
Zoals overwogen wordt de Audi S4 op 26 november 2019, dan nog steeds voorzien van het valse kenteken [kenteken 13] , aangetroffen in de garagebox.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [verdachte] wist dat de Audi S4 van diefstal afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [verdachte] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [verdachte] door zich ten aanzien van dit voertuig op zijn zwijgrecht te beroepen nagelaten.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Zaaksdossier 10: diefstal en/of heling van Audi A4 ( [kenteken 9] )
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een de Audi A4 met kenteken [kenteken 9] (vals kenteken [kenteken 15] ).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [verdachte] ter zake van het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben zich ter zake van de schuldheling gerefereerd aan het oordeel van het hof en hebben voor het overige vrijspraak bepleit.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank, de advocaten-generaal en de verdediging van oordeel dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.
Bij de beantwoording van de vraag of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
In de periode van 1 op 2 juli 2019 wordt de Audi A4 in Vleuten gestolen. Op enig moment wordt de auto voorzien van het valse kenteken [kenteken 15] .
Op 8 november 2019 voert [verdachte] (* [telefoonnummer 8] ) de volgende telefoongesprekken:
uur
[verdachte] belt naar het bedrijf [bedrijf] en noemt zijn achternaam. Hij geeft aan pech te hebben met zijn auto en vraagt wat het kost om deze af te laten slepen.
uur
[verdachte] belt naar het bedrijf [bedrijf] en noemt zijn naam, [verdachte] . Hem wordt om het kenteken gevraagd maar hij kan deze nog niet geven. Hij vertelt dat het gaat om de auto van zijn broer. [verdachte] zegt later terug te bellen als hij alle gegevens heeft.
uur
[verdachte] belt opnieuw naar [bedrijf] en geeft aan dat hij zijn auto van Vleuterweide naar
Overvecht wil hebben en zegt dat het gaat om een Audi A4 station met het kenteken [kenteken 15] . Hij wil de auto het liefst vandaag bij de garage hebben.
uur
[verdachte] belt naar het bedrijf Modern berging. Hij geeft aan dat hij zijn auto met pech vandaag van Vleuterweide naar Overvecht gebracht wil hebben. De medewerker van Modern berging geeft aan vandaag geen tijd te hebben.
uur
[verdachte] belt met zijn vriendin Celina [vriendin verdachte] en vertelt haar dat hij die kankerauto moet slepen. Celina vraagt of het nog niet gelukt is. [verdachte] weet nog niet hoe hij het gaat regelen, maar de auto moet ‘daar’ kennelijk de volgende ochtend staan.
Uit deze gesprekken volgt dat [verdachte] bezig was met het organiseren van het laten afslepen van de Audi A4 “met kenteken [kenteken 15] ” en dat daar haast mee gemoeid was. [verdachte] deed het voorkomen alsof het de auto van zijn broer was.
Naar aanleiding van deze telefoongesprekken besluit de politie om de auto nog diezelfde dag in beslag te nemen. Bij forensisch onderzoek blijkt het om de gestolen Audi met kenteken [kenteken 9] te gaan. In de Audi A4 wordt (op de veiligheidsriem van de bestuurdersstoel en op het stuur) DNA aangetroffen dat matcht met het DNA van [verdachte] .
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [verdachte] wist dat de Audi S4 van diefstal afkomstig was en dat hij deze voorhanden heeft gehad. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [verdachte] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [verdachte] nagelaten.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Zaaksdossier 9: diefstal en/of heling van de Volkswagen Multivan ( [kenteken 8] )
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Volkswagen Multivan.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [verdachte] ter zake van het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben ter zake van de diefstal vrijspraak bepleit en hebben zich ter zake van de opzetheling gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank, de advocaten-generaal en de verdediging van oordeel dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.
Bij de beantwoording van de vraag of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
Tussen 6 september 2019 te 23.00 uur en 7 september 2019 te 09.00 uur wordt in Heerlen een Volkswagen Multivan, voorzien van het kenteken [kenteken 8] , gestolen.
Op 10 oktober 2019 rond 22:50 uur gaat de politie na een melding van een verdachte situatie naar [adres 44] in Utrecht. Ter plaatse ziet de politie dat de kentekenplaten op de Volkswagen Multivan vals zijn en dat het chassisnummer van deze Volkswagen hoort bij een ander kenteken, namelijk [kenteken 8] . De Volkswagen Multivan wordt door de politie weggetakeld en op dat moment rijdt er een donkerkleurige Audi A4 met kenteken [kenteken 15] (zaaksdossier 10) langzaam voorbij. Uit opgenomen telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] in deze auto zit. In een gesprek op 10 oktober 2019 om 23:25 uur tussen [verdachte] (* [telefoonnummer 5] ) en [medeverdachte 12] [telefoonnummer 7] (hierna: * [telefoonnummer 7] ), die aan zijn stem wordt herkend, zegt [medeverdachte 12] – na de mededeling van [verdachte] dat er een ‘tweede liefje’ bij is gekomen – dat al die dingen er nog liggen, waarop [verdachte] zegt dat hij het weet. [verdachte] vraagt of hij ‘die petje of iets’ daar heeft gelaten. [medeverdachte 12] zegt: ‘Ja dat zeg ik toch, dat zeg ik toch, alles ligt daar nog’, ‘alles DNA alles jongen […] alles van ons alle drie he’. Om 23:28 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 1] ) en zegt dat hij alles heeft behalve zijn ‘bivi’, dat daar zijn DNA op zit en dat dit een ‘kanker groot probleem’ is. Ook zegt [verdachte] dat er een tweede auto bij is gekomen, dat die ernaast staat en dat ze hem ‘heel ziek’ aankeken. Op 11 oktober 2019 om 00:07 uur belt [verdachte] naar het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] , op dat moment in gebruik bij [medeverdachte 2] , en zegt dat ‘die ding’ nu wordt opgetakeld, dat heel Zuilen vol politie zit, dat er overal politie is en dat de ‘waggie’ in beslag wordt genomen.
Zoals hiervoor is besproken, worden in de Volkswagen een voorhamer, twee klauwhamers, kabelbinders, honkbalknuppel, bivakmutsen, handschoenen en een zwarte pet aangetroffen. Na forensisch onderzoek wordt DNA aangetroffen in de Volkswagen en op goederen in de Volkswagen. Het DNA van [medeverdachte 12] matcht met DNA op een honkbalknuppel, hamers, bivakmutsen, handschoenen, deurbediening rechter schuifdeur en voorzijde oppervlak stuurwiel. Het DNA van [verdachte] matcht met DNA op bivakmutsen en voorzijde oppervlak stuurwiel. En het DNA van [medeverdachte 5] matcht met DNA op de hoofdsteun linksvoor.
Het hof heeft eveneens acht geslagen op het OVC-gesprek in de Nissan Micra tussen [vriendin verdachte] en [medeverdachte 11] op 26 november 2019. [vriendin verdachte] vertelt aan [medeverdachte 11] dat bij de molen bij [adres 45] is er iemand ‘helemaal de kanker in geslagen’. Dat is ook in het nieuws geweest. [verdachte] moest dat eigenlijk doen met [medeverdachte 12] . Daar stond ook al een busje voor gereed met allemaal spullen er in, waaronder mokers, om iemand knock-out te slaan. [verdachte] had zijn bivakmuts met DNA in het busje laten liggen en dat busje is in beslag genomen. Hij heeft vanuit zijn huis gefilmd dat het busje werd weggesleept. Ze hadden het busje nog in de fik willen steken.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [verdachte] wist dat de Volkswagen Multivan van diefstal afkomstig was en dat hij deze voorhanden heeft gehad. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [verdachte] in deze periode heeft behoord tot een samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [verdachte] nagelaten.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Bewijsoverweging zaak B
FEIT 1: OPZETHELING DAN WEL DIEFSTAL VAN VOERTUIG
Ten laste is gelegd de heling dan wel de gekwalificeerde diefstal van een BMW Alpina B3.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [verdachte] ter zake van de opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben ter zake van de opzetheling aangevoerd dat [verdachte] niet wist dat de BMW afkomstig was van diefstal, maar hebben zich ten aanzien van de schuldheling gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Bij de beantwoording van de vraag of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
De BMW Alpina B3 wordt in de periode van 29 maart 2021 tot en met 30 maart 2021 gestolen.
Op 18 mei 2021 zien verbalisanten de BMW Alpina rijden op de N201 uit de richting van Vinkeveen. Verbalisanten zien in de politiesystemen dat het voertuig als gestolen gesignaleerd staat. Na een lange achtervolging op de A2 wordt [verdachte] als bestuurder van de BMW Alpina aangehouden.
Tijdens het vervoer naar het arrestantencomplex verklaart [verdachte] onder andere dat hij duizend euro kreeg om de auto te vervoeren en dat hij de auto in brand moest steken als het niet zou lukken om de auto op de plaats van bestemming te krijgen. Hij verklaart daarnaast nog dat hij nog getankt had, waarbij hij ook benzine in een fles had gedaan, wat niet helemaal goed ging. De verbalisanten ruiken dat de verdachte naar benzine stinkt.
Deze verklaring is direct na zijn aanhouding afgelegd en door meerdere verbalisanten gehoord. Ondanks dat [verdachte] de juistheid van deze verklaring tijdens de verhoren van de politie en op de zitting in eerste aanleg en hoger beroep heeft betwist, acht het hof de eerste verklaring betrouwbaar. Het proces-verbaal waarin de verklaring is opgenomen is op ambtsbelofte opgemaakt en er is geen enkele aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Het hof houdt de verdachte aan deze verklaring en zal die tot het bewijs bezigen.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [verdachte] de BMW Alpina voorhanden heeft gehad en, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden waaronder dat plaats vond, ook dat hij wist dat de auto van diefstal afkomstig was. De ten laste gelegde opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-730014-20 onder 1 en 4 en in de zaak met parketnummer 13-730002-21 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
1.hij in de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 november 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- opzetheling (van voertuigen) als bedoeld in artikel 416/417 Wetboek van Strafrecht en
- voorbereiding van moord als bedoeld in artikel 46 jo. artikel 289 Wetboek van Strafrecht en
- zware mishandeling met voorbedachten rade als bedoeld in artikel 303/302 Wetboek van Strafrecht en
- opzettelijk voorhanden hebben en gebruik maken van een vals geschrift (valse kentekenplaten) als bedoeld in artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht en het voeren van valse kentekens als bedoeld in artikel 41 eerste lid, onder c en/of d van de Wegenverkeerswet 1994;
4.hij in de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 november 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, personenauto’s, te weten
- een personenauto van het merk Renault, type Megane (voorzien van het valse kenteken [kenteken 10] ) en
- een personenauto van het merk Renault, type Megane (voorzien van het valse kenteken [kenteken 11] ) en
- een personenauto van het merk Audi, type S4 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 12] en/of [kenteken 13] ) en
- een personenauto van het merk Volkswagen, type Multivan (voorzien van het valse kenteken [kenteken 14] ) en
- een personenauto (merk Audi, type A4, voorzien van het valse kenteken [kenteken 15] ).
voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde het voorhanden krijgen wisten dat het door diefstal verkregen goederen betrof;
Zaak B:
1. op 18 mei 2021 in Nederland, een personenauto van het merk BMW, type Alpina B3 (voorzien van het kenteken [kenteken 16] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door diefstal verkregen goed betrof.
Hetgeen in de zaak A onder 1 en 4 en in de zaak B onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, waarnaar is verwezen in de voetnoten bij de vorenstaande bewijsoverwegingen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A onder 1 en 4 en in de zaak B onder 1 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak A onder 1 bewezen verklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het in de zaak A onder 4 bewezen verklaarde levert op:
telkens: het medeplegen van opzetheling.
Het in de zaak B onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:
opzetheling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaak A onder 1 en 4 en in de zaak B onder 1 primair bewezen verklaarde uitsluit.
Oplegging van straf en toepassing van artikel 423, vierde lid, Sv
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1, 2 en 4 en zaak B onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 45 maanden met aftrek van het voorarrest.
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van in totaal vijf jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest, zal opleggen. De vordering is samengesteld uit een eis van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en negen maanden voor de onder 1 en 4 van zaak A en onder 1 primair van zaak B ten laste gelegde feiten en een gevangenisstraf voor de duur van een jaar en negen maanden voor de overige, in hoger beroep niet meer aan de orde zijnde, feiten. Daarin is de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd.
De raadslieden hebben het hof verzocht bij de strafoplegging diens beperkte rol in de organisatie mee te laten wegen. Ook hebben zij gewezen op eerdere veroordelingen (artikel 63 Sr) en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, Sv
De verdachte is door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden voor de in zaak A onder 1, 2, en 4 en in zaak B onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten. Het Openbaar Ministerie heeft tegen dit vonnis geen hoger beroep ingesteld. De verdediging heeft dat wel gedaan, maar heeft dat beperkt tot de feiten 1 en 4 van zaak A en feit 1 van zaak B. Uit artikel 423, vierde lid, Sv volgt dat het hof voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten – in dit geval kort gezegd: het medeplegen van de voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachte raad (zaak A feit 2) en het rijden onder invloed (zaak B feit 3) – de straf dient te bepalen. Dit betekent dat het hof dient te bepalen welk deel van de opgelegde gevangenisstraf van 45 maanden geacht moet worden voor die feiten te zijn opgelegd. Het hof bepaalt die straf – in lijn met wat de rechtbank daarover heeft opgemerkt en waarbij de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn heeft betrokken – op een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.
Oplegging van straf voor de feiten 1 en 4 van zaak A en feit 1 van zaak B
Het hof slaat bij de straftoemeting voor de feiten 1 en 4 van zaak A en feit 1 primair van zaak B acht op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte.
De verdachte heeft in de periode van 1 juni tot en met 30 november 2019 deelgenomen aan de bewezen verklaarde criminele organisatie. Deze was gericht op de voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachte raad, de opzetheling van een groot aantal voertuigen, vaak voorzien van valse kentekens, en de voorbereiding van moord. De verdachte heeft een actieve en belangrijke rol gespeeld in de organisatie. Zo was hij met andere leden van de organisatie bij en in de door de organisatie gebruikte garagebox waar gestolen voertuigen en scooters werden opgeslagen, gesweept en schoongemaakt, was hij betrokken bij de voorbereiding van een ernstig geweldsfeit op 30 oktober 2019 en heeft hij met andere leden van de organisatie een bijdrage geleverd aan voorverkenningen ten behoeve van de latere moordaanslag op de advocaat Derk Wiersum, onder meer door de daarbij gebruikte Renault Megane heimelijk af te voeren.
De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt bepaald door het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde én de (daarmee samenhangende) aard van de misdrijven die worden beoogd. Het behoeft geen betoog dat de zeer ernstige misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht, voor onrust en een groot gevoel van onveiligheid zorgen in de samenleving. Als uitgangspunt voor de bewezen verklaarde deelname aan een criminele organisatie neemt het hof voor deze verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.
Voorts wordt de verdachte in dit arrest veroordeeld voor het medeplegen van opzetheling van een groot aantal, soms zeer kostbare, voertuigen. De verdachte heeft daarmee aangetoond geen respect voor eigendomsrechten van derden te hebben. Het hof beziet deze voertuigcriminaliteit nadrukkelijk in het licht van het gebruik van die voertuigen door de criminele organisatie waar de verdachte aan heeft deelgenomen. Het hof neemt de veroordeling voor deze feiten daarom mee in zijn hiervoor genoemde uitgangspunt voor strafoplegging ter zake de deelname aan een criminele organisatie.
De raadslieden hebben er aandacht voor gevraagd dat de verdachte een ondergeschikte rol heeft gehad en enkel opdrachten uitvoerde. Het hof komt tot een ander oordeel, namelijk dat de verdachte in volle omvang deelnam aan de criminele organisatie en niet louter opdrachten uitvoerde.
Naast vergelding spelen de bescherming van de samenleving en generale preventie in deze zaak een belangrijke rol bij de straftoemeting. Het hof zal bij de bepaling van de strafmaat tot uitdrukking brengen dat strafbare feiten als deze tot een krachtige reactie van de strafrechter leiden.
Het hof acht voor de deelname aan een criminele organisatie en het medeplegen van opzetheling, zoals onder 1 en 4 van zaak A en onder 1 primair van zaak B bewezen verklaard, een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar passend en geboden.
Redelijke termijn
De redelijke termijn van berechting is in eerste aanleg overschreden. De verdachte is op 28 april 2020 aangehouden en in verzekering gesteld. De behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg had moeten zijn afgerond met een einduitspraak binnen de, gelet op de duur van de voorlopige hechtenis, aan te leggen maatstaf van 16 maanden na de aanhouding en inverzekeringstelling. De rechtbank heeft 15 maart 2024 vonnis gewezen. Er is in eerste aanleg dus sprake van een overschrijding met ongeveer 30,5 maanden.
De redelijke termijn is ook in hoger beroep overschreden. De behandeling ter terechtzitting in hoger beroep had moeten zijn afgerond met een einduitspraak binnen de, gelet op de duur van de voorlopige hechtenis, aan te leggen maatstaf van 16 maanden nadat hoger beroep is ingesteld. De verdachte heeft op 27 maart 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst arrest op 7 september 2026. Er is in hoger beroep dus sprake van een overschrijding met ruim 13 maanden.
Gelet op de overschrijding van de termijn in beide instanties zal het hof de gevangenisstraf van zesendertig maanden verminderen met zes maanden. Dit betekent dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur dertig maanden, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd.
De tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [aangever 4] (zaaksdossier 9)
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.137,00. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat een met stukken gegeven onderbouwing van de vordering ontbreekt.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege een gebrek aan onderbouwing en omdat de schade in een te ver verwijderd verband staat tot het feit.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Daartoe overweegt het hof het volgende. In het geval van heling zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend voor de beantwoording van de vraag of er voldoende verband bestaat tussen de heling en de door de eigenaar van de auto geleden schade. Van een dergelijk verband is in dit geval geen sprake. De door de benadeelde partij gevorderde schade is veroorzaakt door de diefstal van de auto in de nacht van 6 op 7 september 2019, terwijl het bewezen verklaarde ‘voorhanden hebben’ van dat voertuig door de verdachte van ruim een maand later is. Door dit tijdsverloop is sprake van een te ver verwijderd verband tussen de diefstal van de auto en het door de verdachte – kort gezegd – plegen van opzetheling.
Beslag
Onder [verdachte] zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen (waarbij het hof de aanduiding op de beslagbrief van 20 maart 2024 overneemt):
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat deze voorwerpen aan de rechthebbende dienen te worden teruggegeven.
De verdediging heeft zich ter terechtzitting gerefereerd aan het standpunt van het hof.
Het hof is van oordeel dat de onder 1. tot en met 4. vermelde telefoons dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende nu niet duidelijk is aan wie de telefoons toebehoren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63, 140 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de partiële vrijspraak van het in zaak A onder 4 (cumulatief) ten laste gelegde, voor zover het betreft:
- de Audi S4 met kenteken [kenteken 1] (zaaksdossier 3);
- de Audi RS5 met kenteken [kenteken 2] (zaaksdossier 6)
- de Audi A5 met kenteken [kenteken 3] (zaaksdossier 7)
- de Piaggio Skipper met kenteken [kenteken 4] (zaaksdossier 11).
Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 1 en 4 en in de zaak B onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak A onder 1 en 4 en in de zaak B onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak A onder 2 en in zaak B onder 3 bewezen verklaarde op:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1.00 STK Telefoontoestel (goednummer 5863706);
- 1.00 STK Telefoontoestel (goednummer 5963253);
- 1.00 STK Telefoontoestel (goednummer 6204373);
- 1.00 STK Telefoontoestel (goednummer 6204377).
Vordering van de benadeelde partij [aangever 4]
Verklaart de benadeelde partij [aangever 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. S.M.M. Bordenga en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 september 2026.
[..]