Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8, 15, 22 en 29 juni 2026 en 26 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. primair:
hij op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam te slaan;
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 7 juli 2020 te Tiel, in elk geval in Nederland een wapen van categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waartegen beroep
Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.
Bewijsoverwegingen
Identificatie telefoonnummers, PGP-nummers en Sky-ID’s
Het bewijs dat de verdachten betrokken waren bij de feiten die in dit arrest bewezen worden verklaard, berust onder andere op telefoongegevens en de inhoud van (chat)berichten. Het hof zal hieronder vaststellen welke (crypto)telefoons (hierna ook aangeduid als: PGP), telefoonnummers en Sky-ID’s bij de verdachte en medeverdachten in gebruik waren in de bewezen verklaarde periodes.
Telefoonnummer, PGP-nummer en Sky-ID die worden toegeschreven aan [medeverdachte 1]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ) veelal in de nacht gebruik maakte van Cell-ID’s aan de [adres 2] en de [adres 3] te Soest in de omgeving van de [adres 4] in Soest, het woonadres van [medeverdachte 1] . Bij de aanhouding van [medeverdachte 1] op 20 november 2019 werd een iPhone aangetroffen met daarin de simkaart met het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] . De telefoon is na de aanhouding van [medeverdachte 1] ontgrendeld, door zijn vinger en/of duimafdruk. [medeverdachte 1] heeft op 26 mei 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij de telefoon met dit nummer al jaren gebruikt.
Voorts werd tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] in een zak op de salontafel in de woonkamer een PGP-toestel met goednummer 5839784 aangetroffen. In dat PGP-toestel zat een simkaart met PGP-nummer [PGP-nummer 1] (hierna: * [PGP-nummer 1] ). Het Sky-ID [Sky-ID 1] bleek via de in de metadata geregistreerde gegevens van het IMEI-nummer ( [IMEI-nummer 1] ) en historische verkeersgegevens te zijn gekoppeld aan * [PGP-nummer 1] .
Uit het voorgaande concludeert het hof dat [medeverdachte 1] tot in elk geval 20 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] , het PGP-nummer * [PGP-nummer 1] en het Sky-ID [Sky-ID 1] , en dat hij degene was die hiermee deelnam aan het in de bewijsmiddelen opgenomen berichtenverkeer.
Telefoonnummers en Sky-ID die worden toegeschreven aan [medeverdachte 2]
Het hof concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: * [telefoonnummer 2] ) in de bewezen verklaarde periode in gebruik was bij [medeverdachte 2] . Het IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] (hierna: * [IMEI-nummer 2] ) kwam naar voren tijdens de inzet van een IMSI-catcher. Uit opgenomen en afgeluisterde gesprekken bleek dat in het telefoontoestel met voormeld IMEI-nummer een simkaart met het telefoonnummer * [telefoonnummer 2] zat. Op basis van stemherkenning bleek dat [medeverdachte 2] de gebruiker was van * [telefoonnummer 2] . Dit wordt ondersteund door het feit dat het toestel met eerdergenoemd IMEI-nummer in de voor de feiten relevante periode, na de nachtrustperiode, het meest gebruik maakte van de Cell-ID’s aan de [adres 2] en de [adres 3] in Soest. Deze Cell-ID’s zijn gelegen in de omgeving van het woonadres van [medeverdachte 1] aan de [adres 4] te Soest, waar ook [medeverdachte 2] toen verbleef. Verder blijkt uit afgeluisterde telecommunicatie dat * [telefoonnummer 2] frequent contact had met [naam 1] en [naam 1] , de broer en zus van [medeverdachte 2] .
Tevens kwam het IMEI-nummer [IMEI-nummer 3] naar voren bij de genoemde IMSI-catch. Ook op dit nummer werd vervolgens een technische actie uitgevoerd. Hieruit bleek dat het telefoonnummer dat in het toestel met voormeld IMEI-nummer werd gebruikt het nummer [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) was. Uit een CIOT-bevraging bleek dat [medeverdachte 2] als abonnementhouder van * [telefoonnummer 3] stond geregistreerd. Het toestel maakte na de nachtrustperiode bijna dagelijks contact met Cell-ID's in Soest, aan de [adres 2] en de [adres 3] . Zoals hiervoor vermeld, verbleef [medeverdachte 2] daar in de directe omgeving. Dat [medeverdachte 2] in de voor de bewezenverklaring relevante periode de gebruiker was van dit telefoonnummer blijkt verder uit de stemherkenning van vanaf 26 augustus 2019 gevoerde gesprekken met de * [telefoonnummer 3] . Uit dit alles leidt het hof af dat [medeverdachte 2] in de bewezen verklaarde periode, in elk geval vanaf 25 juni 2019, de gebruiker was van * [telefoonnummer 3] .
Voorts werd tijdens een doorzoeking van de woning aan de [adres 5] in Utrecht op 26 november 2019 een PGP-telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 4] in beslag genomen. [medeverdachte 2] stond toen op dit adres ingeschreven. Uit de SkyECC-metadata volgt dat het IMEI-nummer van die aangetroffen PGP-telefoon gekoppeld was aan Sky-ID [Sky-ID 2] , met als gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’ en actief was in de periode van 20 november 2019 tot en met 25 november 2019. Het hof concludeert, omdat deze PGP-telefoon in de woning van [medeverdachte 2] is aangetroffen, in combinatie met de omstandigheid dat het procesdossier geen enkele aanwijzing bevat dat een ander dan [medeverdachte 2] de gebruiker was van die telefoon en dat Sky-account – hetgeen overigens door of namens [medeverdachte 2] ook niet is weersproken – dat [medeverdachte 2] in deze periode de gebruiker was van deze telefoon en dit Sky-account.
PGP-nummers en Sky-ID’s die worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] / [medeverdachte 2]
Tijdens een IMSI-scan op [medeverdachte 2] op onder meer 2 september 2019 kwam het IMSI-nummer [IMSI-nummer 1] (hierna * [IMSI-nummer 1] ) naar voren. Dit IMSI-nummer is gekoppeld aan het PGP-nummer [PGP-nummer 2] (hierna: * [PGP-nummer 2] ), zo bleek uit onderzoek aan het IMEI-nummer dat gekoppeld was aan * [IMSI-nummer 1] . Het betrof een PGP-nummer dat actief was in de periode van 18 augustus 2019 tot en met 18 september 2019. In deze periode maakte het toestel, na de nachtrustperiode, gebruik van de Cell-ID’s aan de [adres 2] of de [adres 3] in Soest, gelegen dus in de omgeving van het woonadres van [medeverdachte 1] aan de [adres 4] te Soest. Op dit adres verbleef als gezegd toen ook [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] was van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 in [land] . * [PGP-nummer 2] was in die periode, te weten in de periode tussen 22 augustus 2019 en 30 augustus 2019, uitsluitend actief geweest in het Marokkaanse netwerk. Hieruit, in combinatie met de hiervoor genoemde bevindingen, leidt het hof af dat * [PGP-nummer 2] in de periode van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 in gebruik was bij [medeverdachte 1] . Het hof concludeert, nu dit nummer tijdens een IMSI-scan tot twee keer toe op 2 september 2019 naar voren is gekomen bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] toen verbleef in de woning die onder de dekking van de hiervoor genoemde Cell-ID’s in Soest viel, dat ook [medeverdachte 2] in de periode vanaf in elk geval 31 augustus 2019 de (mede)gebruiker van dit nummer was.
Het nummer * [PGP-nummer 2] werd gebruikt in een telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 5] (* [IMEI-nummer 5] ). Met deze telefoon werd het Sky-ID [Sky-ID 3] met de bijnamen ‘ [gebruikersnamen] ’ gebruikt.
Het hof concludeert op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dit Sky-ID gebruikten.
Het PGP-nummer [PGP-nummer 3] (hierna: * [PGP-nummer 3] ) is op 7 mei 2019 geactiveerd. Het nummer werd gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 6] en was in gebruik in de periode van 25 juni 2019 tot en met 24 september 2019. Uit een analyse van historische telecomgegevens van * [PGP-nummer 3] in relatie tot andere nummers in gebruik bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijkt het volgende. Tijdens de reis naar [land] van [medeverdachte 1] in de periode van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 had * [PGP-nummer 3] registraties in Nederland en was er wat betreft locaties en tijdstippen waar de * [PGP-nummer 3] zich dan bevond, samenhang te zien met * [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 2] van [medeverdachte 2] . Die samenhang liep door tot en met 5 september 2019. Voor het vertrek van [medeverdachte 1] naar [land] waren er vanaf 25 juni 2019 meerdere dagen waarop * [PGP-nummer 3] samenhangende registraties in tijd en plaats had met * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] . Op grond hiervan, in combinatie met de omstandigheid dat * [PGP-nummer 3] in voormelde periode onder meer in de nacht gebruik maakte van Cell-ID’s aan de [adres 3] en [adres 2] in Soest, concludeert het hof dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in deze periode de gebruikers waren van * [PGP-nummer 3] . Dit nummer was gekoppeld aan het Sky-ID [Sky-ID 4] met de gebruikersnamen ‘ [gebruikersnamen] ’, hetgeen impliceert dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook de gebruikers van dat Sky-ID waren.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna: * [telefoonnummer 4] ) is vanaf in elk geval 11 oktober 2019 gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 7] (* [IMEI-nummer 7] ). In afgeluisterde gesprekken werden zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] op basis van hun stem herkend als de gebruiker van * [telefoonnummer 4] . Ook noemde [medeverdachte 1] in meerdere gesprekken zijn naam. Verder vertoonde * [telefoonnummer 4] een vergelijkbaar bewegingspatroon wat betreft tijd en plaats ten opzichte van telefoonnummers van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 1] ) en [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 3] ). Op basis hiervan stelt het hof vast dat zowel [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de gebruikers waren van het telefoonnummer * [telefoonnummer 4] .
Telefoonnummers die worden toegeschreven aan [medeverdachte 3]
Op 26 november 2019 is tijdens een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 3] ( [adres 6] in Utrecht) een Nokia-telefoon type 105 met IMEI-nummer [IMEI-nummer 8] in beslag genomen. Uit historische verkeersgegevens volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 5] (hierna: * [telefoonnummer 5] ) in de periode van 13 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 in gebruik was in die telefoon.
Uit tapgesprekken tussen het telefoonnummer van de vader van [medeverdachte 3] en * [telefoonnummer 5] volgt dat de gebruiker van * [telefoonnummer 5] opnam met “Hallo pa” en de vader van [medeverdachte 3] antwoordde met “Hee [voornaam 1] ”. [voornaam 1] is de voornaam van [medeverdachte 3] . Ook zijn er meerdere berichten in de telefoon aangetroffen van het telefoonnummer van de vader van [medeverdachte 3] waarin hij de gebruiker van * [telefoonnummer 5] aansprak met “ [voornaam 1] ” en “m’n geliefde zoon”.
Op grond van het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat [medeverdachte 3] in de periode van 13 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 de gebruiker was van * [telefoonnummer 5] .
Ook concludeert het hof dat het telefoonnummer [telefoonnummer 6] (hierna: * [telefoonnummer 6] ) werd gebruikt door [medeverdachte 3] in de periode van 2 juli 2019 tot en met 7 augustus 2019. Dit nummer maakte in de nachtelijke uren het meest gebruik van een Cell-ID aan de [adres 7] in Utrecht, gelegen in de directe omgeving van de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres 6] . Het nummer * [telefoonnummer 6] had het meeste contact met telefoonnummers die werden gebruikt door de vader van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] , de vriendin van [medeverdachte 3] . Verder zijn in de telefoon van [betrokkene 1] WhatsApp-berichten aangetroffen tussen haar en * [telefoonnummer 6] , waarin de gebruiker van * [telefoonnummer 6] ‘ [voornaam 1] ’ werd genoemd.
Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat het telefoonnummer [telefoonnummer 7] (hierna * [telefoonnummer 7] ) op verschillende dagen in oktober 2019 door [medeverdachte 3] werd gebruikt, zulks gelet op het onderzoek naar de onder [betrokkene 1] (vriendin van [medeverdachte 3] ) in beslag genomen iPhone XS op 12 december 2019. [betrokkene 1] voegde op 17 september 2019 dit telefoonnummer aan haar contactenlijst toe onder de naam [bijnaam 2] . [bijnaam 2] is een bijnaam van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] werd voorts tijdens gesprekken aan zijn stem herkend. Overigens werd dit nummer ook gebruikt door [medeverdachte 11] , die door verbalisanten ook aan zijn stem werd herkend.
Uit het onderzoek naar de onder [betrokkene 1] in beslag genomen iPhone XS op 12 december 2019 bleek verder dat zij op 16 oktober 2019 het contact ‘ [voornaam 1] ’ met telefoonnummer [telefoonnummer 8] (hierna: * [telefoonnummer 8] ) aan de contactenlijst heeft toegevoegd. Uit tapgesprekken blijkt dat de gebruiker van * [telefoonnummer 8] zichzelf [medeverdachte 3] noemde. Voorts werd [medeverdachte 3] aan zijn stem herkend tijdens gesprekken die met de * [telefoonnummer 8] worden gevoerd. Het hof concludeert dan ook dat [medeverdachte 3] de gebruiker was van * [telefoonnummer 8] .
PGP-nummer en Sky-ID die worden toegeschreven aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]
Aan het PGP-nummer [PGP-nummer 4] (hierna: * [PGP-nummer 4] ) was het IMEI-nummer [IMEI-nummer 9] (* [IMEI-nummer 9] ) gekoppeld. Dit is naar voren gekomen uit IMSI-scan sessies en historische printgegevens.
Uit de verkeersgegevens volgt dat * [PGP-nummer 4] ook was gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 10] (* [IMEI-nummer 10] ). Het PGP-nummer * [PGP-nummer 4] was tussen 15 augustus 2019 en 20 november 2019 actief geweest in het Nederlandse mobiele netwerk, zo blijkt uit de verkeersgegevens van dit nummer. In de periode van 15 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 maakte de * [PGP-nummer 4] tijdens de voor de nachtrust bestemde uren het meest gebruik van Cell-ID’s gelegen aan de [adres 7] en de [adres 8] in Utrecht. Deze Cell-ID’s liggen in de omgeving van het BRP-adres van [medeverdachte 3] , aan de [adres 6] in Utrecht. Uit analyse van de telecombewegingen van * [telefoonnummer 5] , dat in gebruik was bij [medeverdachte 3] zoals hierboven uiteengezet, volgt dat de * [PGP-nummer 4] op meerdere dagen in de periode van 19 augustus 2019 tot en met 1 oktober 2019 ‘meebewoog’ met * [PGP-nummer 4] . Op grond van dit alles komt het hof tot de conclusie dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van * [PGP-nummer 4] .
In de periode van 8 oktober 2019 tot 19 november 2019 was de * [PGP-nummer 4] meerdere malen actief in Soest. Op deze momenten waren de * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] (hierboven uiteengezet) en * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 3] van [medeverdachte 2] (hierboven uiteengezet) op dezelfde data – te weten 16 oktober 2019, 21 oktober 2019, 5 november 2019, 10 november 2019 en 19 november 2019 – en rond dezelfde tijdstippen ook actief in Soest. Daarnaast bewogen de * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] en de * [telefoonnummer 2] van [medeverdachte 2] op 11 oktober 2019 mee met de * [PGP-nummer 4] van Rotterdam naar Amsterdam en op 28 oktober 2019 bewogen de * [telefoonnummer 1] en * [telefoonnummer 3] mee met de * [PGP-nummer 4] van Soest naar Nieuwerkerk aan de IJssel. Tot slot werd [medeverdachte 1] op 20 november 2019 aangehouden, terwijl hij reed in een Peugeot. In deze auto werd onder andere een Apple iPhone aangetroffen. Deze telefoon bevatte een simkaart met het IMSI-nummer [IMEI-nummer 10] (kennelijk abusievelijk vermeld als 355415077173533). Sky-ID [Sky-ID 5] werd via de geregistreerde IMEI-nummers gekoppeld aan * [PGP-nummer 4] .
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat zowel [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] in voornoemde periode de gebruikers waren van de telefoonnummers * [PGP-nummer 4] en daarmee het Sky-ID [Sky-ID 5] en aldus dat zij degene waren die via dit nummer en dit account deelnamen aan het in de bewijsmiddelen opgenomen berichtenverkeer.
PGP-nummers die worden toegeschreven aan [medeverdachte 4]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat PGP-nummer [PGP-nummer 5] (hierna: * [PGP-nummer 5] ) bij [medeverdachte 4] in gebruik was in de bewezen verklaarde periode. Uit een analyse van historische telecomgegevens blijkt dat tot 29 juli 2019 de * [PGP-nummer 5] in de nachtelijke uren het meest gebruik maakte van Cell-ID’s in de directe omgeving van de [adres 9] in Utrecht, het adres van de oma van [medeverdachte 4] , waar hij destijds woonde. Daarnaast is op camerabeelden te zien dat [medeverdachte 4] op 16 augustus 2019 een Renault met kenteken [kenteken 1] de garagebox aan de [straat garagebox] uitreed. * [PGP-nummer 5] bewoog vervolgens samen met deze Renault mee. Op 16 augustus 2019 wisselde [medeverdachte 4] van * [PGP-nummer 5] naar het PGP-nummer [PGP-nummer 6] (* [PGP-nummer 6] ). Het bewegingspatroon bleef na deze overgang gelijk. Ten slotte zijn er overeenkomsten tussen de registraties van de OV-chipkaart van [medeverdachte 4] en de aansluitende en/of opvolgende registraties van * [PGP-nummer 5] .
Naar aanleiding van vergelijkend onderzoek binnen opgevraagde historische verkeersgegevens afkomstig van de netwerkmetingen [adres 10] te Amsterdam en de wijk Oud Zuilen te Utrecht kwam één gemeenschappelijk PGP-nummer naar voren, te weten het PGP nummer * [PGP-nummer 6] . Uit de historische verkeersgegevens volgt dat * [PGP-nummer 6] is gebruikt in de telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 11] (hierna: * [IMEI-nummer 11] ). In de nachtelijke uren maakte * [PGP-nummer 6] gebruik van Cell-ID’s aan de [adres 11] , [adres 12] en [adres 13] in Utrecht. Deze Cell-ID’s zijn gelegen in de directe omgeving van de [adres 14] , het verblijfadres waar [medeverdachte 4] sinds 13 september 2019 ingeschreven stond. Verder blijkt uit de reisgegevens van de OV-chipkaart van [medeverdachte 4] dat de weergegeven locaties bij het reizen met het openbaar vervoer aansluiten op geregistreerde Cell-ID’s in de historische verkeersgegevens van * [PGP-nummer 6] .
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 4] in de periode van in elk geval 29 juli 2019 tot en met 16 augustus 2019 de gebruiker was van het PGP-nummer * [PGP-nummer 5] en vanaf 16 augustus 2019 de gebruiker van de * [PGP-nummer 6] .
Sky-ID die wordt toegeschreven aan [medeverdachte 5]
Het hof concludeert dat [medeverdachte 5] in de bewezen verklaarde periode de gebruiker was van het Sky-account [Sky-ID 6] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 6]
gaf op 8 augustus 2019 zijn telefoonnummer op bij de politie. Dit betreft het telefoonnummer [telefoonnummer 9] (hierna: * [telefoonnummer 9] ). is, zo volgt uit de bewijsoverwegingen, een contact van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Uit afgeluisterde gesprekken van de * [telefoonnummer 9] volgt dat de gebruiker van die * [telefoonnummer 9] op 4 november 2019 telefonisch contact had met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 6] in de periode van in elk geval 8 augustus 2019 tot en met 4 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 7]
Met een IMSI-catcher werd op 21 februari 2020 is het IMSI-nummer [IMSI-nummer 2] verkregen. Telefoonnummer [telefoonnummer 10] (hierna: * [telefoonnummer 10] ) was aan dit IMSI-nummer gekoppeld. Uit de historische verkeersgegevens van * [telefoonnummer 10] bleek dat het telefoonnummer frequent contact had met het telefoonnummer van de zus van [medeverdachte 7] . Verder bleek uit de historische verkeersgegevens dat * [telefoonnummer 10] op 30 december 2019 om 16:48 uur en 17:33 uur meerdere zendmasten heeft aangestraald in Portugaal. Uit de politiesystemen bleek dat [medeverdachte 7] op dat moment in Portugaal werd gecontroleerd.
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 7] de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 10] . Het hof concludeert ook dat [medeverdachte 7] in oktober 2019, rond het moment van het geweld tegen [slachtoffer] , de gebruiker was van de * [telefoonnummer 10] . Redengevend daarvoor acht het hof dat de * [telefoonnummer 10] frequent contact had met onder meer het telefoonnummer [telefoonnummer 11] . Dit telefoonnummer wordt blijkens politiesystemen gekoppeld aan [betrokkene 2] . [medeverdachte 7] is op 22 februari 2019 samen met [betrokkene 2] gecontroleerd. Overigens heeft [medeverdachte 7] niet ontkend dat hij op en rond 30 oktober 2019 de gebruiker was van de * [telefoonnummer 10] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 8]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 8] op 25 november 2019 bij de politie het telefoonnummer [telefoonnummer 12] (hierna: * [telefoonnummer 12] ) als zijn telefoonnummer heeft opgegeven. Dat dit zijn telefoonnummer was wordt ook onderbouwd door het feit dat de * [telefoonnummer 12] frequent contact had met telefoonnummer * [telefoonnummer 10] van [medeverdachte 7] en dat uit historische verkeersgegevens bleek dat * [telefoonnummer 12] op 16 oktober 2019 tussen 00:30 uur en 00:35 uur zendmasten aanstraalde in de omgeving van Lunetten, terwijl uit de politiesystemen volgt dat [medeverdachte 8] rond dat tijdstip in de omgeving van Lunetten werd gecontroleerd.
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 8] in elk geval in de periode van 16 oktober 2019 tot en met 25 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 12] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [verdachte]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 13] (hierna: * [telefoonnummer 13] ) tot 7 maart 2020 in de nachtelijke uren voornamelijk mastgegevens in de omgeving van het woonadres van [verdachte] ( [adres 15] in Tiel) aanstraalde. Dit telefoonnummer kwam in beeld in het onderzoek naar aanleiding van het geweldsfeit jegens [slachtoffer] op 30 oktober 2019, te weten na de DNA-match van [verdachte] met één van de bivakmutsen die op 1 november 2019 in de garagebox was aangetroffen (zie verder hierna) en na onderzoek van de telefoon van [medeverdachte 7] . Na 7 maart 2020 stopte het gebruik van de * [telefoonnummer 13] . Tot deze datum waren de belangrijkste tegencontacten van * [telefoonnummer 13] zijn vriendin, broer, vader, moeder en [medeverdachte 7] .
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [verdachte] vanaf in elk geval 30 oktober 2019 tot en met 7 maart 2020 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 13] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 10]
Uit tapgesprekken van [medeverdachte 2] met zijn telefoonnummer * [IMEI-nummer 2] volgt dat hij geregeld contact had met het telefoonnummer [telefoonnummer 14] (hierna: * [telefoonnummer 14] ). Het IMEI-nummer [IMEI-nummer 12] bleek gekoppeld aan het nummer * [telefoonnummer 14] . Uit de CIOT-bevraging bleek dat het telefoonnummer op naam stond van [voornaam 2] , wonende op hetzelfde adres als [voornaam 3] . Uit de specifieke inhoud van de afgeluisterde gesprekken blijkt dat * [telefoonnummer 14] in gebruik was bij [voornaam 3] .
Het hof stelt op basis van dit alles, in onderlinge samenhang bezien, vast dat [voornaam 3] [medeverdachte 10] in elk geval in de maand september 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 14] .
FEIT 1: POGING TOT MOORD
Standpunt Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot doodslag. Volgens de advocaten-generaal is [verdachte] één van de feitelijke uitvoerders geweest van het geweldsincident. Samen met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] heeft hij [slachtoffer] aangevallen. [slachtoffer] is geslagen met een moker, een honkbalknuppel en een hamer. Hij is onder meer op zijn hoofd geslagen. Dit levert een aanmerkelijke kans op de dood op. De uitvoerders hebben deze aanmerkelijke kans ook aanvaard, door met kracht met deze voorwerpen op [slachtoffer] in te slaan.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Niet vastgesteld kan worden dat [verdachte] betrokken is geweest bij de geweldshandelingen. Hij is voor en op 30 oktober 2019 niet in beeld gekomen, terwijl niet vastgesteld kan worden dat in de loods aangetroffen bivakmutsen en handschoenen, waarop zijn DNA is aangetroffen, gebruikt zijn bij de geweldpleging.
Voorts is betoogd dat geen sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel. Indien het hof komt tot een bewezenverklaring, dient het feit te worden gekwalificeerd als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het oordeel van het hof
Het hof komt, anders dan de rechtbank, de verdediging en de advocaten-generaal, tot de conclusie dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord, zoals primair ten laste gelegd. Hoewel het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere kwalificatie van het feit komt dan de rechtbank, kan het hof zich wel grotendeels vinden in de vaststelling van de feiten door de rechtbank. Het hof zal die vaststellingen grotendeels overnemen, zoals hieronder weergegeven.
Redengevende feiten en omstandigheden
Op 30 oktober 2019 rond 23:30 uur wordt op de [adres 22] in Utrecht [slachtoffer] door drie personen in elkaar geslagen. Ze vluchten met een Volkswagen Transporter. Een vierde persoon bestuurt de Volkswagen Transporter waarin de uitvoerders zaten. Op de plaats delict blijft een slaghamer van ongeveer een meter lang met een zwart/geel handvat van het merk ‘Stanley’ achter.
Gebeurtenissen op 10 oktober 2019
Op 10 oktober 2019 wordt rond 22:50 uur aan de [adres 16] in Utrecht een gestolen Volkswagen Multivan met valse kentekenplaten ( [kenteken 2] ) aangetroffen en door de politie in beslaggenomen (zaaksdossier 9). In het busje worden onder andere een slaghamer, twee klauwhamers, kabelbinders, een honkbalknuppel, bivakmutsen, handschoenen en een zwarte pet aangetroffen. Om 23:23 uur belt [medeverdachte 3] (* [telefoonnummer 7] ) met [medeverdachte 11] (* [telefoonnummer 5] ) en zegt: ‘is een tweede ‘liefje’ (het hof begrijpt in deze context: een auto van de politie) bij komen kijken’. [medeverdachte 11] antwoordt: ‘Kanker en al die dingen liggen er nog in he…alles DNA alles jongen.’ Het DNA van [medeverdachte 11] matcht met DNA op een in het busje aangetroffen honkbalknuppel, hamers, bivakmutsen, handschoenen, deurbediening rechter schuifdeur en voorzijde oppervlak stuurwiel van het busje; het DNA van [medeverdachte 3] matcht met DNA op bivakmutsen en voorzijde oppervlak stuurwiel. Ook van [medeverdachte 6] is een DNA-match vastgesteld met een in het busje veiliggesteld spoor, te weten op de hoofdsteun linksvoor.
In de onder [medeverdachte 6] in beslag genomen iPhone wordt een filmpje aangetroffen dat sinds 11 oktober 2019 om 22:14 uur op de telefoon is opgeslagen. Hierop is te zien dat een donkerkleurig bestelbusje onder begeleiding van vier politieauto’s wordt afgevoerd door een sleepwagen. Het filmpje is gemaakt bij de kruising [adres 17] met de [adres 18] in Utrecht. In het filmpje wordt ingezoomd op de sleepwagen en takelwagen en is te horen dat een man, die samen met in ieder geval een ander is, spreekt over ‘die bus’ en meermalen tegen de ander zegt te kijken. In deze telefoon zijn ook telefoonnummers gevonden van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 1] ), [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 2] ) en [medeverdachte 3] (* [telefoonnummer 5] en * [telefoonnummer 6] ).
In een OVC-gesprek van 26 november 2019 in de Nissan Micra van [betrokkene 1] wordt gesproken over iemand die bij de [adres 19] , bij de molen, helemaal ‘naar de kanker’ was geslagen, dat [medeverdachte 3] (‘ [voornaam 1] ’) dat eigenlijk met [medeverdachte 11] (‘ [bijnaam 1] ’) had moeten doen, dat daarbij een busje was en dat [medeverdachte 3] zijn bivakmuts met DNA erin had laten liggen, dat er spullen in het busje lagen om iemand mee knock-out te slaan zoals mokers, dat het busje in beslag genomen was en dat dit geëscorteerd werd door de politie, dat [medeverdachte 3] dit vanuit zijn huis heeft gefilmd en dat hij nog naar het politiebureau wilde gaan om het busje in de fik te steken. Hieruit volgt dat het genoemde filmpje op de telefoon van [medeverdachte 6] betrekking heeft op (het afvoeren van) de Volkswagen Multivan.
Gebeurtenissen tussen 11 oktober 2019 en 15 oktober 2019
Op 11 en 12 oktober 2019 worden verschillende telefoongesprekken opgenomen en afgeluisterd.
Op 11 oktober 2019 om 19:19 uur citeert [medeverdachte 2] in een gesprek met [medeverdachte 3] een opdracht: ‘Hij moet posten en plakken die kanker C3’, ‘en als hij die hond ziet weggaan, kijken hoe en wat’ en ‘ze kankermoeder moet vandaag geket worden. No joke’.
Om 20:00 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] en zegt dat ‘die ene ding er niet staat’ en dat ‘meneer zelf achter op een Vespa’ langsreed. [medeverdachte 3] vraagt [medeverdachte 2] wat te doen, want waar hij is, is geen ‘place to be’ en ze rijden rondjes. Na het gesprek met [medeverdachte 2] belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 11] . [medeverdachte 11] zegt dat ‘die ene kap, met zwarte ding erboven […] begint met [getal] ’.
Die dag tussen 22:30 uur en 23:30 uur haalt [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] op van luchthaven Schiphol met de Peugeot van [medeverdachte 1] . Even later, op 12 oktober 2019 om 00:52 uur vindt een OVC-gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in die Peugeot. [medeverdachte 1] zegt dat ze naar ‘ [voornaam slachtoffer] zijn huis’ (het hof begrijpt: de woning van [slachtoffer]) rijden. Blijkens het baken op de Peugeot zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om 01:12 uur op de [adres 20] te Utrecht. [medeverdachte 1] zegt op dat moment tegen [medeverdachte 2] dat hij terug moet rijden en: ‘Die C3 daar, rij, ga eens daarnaartoe, die grijze, volgens mij is dat hem’, ‘Kenteken is [getal] nog wat’. Ook is te horen dat er foto’s worden gemaakt. Om 01:20 uur rijden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met de Peugeot over de [adres 20] in de richting van de [adres 22] in Utrecht en ze stoppen op de [adres 21] . Hierna rijden ze richting de woning van [medeverdachte 1] in Soest.
Uit onderzoek volgt dat [slachtoffer] een grijze Citroën C3 met kenteken [kenteken 3] in gebruik heeft en dat hij woont op [adres 20] in Utrecht. Uit onderzoek in een bij de doorzoeking van het huis van [medeverdachte 1] in beslag genomen Nokia 105 telefoon komt naar voren dat [medeverdachte 1] het telefoonnummer van [slachtoffer] heeft geprobeerd te achterhalen. Het hof stelt, mede aan de hand hiervan, vast dat de hiervoor genoemde gesprekken betrekking op het observeren van (voertuigen en het woonadres van) [slachtoffer] .
Gebeurtenissen tussen 23 oktober 2019 en 24 oktober 2019
Op 23 oktober 2019 voeren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om 01:34 uur een gesprek in de Peugeot. [medeverdachte 1] vraagt [medeverdachte 2] of hij ‘hem’ laatst 150 euro had gegeven om die spullen te halen en of een hamer 30 euro kost. [medeverdachte 2] zegt dat hij ‘hem’ twee barkie (het hof begrijpt: 200 euro) heeft gegeven. [medeverdachte 1] zegt dat er een moker moest worden gehaald.
Op 23 oktober 2019 zitten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rond 21:31 uur wederom in de Peugeot. [medeverdachte 1] zegt desgevraagd tegen [medeverdachte 2] dat hij naar ‘de molen’ moet rijden. [medeverdachte 2] vraagt of hij naar rechts moet, naar de [adres 20] , waarop [medeverdachte 1] bevestigend antwoordt. Uit de bakengegevens van de Peugeot blijkt dat het voertuig rond 21:40 uur staat geparkeerd aan de [adres 20] in Utrecht ter hoogte van perceelnummer [huisnummer 1] – vlak bij het woonadres van [slachtoffer] dus. In een OVC-gesprek is te horen dat [medeverdachte 1] zegt dat ‘hij’ op nummer [huisnummer 2] woont en dat [medeverdachte 2] daar ergens moet parkeren. Op een gegeven moment, rond 21:47 uur, zegt [medeverdachte 1] : ‘Volgens mij is hij het broer’.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 15] (hierna: * [telefoonnummer 15] ) van [slachtoffer] straalt die dag rond 21:21 uur een zendmast aan in de omgeving van de [adres 20] , de zendmast aan de [adres 19] in Utrecht. Omstreeks 21:49 uur straalt zijn telefoonnummer een zendmast aan in de [adres 23] in Utrecht.
De Peugeot rijdt rond 21:57 uur weer en lijkt, op basis van een afgeluisterd gesprek, een ander voertuig te volgen. [medeverdachte 2] zegt: ‘Drie auto’s voor ons precies’. [medeverdachte 1] zegt: ‘Afstand, je hebt te grote afstand, dichterbij’ en ‘Nu mogen er auto’s tussenkomen, (ntv) is ook weer opvallend’. De bakengegevens van de Peugeot laten zien dat het voertuig vanaf de [adres 20] wordt gereden in de richting van de wijk Kanaleneiland in Utrecht. Uit de zendmastgegevens van de getapte telecommunicatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijkt dat zij beiden met de Peugeot meereizen.
Gebeurtenissen op 30 oktober 2019 voorafgaand aan het geweldsmisdrijf
Op 30 oktober 2019 stuurt [medeverdachte 5] om 19:07 uur (UTC+1) berichten met het Sky-ID [Sky-ID 6] naar het Sky-ID [Sky-ID 1] van [medeverdachte 1] : ‘Zet chauf klaar. Spullen alles. Vandaag actie’. Om 19.36 uur schrijft [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 1] : ‘Zorg dat we die hond op goeie plek hebben zo. Oke jongens zijn er met een uur! Bus afgetankt hamers erin alles. Oke top broer kk hond wordt tijd’.
Om 20:35 uur vindt in de Peugeot een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een derde persoon die in de Peugeot stapt. Deze derde persoon wordt aan zijn stem herkend als [medeverdachte 6] . [medeverdachte 1] vraagt wat de planning is en of ze hem nu gelijk gaan pakken. [medeverdachte 1] zegt dat hij in de buurt is, dat hij gaat bellen om handel bij hem te halen en dat ze hem dan gelijk gaan pakken. [medeverdachte 1] zegt dat die jongens er met een kwartiertje zijn, dat de bus klaar staat en dat hij er nu even alles in gaat stoppen. Even later zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 6] dat de bus niet verbrand moet worden. [medeverdachte 6] vraagt waar die naartoe moet, waarop [medeverdachte 1] zegt dat de bus gewoon safe moet staan om de volgende dag weer gebruikt te worden.
Later die avond, om 21:42 uur, vraagt [medeverdachte 6] wat de planning is. [medeverdachte 1] zegt dat ze ‘naar die jongens toegaan’. [medeverdachte 6] vraagt of [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ‘die boys gaan ophalen’, waarop [medeverdachte 1] zegt: ‘Nee die boys zijn er broer. Die boys gaan mij niet meer zien. Die boys gaan jou zien. Alleen jij mag mij zien zeg maar’.
Om 22:44 uur vindt in de Peugeot een voorbespreking plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over een te voeren telefoongesprek. [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 1] hem precies uit te leggen wat hij moet zeggen. [medeverdachte 1] geeft hem instructies: ‘Wat gaan we zeggen. He man, bro. Kan ik nog wat bij je halen ja of nee. Zeg, yo, met Huranger (fon.). Met Junes (fon.). Gewoon zeggen, he Leidse Rijn. Heb je nog wat of niet? Het gaat om handel hier. Gewoon zeggen ik heb nu wat nodig’. [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 1] waar hij moet komen en wanneer. [medeverdachte 1] : ‘Zeg maar tegen hem waar hij wilt. Jij moet zeggen kom maar naar jou toe als je wilt. Als je kan, zeg maar ik ben op de weg, maar maakt niet uit. Snap je?’. [medeverdachte 2] : ‘Anders zeg ik gewoon Overvecht?’. [medeverdachte 1] : ‘Dan zeg je tegen hem, dan over een half uurtje ben ik. Half uurtje in [naam 2] ’. Om 22:47 uur zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] dat hij ‘ [voornaam slachtoffer] ’ (fon.) heet.
[medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 4] ) probeert meerdere keren contact op te nemen met [slachtoffer] (* [telefoonnummer 15] ). De derde keer wordt er opgenomen. [medeverdachte 2] stelt zich voor als Yunes uit Leidse Rijn, zegt dat hij wat nodig heeft en vraagt of dat gaat lukken. [slachtoffer] zegt dat hij niet weet waar het over gaat en beëindigt het gesprek.
Om 22:53 uur is in de Peugeot te horen dat [medeverdachte 1] aan de telefoon tegen [medeverdachte 6] zegt dat ze in een grijze Peugeot zitten bij [naam 3] , bij de [adres 24] .
Intussen ontvangt [medeverdachte 1] op zijn Sky-ID [Sky-ID 1] berichten van het Sky-ID [Sky-ID 6] van [medeverdachte 5] . Tussen 22:46 uur en 23:07 uur stuurt [medeverdachte 5] onder andere de volgende berichten naar [medeverdachte 1] (waarbij de tegenberichten van [medeverdachte 1] niet zijn afgevangen): ‘Mijn jongens kunnen niet buiten blijven bro. Hoe lang broer. Want ze wachten echt lang. Peugeot. Hoe lang +- voor hond er is. Oke waar is fucking driver man. En [sisha lounge] goed??? Wel echt kk druk daar heh maar denk hij haalt het dan van osso???? Want hij woont er achter. Oke broer dus nu naar ze osso gaan timeren? Oke perfect jongens zijn klaar en ze moeten dichtbij proberen! Yallah bro gas erop!!’.
Om 23:02 uur rijdt de Peugeot nabij de [adres 25] ter hoogte van de kruising met de [adres 26] . Op dat moment wordt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 4] ) teruggebeld door [slachtoffer] (* [telefoonnummer 15] ). [medeverdachte 2] zegt dat hij met tien à vijftien minuten in Overvecht zal zijn. Daarop zegt [slachtoffer] dat [medeverdachte 2] naar de molen bij de [sisha lounge] toe moet komen. [medeverdachte 2] zegt dat dat goed is. In de directe omgeving van een shishalounge genaamd [sisha lounge] aan de [adres 27] te Utrecht staat een molen genaamd [naam 4] op de [adres 22] in Utrecht.
Om 23:03 uur stapt [medeverdachte 6] weer in de Peugeot en vindt er een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] vraagt naar de handschoenen en [medeverdachte 2] zegt dat alles in de wagen zit. [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 6] of hij van tevoren nog handschoenen wil, ‘want jij bent die driver’. ‘Ja tuurlijk’, zegt [medeverdachte 6] . [medeverdachte 2] zegt: ‘Hij zegt kom naar [sisha lounge] ’. ‘Wie?’, vraagt [medeverdachte 6] . [medeverdachte 2] antwoordt: ‘..dinge, [voornaam slachtoffer] ’. [medeverdachte 6] zegt dat hij met hun gelijk naar de auto rijdt. [medeverdachte 2] zegt dat hij met hem heeft afgesproken, dat hij zei dat [medeverdachte 2] daarnaartoe moest komen en dat [medeverdachte 6] dus alvast naar [sisha lounge] moet gaan rijden en voor de deur moet parkeren. [medeverdachte 1] bevestigt dat hij voor de deur moet parkeren.
[medeverdachte 2] wordt om 23:15 uur weer gebeld door [slachtoffer] . [medeverdachte 2] zegt dat hij bijna in Overvecht is en van daar gelijk naar hem doorrijdt. [slachtoffer] zegt dat hij bij de molen op hem zit te wachten. Rond 23:18 uur wordt de Peugeot geparkeerd in de omgeving van de [adres 29] in Utrecht en stappen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit. [medeverdachte 2] voert via een zendmast aan de [adres 28] , in de omgeving van de [adres 29] , nog een aantal telefoongesprekken met [slachtoffer] . In het telefoongesprek om 23:24 uur zegt [medeverdachte 2] tegen [slachtoffer] dat hij met twee, drie minuten bij de molen zal zijn. Ook om 23:30 uur zegt [medeverdachte 2] tegen [slachtoffer] dat hij er met twee minuten zal zijn.
Geweldsmisdrijf van 30 oktober 2019
[slachtoffer] wordt op 30 oktober 2019 rond 23:30 uur aan de [adres 22] in Utrecht door drie mannen in elkaar geslagen. De drie mannen gebruiken hierbij slagwapens en dragen bivakmutsen.
De politie ontvangt de melding van het geweldsincident rond 23:30 uur. Het voertuig van de verdachten, een grijze Volkswagen Transporter, zou zijn weg gereden richting Overvecht.
De politie komt rond 23:31 uur aan op de [adres 22] en treft [slachtoffer] op straat aan. Hij is niet aanspreekbaar en bloedt uit zijn hoofd. Op twee meter afstand van [slachtoffer] ziet de politie een hamer met lange steel, een slaghamer, rechtop staan. Rondom de slaghamer ligt bloed en dons van de jas van [slachtoffer] .
[slachtoffer] verklaart dat hij op 30 oktober 2019 op de kruising van de [adres 22] met de [adres 20] stond en dat hij op een gegeven moment in de [adres 30] een grijze Volkswagen Transporter zag staan waar twee of drie jongens uitstapten en iemand achter het stuur zat. Twee jongens hielden een moker vast in hun hand. Een andere persoon hield ook iets in zijn hand vast. De jongens renden op hem af en [slachtoffer] rende weg. De jongens haalden hem in en sloegen hem met de moker die zij in hun hand hadden. [slachtoffer] voelde dat hij werd geraakt op zijn hoofd, rug, schouders, armen en benen. Hij viel daarbij op de grond. Hij voelde heel erg veel pijn over zijn hele lichaam. Hij probeerde op te staan, maar voelde en zag dat hij direct weer werd neergeslagen door de moker. Hij zag bloed voor zijn ogen. Toen omstanders door hadden wat hem overkwam en naar de jongens schreeuwden dat ze moesten stoppen, stopten zij met slaan en renden ze weg. Hij zag nog dat één persoon terugkwam, hem weer sloeg en wegrende. De drie jongens stapten weer in de grijze Volkswagen Transporter en de Transporter reed weg. Eén van de daders droeg een capuchon en een bivakmuts. De andere twee jongens hadden hun gezicht ook bedekt, vermoedelijk met een bivakmuts. [slachtoffer] verklaart het volgende letsel te hebben opgelopen: gebroken hand, gekneusde rib, zeventien hechtingen in zijn hoofd en twee wonden, barst in zijn schedel, gebroken/gekneusd scheenbeen.
De spoedeisende hulp van het Diakonessenziekenhuis heeft met betrekking tot het letsel van [slachtoffer] de volgende informatie verstrekt:
De getuige [getuige 1] verklaart het volgende over het geweldsincident. Zij ziet op 30 oktober 2019 omstreeks 23:30 uur drie personen vanuit de [adres 30] over de [adres 22] in de richting van de [adres 20] achter het slachtoffer aan rennen. Eén van deze personen rent met een honkbalknuppel in zijn handen. Het hoofd en gezicht van deze man is geheel bedekt. De man met de honkbalknuppel slaat het slachtoffer meerdere malen hard met de honkbalknuppel, voornamelijk in de richting van zijn hoofd. De man met de moker slaat meerdere malen met een lange slag richting de rug van het slachtoffer. Het slachtoffer wordt meerdere malen geraakt. Alle drie de mannen slaan hem meerdere keren. Vanuit de [adres 30] komt een lichtgrijs busje met geblindeerde achter zijramen aan rijden. De bestuurder blijft in het busje zitten. De man met de moker slaat nog één keer op de benen van het slachtoffer, waarna hij de moker loslaat en achterlaat op de kruising bij het slachtoffer. De drie mannen rennen dan snel richting het grijze busje en stappen in het busje. Het busje rijdt vervolgens hard weg. Bij de rechter-commissaris verklaart de getuige [getuige 1] dat één man een moker had en daarmee richting de benen, in ieder geval de onderkant, van het slachtoffer sloeg en dat de andere twee mannen honkbalknuppels hadden.
Getuige [getuige 2] verklaart als volgt. Zij ziet op 30 oktober 2019 omstreeks 23:31 uur drie mannen achter een grijze Volkswagen bus vandaan rennen die op de [adres 30] ter hoogte van de molen staat. Alle drie de mannen dragen een bivakmuts. Twee van deze mannen hebben een honkbalknuppel bij zich. De derde man heeft een grote moker bij zich. Deze moker heeft een opvallende gele kleur en een handvat van ongeveer een meter. Eén van de mannen met een honkbalknuppel maakt een lage slaande beweging richting de man die door hen wordt achtervolgd. Hij raakt de man en de man komt ten val op de [adres 20] . Alle drie de mannen slaan hierna meerdere keren op het slachtoffer in. Het slachtoffer wordt meermalen met de moker en met de honkbalknuppel geslagen. Als omstanders beginnen te schreeuwen en te claxonneren, rennen de drie mannen plotseling weg in de richting van de Volkswagen bus die inmiddels op de [adres 22] stond en zij stappen aan de zijkant in. Vrijwel direct hierna rijdt de bus weg richting de Nieuwe Keizersgracht. Bij het instappen laat één van de drie mannen de moker achter op de [adres 22] .
Gebeurtenissen na het geweldsmisdrijf en de uitvoerders
[medeverdachte 2] probeert [slachtoffer] te bellen op 30 oktober 2019 om 23:37 uur, 23:40 uur en 23:45 uur, maar krijgt hem niet aan de lijn. [medeverdachte 1] zegt om 23:53 uur in de Peugeot tegen [medeverdachte 2] : ‘Hij heeft ook niet teruggebeld he?’, waarop ze beiden lachen. Na het geweldsmisdrijf wordt het telefoonnummer * [telefoonnummer 4] niet meer door [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] gebruikt.
Op 31 oktober 2019 om 00:27 uur is in de Peugeot te horen dat [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] zegt dat hij ‘ [bijnaam 3] ’ ‘nu gelijk’ naar Overvecht moet laten komen. [medeverdachte 2] belt daarop met [medeverdachte 10] (* [telefoonnummer 14] ). Vervolgens wordt om 00:38 uur in de Peugeot door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] gesproken over waar die spullen naartoe moeten en waar geen camera’s hangen. [medeverdachte 6] noemt Soesterberg.
Op de camerabeelden van de garagebox aan de [straat garagebox] is te zien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 31 oktober 2019 rond 00:53 uur aan komen lopen bij de garagebox. [medeverdachte 2] heeft in zijn linkerhand een grote tas met daarin een groot lichtkleurig voorwerp dat aan de bovenzijde uitsteekt. [medeverdachte 1] opent de deur van de garagebox en [medeverdachte 2] gaat naar binnen met de tas. Deze tas heeft een opdruk, een ovaal in de kleur zwart met daarin onder andere het woord ‘food’. [medeverdachte 2] komt vervolgens zonder tas uit de garagebox.
Om 00:56 uur vindt er weer een gesprek plaats in de Peugeot. [medeverdachte 1] zegt dat ze een ‘waggie’ pakken en hem daar op gaan zetten om die eruit te rijden. Hij vraagt of een busje beter is of een auto, waarop wordt gezegd dat een busje beter is, dat het niet opvallend is. [medeverdachte 1] vraagt waar die platen zijn. Hij is op zoek naar een mooie plek waar hij die auto kan stallen tot de volgende dag en noemt Soest of Soesterberg.
De telefoonnummers van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 3] ), [medeverdachte 1] (*5194), [medeverdachte 6] (* [telefoonnummer 9] ) en [medeverdachte 10] (* [telefoonnummer 14] ) stralen tussen 00:52 en 01:15 uur zendmasten aan in de omgeving van de [adres 31] , waar ook de Peugeot zich dan bevindt.
Met de telefoon van [medeverdachte 6] (* [telefoonnummer 9] ) is om 01:17 uur via de navigatie-applicatie Waze gezocht naar de [adres 32] in Soesterberg.
Op 31 oktober 2019 om 02:24 uur vraagt [medeverdachte 1] in de Peugeot aan [medeverdachte 6] of ze met drie man waren en of eentje met een houten ‘bed’ (het hof begrijpt in deze context: honkbalknuppel) bezig was. [medeverdachte 1] vraagt verder: ‘Eentje was aan het knuppelen, eentje was aan het hameren en ander aan het mokeren?’ [medeverdachte 6] antwoordt bevestigend.
Om 13.44 uur die middag wordt met de telefoon van [medeverdachte 5] (Sky-ID [Sky-ID 6] ) een bericht gestuurd naar Sky-ID [Sky-ID 5] , in gebruik bij [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] met als inhoud: “(…) eigenlijk moet iemand langs gaan foto top hahahahaha”.
Die middag, om 14:53 uur, wordt in de Peugeot gevraagd of er niemand is die een foto kan maken van iemand in het ziekenhuis. Om 16:48 uur praten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weer in de auto over het geweldsincident waarbij [medeverdachte 2] een artikel voorleest en [medeverdachte 1] herhaaldelijk lacht.
Op 1 november 2019 om 03:55 uur vindt een heimelijke inkijk plaats in de garagebox aan de [straat garagebox] . Tijdens deze inkijk wordt een foto gemaakt van een daar aangetroffen gele Jumbo boodschappentas. De tas heeft een zwart vlak met lichte letters met de woorden ‘food’ en ‘markt’. Het zwarte vlak heeft aan de linker bovenzijde een ronding en daarboven het woord ‘Jumbo’. Dit komt overeen met de tas op de foto die op 31 oktober 2019 om 00:53 uur is gemaakt bij de garagebox. In de tas worden onder andere een honkbalknuppel met bloedspetters, drie gebruikte bivakmutsen en twee klauwhamers van het merk ‘Stanley’ aangetroffen. Ook wordt een verpakking van een slaghamer van het merk ‘Stanley’ aangetroffen. De slaghamer die op de plaats delict wordt achtergelaten, is van het merk ‘Stanley’.
De drie bivakmutsen worden rondom de mondopening bemonsterd. Op de drie bivakmutsen wordt een DNA-match met respectievelijk van [medeverdachte 8] , [verdachte] en [medeverdachte 7] aangetroffen. Ook wordt een DNA-bloedspoor van de honkbalknuppel bemonsterd en onderzocht. Dat levert een DNA-match op met het slachtoffer [slachtoffer] .
Op 26 november 2019 vindt een doorzoeking plaats in de garagebox aan de [straat garagebox] . Daarbij worden een Jumbotas en een Praxistas met inhoud aangetroffen. In de Praxistas worden handschoenen, bivakmutsen in verpakking, baseballcaps, een verbanddoos en een doosje met handschoenen aangetroffen. In de garagebox worden ook een honkbalknuppel, hamers van het merk ‘Stanley’ en diverse schoonmaakproducten aangetroffen. Zes handschoenen worden bemonsterd. Twee van de zes bemonsterde handschoenen leveren een DNA-match met [verdachte] op, twee handschoenen leveren een DNA-match met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 11] op en de andere twee handschoenen een DNA-match met [medeverdachte 8] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 11] .
Op 3 november 2019 vindt om 13:26 uur een OVC-gesprek plaats in de Peugeot. [medeverdachte 1] vraagt aan [medeverdachte 6] of de jongens die op die dag met hem waren gouden tanden hadden. [medeverdachte 6] zegt: ‘Twee Marokkanen en een Pool’.
Volgens de wijkagent in Tiel hebben [medeverdachte 8] en [verdachte] beiden een gouden tand. Ook weet de wijkagent dat [verdachte] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] met elkaar omgaan en elkaar goed kennen. [verdachte] heeft een Marokkaanse afkomst. Het uiterlijk van [medeverdachte 8] wordt door een verbalisant omschreven als Marokkaans. [medeverdachte 7] heeft een Poolse afkomst. Ten tijde van het geweldsincident was [medeverdachte 7] kentekenhouder van een grijskleurige Peugeot.
Op de dag van het geweldsmisdrijf bevinden de telefoons van [medeverdachte 7] (* [telefoonnummer 10] ) en [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 12] ) zich rond 16:22 uur in Utrecht. Rond 19:20 uur stralen de telefoons van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zendmasten aan in de omgeving van Gorinchem. Rond dat moment zijn ook de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in die omgeving. Vervolgens verplaatsen de telefoons van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zich richting Tiel. Rond 20:24 uur hebben de telefoons van [verdachte] (* [telefoonnummer 13] ) en [medeverdachte 7] (* [telefoonnummer 10] ) contact met elkaar. De telefoon van [verdachte] straalt aan in Tiel. Na het gesprek beweegt het telefoonnummer van [medeverdachte 7] van Tiel naar Utrecht. Het telefoonnummer van [medeverdachte 8] vertoont na aankomst in Tiel geen activiteit meer. Rondom het moment van het geweldsmisdrijf is het telefoonnummer van [verdachte] niet actief.
Het telefoonnummer van [medeverdachte 7] (* [telefoonnummer 10] ) straalt op 30 oktober 2019 rond 21:21 uur een zendmast aan in de omgeving van de [adres 25] in Utrecht. Omstreeks 23:55 uur vindt de eerste registratie na het geweldsmisdrijf plaats, wanneer een zendmast aan de [adres 23] wordt aangestraald. Deze zendmast bevindt zich in de buurt van het adres van [medeverdachte 6] . Rond dezelfde tijd, 23:58 uur, straalt het telefoonnummer van [medeverdachte 6] (* [telefoonnummer 9] ) ook een zendmast aan in de omgeving van de [adres 23] . Kort na middernacht, om 00:07 uur, komen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook naar de [adres 23] .
Bewijsoverweging
Betrokkenheid [verdachte]
De verdediging heeft naar voren gebracht dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de conclusie dat [verdachte] één van de uitvoerders van het geweld op [slachtoffer] was.
Uit de hiervoor weergegeven feiten volgt – en is ook niet in geschil – dat jegens [slachtoffer] in de late avond van 30 oktober 2019 geweld is gepleegd door drie personen, die hem met slagvoorwerpen hebben geslagen en daarna in een Volkswagen Transporter zijn vertrokken. Ook is niet in geschil dat op de plek van het geweld een slaghamer is achtergebleven. Vast staat verder dat in de garagebox aan de [straat garagebox] op 1 november 2019 een Jumbotas is aangetroffen, met daarin een honkbalknuppel met bloed van [slachtoffer] . Deze Jumbotas is in de nacht na het geweldsmisdrijf door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de garagebox gelegd, zo blijkt uit camerabeelden. Het hof concludeert hieruit, mede bezien de aangifte van [slachtoffer] en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , dat de slaghamer en de honkbalknuppel zijn gebruikt bij het geweld tegen [slachtoffer] . De verdediging heeft dit ook niet weersproken.
Zoals hiervoor beschreven zijn op 1 november 2019 ook gedragen bivakmutsen aangetroffen in de Jumbotas waarin de honkbalknuppel met bloed van [slachtoffer] is gevonden. De bivakmutsen zijn bemonsterd. Van [medeverdachte 8] , [verdachte] en [medeverdachte 7] zijn DNA-matches aangetroffen rondom de mondopeningen van die bivakmutsen.
De stelling van de verdediging niet kan worden vastgesteld dat de bivakmutsen op 1 november 2019 in de Jumbotas zaten wordt verworpen, nu het hof geen enkele aanleiding heeft te twijfelen aan de juistheid van de hiervoor genoemde bevindingen ten aanzien van de inkijk in de garagebox aan de [straat garagebox] op 1 november 2019. Daarvoor verwijst het hof naar de processen-verbaal die hierover zijn opgemaakt, waaronder het proces-verbaal van bevindingen doorzoeking garageboxen [straat garagebox] [huisnummer 3] Utrecht (p. 1752 e.v.), het proces-verbaal betreden besloten plaats (p. 5391 e.v.), het proces-verbaal betreden besloten plaats (p. 4326) en het aanvullend proces-verbaal (p. 6988 e.v.).
Zoals hiervoor benoemd volgt uit de verklaringen van getuigen dat de drie daders van het geweldsmisdrijf, die uit het busje zijn gesprongen en het slachtoffer met slagwapens hebben aangevallen, bivakmutsen met openingen rondom de mond hebben gedragen. Ook de bivakmutsen in de Jumbotas hadden mondopeningen. Bij die mondopeningen is het DNA van [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [verdachte] als overwogen aangetroffen. De verdediging heeft erop gewezen dat er sprake is van contaminatie wat het op de bivakmuts aangetroffen DNA betreft. Daartoe is aangevoerd dat er in de Jumbotas ook spullen zaten die niet gebruikt zijn of te relateren zijn aan het geweld jegens [slachtoffer] , zodat het niet anders kan dan dat de honkbalknuppel samen met andere spullen die niet met het geweldsincident in verband kunnen worden gebracht op enig moment in een tas zijn gestopt en in de box zijn gezet. De bemonsterde bivakmutsen hoeven dus niet noodzakelijkerwijs gedragen te zijn door de uitvoerders van het geweld, hetgeen ook steun vindt in de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij de door de uitvoerders gedragen bivakmutsen heeft verbrand, aldus de verdediging.
Het hof volgt de verdediging hier in niet. De officier van justitie heeft nader onderzoek laten verrichten naar de juistheid van deze verklaring en uit dat onderzoek blijkt dat noch de beschikbare SkyECC-data noch de reisgegevens van de Peugeot die verklaring van [medeverdachte 1] op enigerlei wijze ondersteunen. Sterker nog, er blijkt in het geheel geen stopmoment van de Peugeot te zijn geweest op de plek waar [medeverdachte 1] zegt de spullen te hebben verbrand hetgeen niet te rijmen valt met de verklaring van [medeverdachte 1] . Het hof schuift de verklaring van [medeverdachte 1] over het verbranden van de bivakmutsen als ongeloofwaardig terzijde. Voorts geldt dat de enkele omstandigheid dat er wellicht ook spullen in de tas zaten die niet te relateren zijn aan het misdrijf, vanzelfsprekend niet impliceert dat de bivakmutsen dat dan ook niet zijn. Van belang acht het hof daarbij nog dat [verdachte] zelf geen enkele verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op die bivakmuts, terwijl er ook overigens geen enkele aanwijzing voor contaminatie is. De stelling van de verdediging dat een bivakmuts een verplaatsbaar object is maakt ook niet zonder meer dat contaminatie moet worden aangenomen.
Gelet op het feit dat DNA-matches met [medeverdachte 8] , [verdachte] en [medeverdachte 7] bij de mondopeningen van drie bivakmutsen is gevonden, in een tas die kort na de geweldpleging in de garagebox is gelegd door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (twee personen dus die bij deze geweldpleging tegen [slachtoffer] betrokken zijn), samen met een honkbalknuppel waarmee [slachtoffer] is geslagen, in samenhang bezien met al het voorgaande, concludeert het hof dat deze bivakmutsen door [verdachte] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zijn gedragen ten tijde van het geweldsmisdrijf tegen [slachtoffer] .
Het volgende komt daar nog bij.
De politie heeft naar aanleiding van de DNA-matches van [medeverdachte 8] , [verdachte] en [medeverdachte 7] onderzoek gedaan naar de reisbewegingen van hun telefoons op (in elk geval) 30 oktober 2019. Het hof verwijst naar het hiervoor overwogene onder het kopje ‘Gebeurtenissen na het geweldsmisdrijf en de uitvoerders’. Het meest in het oog springend is dat de telefoon van [medeverdachte 7] relatief kort voor het geweldsincident, te weten om 21.21 uur, in de directe omgeving van de plaats delict uitstraalde. Daarna werd de telefoon niet meer gebruikt. Het incident vond plaats rond 23.30 uur en pas om 23.55 uur straalde zijn telefoon weer een zendmast aan. Dit keer een mast aan de [adres 23] in Utrecht, waar de schuur van de grootouders van [medeverdachte 6] staat en die – zoals hierna nader zal worden toegelicht – als stash voor onder meer slagwapens werd gebruikt. Op de bewuste dag waren [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] blijkens hun telefoongegevens die middag al samen in Utrecht, waarna zij samen afreisden naar Gorinchem, waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] toen ook waren. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zijn ook daarna bij elkaar gebleven en richting Tiel vertrokken. Iets later die avond, om 20.24 uur, hadden de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 7] contact met elkaar, waarna de telefoon van [medeverdachte 7] zich opnieuw naar Utrecht bewoog. De telefoons van [medeverdachte 8] en [verdachte] waren op dat moment niet actief, zodat hun plaatsbepaling niet gedaan kon worden. Uit het voorgaande volgt echter wel dat zij die dag contact met elkaar hebben en dat [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] – zo leidt het hof uit de mastgegevens af – in Utrecht zijn. De onderlinge contacten op deze dag zijn van betekenis, nu het DNA van juist deze drie personen in gezamenlijkheid is aangetroffen op de bivakmutsen die bij de gebruikte honkbalknuppel zijn gevonden. Bovendien wijzen de telefoongegevens niet uit dat zij elders waren. [verdachte] heeft weliswaar gesteld dat hij ergens anders was, maar heeft dat op geen enkele wijze onderbouwd .
Opvallend is nog dat [medeverdachte 7] destijds over een grijze Peugeot beschikte. Deze auto werd qua merk en kleur genoemd in een gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] , toen [medeverdachte 1] zei dat ‘ze’ in een grijze Peugeot zitten bij de [adres 24] . Met ‘ze’ wordt, zo concludeert het hof uit de context van het gesprek, gedoeld op de uitvoerders van het geweld. De telefoon van [medeverdachte 7] straalde op de bewuste avond van 30 oktober 2019 om 21.21 uur als gezegd een zendmast aan in de directe omgeving van de plaats delict. Meer specifiek: in de omgeving van de [adres 25] in Utrecht. Aan die straat is ook de zogenaamde landingsbaan, waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het over hadden, gelegen.
Overigens sluit de uitlating van [medeverdachte 6] dat de uitvoerders twee Marokkanen en een Pool waren, niet uit dat [medeverdachte 8] een van de uitvoerders was zoals de verdediging van [verdachte] naar voren heeft gebracht, mede gelet op het feit dat het uiterlijk van [medeverdachte 8] ook door verbalisanten als Marokkaans wordt omschreven. Kennelijk wordt het uiterlijk van [medeverdachte 8] door sommigen als Marokkaans aangezien. [verdachte] , van Marokkaanse komaf, en [medeverdachte 7] , van Poolse komaf, vallen eveneens onder de omschrijving die door [medeverdachte 6] is gegeven. Ook het feit dat [medeverdachte 8] en [verdachte] beiden een gouden tand hadden, past in de context van het genoemde OVC-gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] een aantal dagen na het geweldsmisdrijf.
Dat op 26 november 2019 bij de doorzoeking in de garagebox nog een tas is aangetroffen met daarin zes handschoenen met DNA dat matcht met [medeverdachte 8] (op twee handschoenen), [medeverdachte 7] (op twee handschoenen) en [verdachte] (op twee handschoenen) versterkt het voorgaande nog eens.
De verdediging heeft nog naar voren gebracht dat de verklaring van de getuige 5089 ontlastend is voor [verdachte] , omdat deze getuige heeft verklaard dat hij had vernomen dat het geweld was gepleegd door [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en ene [betrokkene 3] . [verdachte] heeft hij in dat kader dus niet genoemd. Het hof volgt de verdediging hierin niet. De politie heeft onderzoek verricht naar aanleiding van deze verklaring. Met [betrokkene 3] zou [betrokkene 3] zijn bedoeld, zo blijkt uit dat onderzoek. Alhoewel telecomgegevens van [betrokkene 3] hem niet zonder meer uitsluiten als dader omdat er geen plaatsbepaling heeft kunnen plaatsvinden, is er geen DNA-match (ook niet in een mengprofiel) van [betrokkene 3] aangetroffen op bivakmutsen, slagwapens of handschoenen, terwijl andere aanknopingspunten in het dossier voor diens betrokkenheid ontbreken. Dit betekent dat de verklaring van de getuige 5089 op dit punt geen steun vindt in het procesdossier en het hof kent hieraan dan ook geen betekenis toe.
Op grond van dit alles, in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat [medeverdachte 8]
, [medeverdachte 7] en [verdachte] zich als feitelijke uitvoerders schuldig hebben gemaakt aan het geweldsmisdrijf tegen [slachtoffer] .
Gronddelict
Ten aanzien van het opzet van [verdachte] op het gronddelict is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] en zijn mededaders de intentie (in de zin van vol opzet) hadden om [slachtoffer] te doden. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat [verdachte] en zijn mededaders wel bewust de aanmerkelijke kans op de koop hebben toegenomen dat [slachtoffer] zou kunnen overlijden door het toegepaste geweld (in de zin van voorwaardelijk opzet). Het hof overweegt daartoe als volgt.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval de dood – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat [verdachte] zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat hij wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging van [verdachte] en zijn mededaders is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [verdachte] , [slachtoffer] meermalen met kracht met slagvoorwerpen hebben geslagen. Eén van hen heeft [slachtoffer] meerdere malen hard met een honkbalknuppel geslagen, voornamelijk in de richting van zijn hoofd, terwijl een ander hem meermalen met een slaghamer met een lange slag in de richting van de rug heeft geslagen. Met de slaghamer is zeker drie of vier keer aan de bovenzijde van de rug van [slachtoffer] geslagen, tussen de schouderbladen. De kop van de slaghamer weegt 2,72 kilogram. Openbare bronnen stellen het totaalgewicht van deze slaghamer op 4,5 kilogram. Het hof begrijpt dat, daar waar de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] spreken over een moker die is gebruikt (zoals het slagwapen ook in de tenlastelegging is geduid), een slaghamer is bedoeld. Ook het hof zal die beide termen voor hetzelfde voorwerp hanteren.
[slachtoffer] is op zijn hoofd en zijn lichaam geraakt en wel zodanig dat hij ten val kwam, waarna [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [verdachte] opnieuw meermalen met veel kracht op hem insloegen met de slaghamer en een honkbalknuppel. Pas toen omstanders gingen schreeuwen en claxonneren renden de mannen weg.
Als gezegd concludeert het hof dat [slachtoffer] onder meer is geraakt op zijn hoofd. Dit volgt uit de bewijsmiddelen, te weten het opgelopen letsel in combinatie de verklaring van [slachtoffer] zoals hij die als aangever op 31 oktober 2019 heeft afgelegd bij de politie en de getuigenverklaring van [getuige 1] , afgelegd bij de politie. De stelling van de verdediging dat [slachtoffer] dit hoofdletsel heeft opgelopen door een val wordt daarmee gepasseerd. Overigens blijkt uit het dossier dat [slachtoffer] , op het moment dat hij voor zijn belagers wegrende, de pas werd afgesneden door een bij toeval passerende auto, maar het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat hij daardoor ten val is gekomen met het later geconstateerde hoofdletsel tot gevolg.
Het hof merkt bij het voorgaande nog op dat [slachtoffer] eerst als getuige ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij het hoofdletsel heeft opgelopen door een val, maar bezigt niet die verklaring voor de waardering van het bewijs, maar zijn verklaring bij de politie. Reden daarvoor is dat het hof de verklaring die hij op zitting heeft afgelegd niet betrouwbaar acht. [slachtoffer] , die tijdens zijn verhoor op de openbare zitting bij het hof zichtbaar angstig was, heeft op bijna alle vragen die hem gesteld werden geantwoord dat hij het niet meer wist. Hij kon zich alleen nog herinneren dat hij op zijn hoofd was gevallen en dat [voornaam 4] [medeverdachte 1] een vriend van hem is en hij zeker wist dat [medeverdachte 1] er niets mee te maken had. Dit laatste strookt al niet met de bekennende verklaring van [medeverdachte 1] over zijn betrokkenheid bij dit feit, terwijl de verklaring van [slachtoffer] dat hij op zijn hoofd zou zijn gevallen door geen van de ooggetuigen wordt bevestigd en, zoals hiervoor overwogen, ook overigens in het dossier geen steun vindt. Daar staat tegenover dat zijn verklaring bij de politie, anders dan die ter zitting van het hof, volledig en gedetailleerd is, op relevante onderdelen gesteund wordt door andere verklaringen en zeer kort na het feit is afgelegd, terwijl het hof geen enkele aanleiding heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een vitaal en potentieel kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is. Dat maakt dat het aanwenden van forse geweldshandelingen met slagwapens tegen het hoofd onder bepaalde omstandigheden een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood op kan leveren. De gebruikte honkbalknuppel en slaghamer zijn relatief lange voorwerpen en bepaald geen precisiewapens. In elk geval de slaghamer is ook een zwaar voorwerp. Indien met dergelijke voorwerpen met kracht wordt geslagen in de richting van het hoofd en het lichaam is de mogelijkheid op het hard raken van bij uitstek kwetsbare delen van het hoofd reëel, zeker als geslagen wordt op een persoon die zich beweegt om aan de klappen van de wapens te ontkomen. Met deze voorwerpen is doorgeslagen, ook nadat [slachtoffer] op de grond is gevallen en daarna volstrekt weerloos was. Dit blijkt ook uit de verklaring van getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris, waarin zij verklaart dat [slachtoffer] zich niet heeft geprobeerd af te weren; toen hij eenmaal lag, heeft hij niets gedaan. Naar het oordeel van het hof brengen daders van een dergelijk feit zichzelf in de positie dat zij het aanmerkelijke risico nemen dat de grens van niet dodelijk naar dodelijk geweld wordt overschreden, waarover zij onder deze omstandigheden geen (voldoende) controle meer hebben.
Door te slaan met deze voorwerpen, waarbij het hoofd is geraakt, hebben de daders niet alleen bijgedragen aan het in het leven roepen van de aanmerkelijke kans op de dood, maar deze kans ook bewust aanvaard. Immers, door onder de genoemde omstandigheden dergelijk zeer fors geweld tegen [slachtoffer] aan te wenden, kan het niet anders dan dat de daders de mogelijkheid hebben aanvaard dat zij, dan wel één van hen, daarbij het omslagpunt van niet dodelijk geweld naar potentieel dodelijk geweld zouden bereiken. Gelet op (de uiterlijke verschijningsvorm van) de verrichte gedragingen hebben zij zich niet door deze mogelijkheid laten weerhouden, maar deze op de koop toegenomen.
Medeplegen
Net als de rechtbank oordeelt het hof dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij allen een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van het gezamenlijke plan om fors geweld op [slachtoffer] uit te oefenen.
Het hof begrijpt dat de verdediging heeft willen betogen dat [verdachte] geen opzet had op de dood. In dit kader zal het hof moeten toetsen of er is voldaan het dubbel opzetvereiste: opzet op de onderlinge samenwerking en opzet op de verwezenlijking van het grondfeit. Dit ligt reeds besloten in de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het begaan van het grondfeit. Indien de verschillende betrokkenen geen identiek opzet hebben gehad, wanneer zij met hun samenwerking verschillende delicten op het oog hadden, kan het voorwaardelijk opzet dit probleem vaak aanmerkelijk relativeren, zeker ten aanzien van details van de gang van zaken. Daarbij is niet vereist dat [verdachte] op de hoogte is geweest van de precieze gedragingen van de andere uitvoerders. Als het opzet onderling echter te veel of wezenlijk uiteenloopt en de uitvoerders substantieel verder gaan dan waarop het opzet van [verdachte] is gericht, kan [verdachte] daarvoor niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld en moet hij naar zijn eigen opzet worden beoordeeld en gekwalificeerd. Alsdan kan geen ‘bewuste en nauwe samenwerking’ worden aangenomen en bepaalt het eigen opzet van hem, en niet het opzet van de uitvoerders, de eigen aansprakelijkheid. Dit kan wel als zijn opzet voldoende verband houdt met het gronddelict. Of van zodanig verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Doorgaans kan worden aangenomen dat dit verband bestaat, als het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de deelnemer was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden.
In dit geval stelt het hof vast dat het opzet van [verdachte] erop was gericht dat [slachtoffer] fors geweld zou worden aangedaan. Hij is samen met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] ingezet om die klus uit te voeren en de uitvoerders namen daarvoor onder meer een honkbalknuppel en een slaghamer mee. Het hof oordeelt dat, voor zover al het opzet van [verdachte] (enkel) gericht was op mishandeling, dit voldoende verband houdt met het gronddelict, nu [slachtoffer] het beoogde slachtoffer was dat – na een voorbereidingsperiode en na door [medeverdachte 2] te zijn gelokt – door drie mannen onder wie dus [verdachte] , fors en met gebruikmaking van meerdere slagwapens in elkaar geslagen moest worden.
Voorbedachte raad
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de voorbedachte rade. Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing voor voorbedachte raad, maar hoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] samen met anderen over een periode van in elk geval enkele uren, planmatig heeft toegewerkt naar het feit. Zij zijn benaderd en zijn vervolgens naar Utrecht gereden om de klus te klaren. Daar hebben zij zich in een Volkswagen Transporter, voorzien van honkbalknuppels, een slaghamer en bivakmutsen, laten verplaatsen naar de plek waar [slachtoffer] zich bevond, om vervolgens gedrieën uit te stappen, naar [slachtoffer] te lopen en de klus uit te voeren. Het hof concludeert hieruit dat hij vóór de uitvoering van het feit heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan ook daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. De verdediging heeft daar ook niets tegenin gebracht. Nu van contra-indicaties niet is gebleken, concludeert het hof dat [verdachte] handelde met voorbedachte raad en niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Conclusie
Op grond van al het bovenstaande acht het hof het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot moord op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.
FEIT 2: VOORHANDEN HEBBEN STROOMSTOOTWAPEN
De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit.
De verdediging heeft zich ter zake dit feit gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof stelt aan de hand van het dossier de volgende feiten vast.
[verdachte] is op 7 juli 2020 op de openbare weg in Tiel aangehouden. Tijdens de aanhouding is bij onderzoek aan diens kleding in zijn tas een stroomstootwapen aangetroffen. Dit stroomstootwapen is onderzocht en bleek een stroomstootwapen in de zin van categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat het stroomstootwapen van hem is.
Het hof is, op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte, van oordeel dat is bewezen dat [verdachte] het stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primairhij op 30 oktober 2019 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen met een moker en een honkbalknuppel met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op 7 juli 2020 te Tiel een wapen van categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, waarnaar is verwezen in de voetnoten bij de vorenstaande bewijsoverwegingen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot moord.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het door haar onder 1 (meer subsidiair) en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest, zal opleggen voor de onder 1 primair (medeplegen poging doodslag) en 2 ten laste gelegde feiten. Daarin is de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd.
Namens de verdachte heeft de raadsman zich in het kader van de strafmaat uitgelaten over, samengevat, de zogenoemde oriëntatiepunten voor mishandeling en zware mishandeling en voor wapenbezit. Verder heeft hij aandacht gevraagd voor de ouderdom van het feit.
Het hof slaat bij de straftoemeting acht op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Het doelwit van de aanslag was [slachtoffer] . Daartoe heeft hij zich met zijn mededaders, aangestuurd door anderen en voorzien van handschoenen, bivakmutsen en verschillende slagwapens (waaronder een honkbalknuppel en een slaghamer), in een busje naar de plek laten brengen waar het beoogde slachtoffer onder valse voorwendselen naar toe was gelokt. De verdachte en zijn mededaders zijn uit het busje gesprongen, zijn het slachtoffer achterna gerend en hebben hem ingesloten. Het slachtoffer is op de grond beland en is vervolgens met fors geweld met die slagwapens door de verdachte en zijn mededaders in elkaar geslagen. Hij is onder andere op zijn hoofd en rug geraakt, met onder meer een schedelbasisfractuur tot gevolg. Pas toen omstanders ter plaatse kwamen stopten de verdachte en zijn mededaders met het geweld. Een van de daders kwam nog een keer terug om het op de grond liggende slachtoffer nogmaals met een slagwapen te slaan, waarna de verdachte en zijn mededaders spoorslags met het busje zijn vertrokken.
In het oog springend bij dit misdrijf zijn het planmatige karakter en het ogenschijnlijke gemak waarmee de verdachte zich heeft geleend voor zeer gewelddadige eigenrichting in een conflict, waar hij zelf, naar het zich laat aanzien, part noch deel aan had. De verdachte is dus kennelijk bereid ten behoeve van anderen iemand die hij niet of nauwelijks kent extreem gewelddadig toe te takelen. De professionele voorbereiding en uitvoering van het misdrijf spreken boekdelen. Ook zijn er sterke aanwijzingen dat de door de verdachte aanvaarde opdracht tot de geweldpleging aan hem is verstrekt in de context van een crimineel netwerk.
Het slachtoffer heeft onder meer een gebroken hand, een gekneusde rib, een schedelfractuur, hoofdwonden en een gebroken/gekneusd scheenbeen opgelopen. De verdachte heeft zich om hem echter in het geheel niet bekommerd. Evenmin was er voor de verdachte en zijn mededaders kennelijk enige belemmering om de aanslag uit te voeren op de openbare weg, midden in een woonwijk, op een tijdstip dat er nog mensen over straat liepen. Meerdere passanten zijn dan ook met deze geweldsuitbarsting geconfronteerd. Ook op hen zal dit een blijvende indruk hebben gemaakt.
De verdachte heeft zich aldus beziggehouden met de uitvoering van een vergelding in het criminele milieu op bestelling. Tot op de dag van vandaag, zeven jaar na dato, heeft de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid willen nemen voor dit feit en inzage willen geven in zijn beweegredenen. Van enig verantwoordelijkheidsbesef of berouw is ook ter zitting van het hof niet gebleken.
De verdachte heeft voorts een stroomstootwapen voorhanden gehad. Gelet op de ernst van het geweldsdelict, kent het hof aan dit feit geen betekenis toe bij het bepalen van de op te leggen straf.
De raadsman heeft er aandacht voor gevraagd dat de verdachte bij de voorbereiding van het misdrijf niet in beeld komt. Aan deze omstandigheid kan, afgezet tegen de in het voorgaande geschetste zakelijke professionaliteit en persoonlijke onverschilligheid van de verdachte, naar het oordeel van het hof geen relevant gewicht worden toegekend bij bepaling van de zwaarte van de op te leggen straf. Integendeel, juist doordat mensen als de verdachte op afroep beschikbaar zijn om op bestelling aanslagen als de onderhavige te plegen, kunnen criminele netwerken hun onderlinge vetes met geweld blijven uitvechten en kunnen aanjagers van dergelijk geweld grotendeels zelf buiten beeld proberen te blijven. De lichtvaardige beschikbaarheid van uitvoerders van dergelijk geweld, zoals de verdachte, vormt een essentiële schakel in het systeem van criminele afrekeningen en afstraffingen in de publieke ruimte.
Naast vergelding spelen de bescherming van de samenleving en generale preventie in deze zaak een belangrijke rol bij de straftoemeting. Het hof zal bij de bepaling van de strafmaat tot uitdrukking brengen dat strafbare feiten als deze tot een krachtige reactie van de strafrechter leiden.
De door de advocaten-generaal geëiste gevangenisstraf is gebaseerd op een andere bewezenverklaring (en dus ook een andere waardering) van het geweldsfeit en doet daarom onvoldoende recht aan de ernst van de feiten die het hof bewezen acht. Het hof onderkent daarbij dat weliswaar sprake is van een poging tot moord, maar dat er geen aanwijzingen in het dossier zijn dat de aanslag reeds vanaf het moment dat die gepland werd gericht was op de dood van het slachtoffer zoals eerder overwogen. Dit in ogenschouw nemend neemt het hof als uitgangspunt voor de bewezenverklaarde poging tot moord een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar.
Redelijke termijn
De redelijke termijn van berechting is in eerste aanleg overschreden. De verdachte is op 7 juli 2020 aangehouden en in verzekering gesteld. De behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg had moeten zijn afgerond met een einduitspraak binnen de, gelet op de duur van de voorlopige hechtenis, aan te leggen maatstaf van 24 maanden na de aanhouding en inverzekeringstelling. De rechtbank heeft op 15 maart 2024 vonnis gewezen. Er is in eerste aanleg dus sprake van een overschrijding met ruim twintig maanden.
De redelijke termijn is ook in hoger beroep overschreden. De behandeling ter terechtzitting in hoger beroep had moeten zijn afgerond met een einduitspraak binnen de, gelet op de duur van de voorlopige hechtenis, aan te leggen maatstaf van 24 maanden nadat hoger beroep is ingesteld. De officier van justitie en de verdachte hebben op respectievelijk 28 en 26 maart 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst arrest op 7 september 2026. Er is in hoger beroep dus sprake van een overschrijding met ruim vijf maanden.
Gelet op de overschrijding van de termijn in beide instanties zal het hof de gevangenisstraf van acht jaar verminderen met zes maanden. Dit betekent dat aan de verdachte een gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd.
De tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Onder [verdachte] is een stroomstootwapen in beslag genomen (inbeslagnamecode ZZKADDA98.01.003).
De advocaten-generaal hebben ten aanzien van het voorwerp de onttrekking aan het verkeer gevorderd.
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het beslag.
Het hof is van oordeel dat het in beslag genomen voorwerp een voorwerp is met betrekking tot welke het onder 2 bewezen verklaarde feit is begaan. Dit voorwerp zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 45, 47, 57, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een stroomstootwapen (inbeslagnamecode ZZKADDA98.01.003).
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. S.M.M. Bordenga en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 september 2026.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
[..]