Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8, 11, 15, 22 en 26 juni 2026 en 26 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 30 november 2019 te Utrecht en/of Soest en/of Amsterdam en/of Nieuwegein en/of Zandvoort en/of Heerlen en/of Vleuten en/of Houten en/of Kerkrade en/of Brunssum en/of Hoensbroek, gemeente Heerlen en/of Voorburg en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meerdere anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
2. primair
hij op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
[medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 9] en/of een of meerdere ander(en) op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 8] en/of die [medeverdachte 7] en/of die [medeverdachte 9] en/of hun/zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 7 september 2019 tot en met 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam te slaan;
meer subsidiair:
[medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 9] en/of een of meerdere ander(en) op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, heeft/hebben toegebracht, door deze opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam te slaan,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 7 september 2019 tot en met 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair:
[medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 9] en/of een of meerdere ander(en) op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 8] en/of die [medeverdachte 7] en/of die [medeverdachte 9] en/of hun/zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 7 september 2019 tot en met 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door:
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waartegen beroep
Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.
Bewijsoverwegingen
Identificatie telefoonnummers, PGP-nummers en Sky-ID’s
Het bewijs dat de verdachten betrokken waren bij de feiten die in dit arrest bewezen worden verklaard, berust onder andere op telefoongegevens en de inhoud van (chat)berichten. Het hof zal hieronder vaststellen welke (crypto)telefoons (hierna ook aangeduid als: PGP), telefoonnummers en Sky-ID’s bij de verdachte en medeverdachten in gebruik waren in de bewezen verklaarde periodes.
Telefoonnummer, PGP-nummer en Sky-ID die worden toegeschreven aan [medeverdachte 1]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ) veelal in de nacht gebruik maakte van Cell-ID’s aan de [adres 2] en de [adres 3] te Soest in de omgeving van de [adres 4] in Soest, het woonadres van [medeverdachte 1] . Bij de aanhouding van [medeverdachte 1] op 20 november 2019 werd een iPhone aangetroffen met daarin de simkaart met het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] . De telefoon is na de aanhouding van [medeverdachte 1] ontgrendeld, door zijn vinger en/of duimafdruk. [medeverdachte 1] heeft op 26 mei 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij de telefoon met dit nummer al jaren gebruikt.
Voorts werd tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] in een zak op de salontafel in de woonkamer een PGP-toestel met goednummer 5839784 aangetroffen. In dat PGP-toestel zat een simkaart met PGP-nummer [PGP-nummer 1] (hierna: * [PGP-nummer 1] ). Het Sky-ID [Sky-ID 1] bleek via de in de metadata geregistreerde gegevens van het IMEI-nummer ( [IMEI-nummer 1] ) en historische verkeersgegevens te zijn gekoppeld aan * [PGP-nummer 1] .
Uit het voorgaande concludeert het hof dat [medeverdachte 1] tot in elk geval 20 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] , het PGP-nummer * [PGP-nummer 1] en het Sky-ID [Sky-ID 1] , en dat hij degene was die hiermee deelnam aan het in de bewijsmiddelen opgenomen berichtenverkeer.
Telefoonnummers en Sky-ID die worden toegeschreven aan [medeverdachte 2]
Het hof concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: * [telefoonnummer 2] ) in de bewezen verklaarde periode in gebruik was bij [medeverdachte 2] . Het IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] (hierna: * [IMEI-nummer 2] )kwam naar voren tijdens de inzet van een IMSI-catcher. Uit opgenomen en afgeluisterde gesprekken bleek dat in het telefoontoestel met voormeld IMEI-nummer een simkaart met het telefoonnummer * [telefoonnummer 2] zat. Op basis van stemherkenning bleek dat [medeverdachte 2] de gebruiker was van * [telefoonnummer 2] . Dit wordt ondersteund door het feit dat het toestel met eerdergenoemd IMEI-nummer in de voor de feiten relevante periode, na de nachtrustperiode, het meest gebruik maakte van de Cell-ID’s aan de [adres 2] en de [adres 3] in Soest. Deze Cell-ID’s zijn gelegen in de omgeving van het woonadres van [medeverdachte 1] aan de [adres 4] te Soest, waar ook [medeverdachte 2] toen verbleef. Verder blijkt uit afgeluisterde telecommunicatie dat * [telefoonnummer 2] frequent contact had met [naam 1] en [naam 2] , de broer en zus van [medeverdachte 2] .
Tevens kwam het IMEI-nummer [IMEI-nummer 3] naar voren bij de genoemde IMSI-catch. Ook op dit nummer werd vervolgens een technische actie uitgevoerd. Hieruit bleek dat het telefoonnummer dat in het toestel met voormeld IMEI-nummer werd gebruikt het nummer [telefoonnummer 12] (hierna: * [telefoonnummer 12] ) was. Uit een CIOT-bevraging bleek dat [medeverdachte 2] als abonnementhouder van * [telefoonnummer 12] stond geregistreerd. Het toestel maakte na de nachtrustperiode bijna dagelijks contact met Cell-ID's in Soest, aan de [adres 2] en de [adres 3] . Zoals hiervoor vermeld, verbleef [medeverdachte 2] daar in de directe omgeving. Dat [medeverdachte 2] in de voor de bewezenverklaring relevante periode de gebruiker was van dit telefoonnummer blijkt verder uit de stemherkenning van vanaf 26 augustus 2019 gevoerde gesprekken met de * [telefoonnummer 12] . Uit dit alles leidt het hof af dat [medeverdachte 2] in de bewezen verklaarde periode, in elk geval vanaf 25 juni 2019, de gebruiker was van * [telefoonnummer 12] .
Voorts werd tijdens een doorzoeking van de woning aan de [adres 5] in Utrecht op 26 november 2019 een PGP-telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 4] in beslag genomen. [medeverdachte 2] stond toen op dit adres ingeschreven. Uit de SkyECC-metadata volgt dat het IMEI-nummer van die aangetroffen PGP-telefoon gekoppeld was aan Sky-ID [Sky-ID 2] , met als gebruikersnaam ‘[gebruikersnaam]’ en actief was in de periode van 20 november 2019 tot en met 25 november 2019. Het hof concludeert, omdat deze PGP-telefoon in de woning van [medeverdachte 2] is aangetroffen, in combinatie met de omstandigheid dat het procesdossier geen enkele aanwijzing bevat dat een ander dan [medeverdachte 2] de gebruiker was van die telefoon en dat Sky-account – hetgeen overigens door of namens [medeverdachte 2] ook niet is weersproken – dat [medeverdachte 2] in deze periode de gebruiker was van deze telefoon en dit Sky-account.
PGP-nummers en Sky-ID’s die worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] / [medeverdachte 2]
Tijdens een IMSI-scan op [medeverdachte 2] op onder meer 2 september 2019 kwam het IMSI-nummer [IMSI-nummer 1] (hierna * [IMSI-nummer 1] ) naar voren. Dit IMSI-nummer is gekoppeld aan het PGP-nummer [PGP-nummer 2] (hierna: * [PGP-nummer 2] ), zo bleek uit onderzoek aan het IMEI-nummer dat gekoppeld was aan * [IMSI-nummer 1] . Het betrof een PGP-nummer dat actief was in de periode van 18 augustus 2019 tot en met 18 september 2019. In deze periode maakte het toestel, na de nachtrustperiode, gebruik van de Cell-ID’s aan de [adres 2] 17 of de [adres 3] in Soest, gelegen dus in de omgeving van het woonadres van [medeverdachte 1] aan de [adres 4] te Soest. Op dit adres verbleef als gezegd toen ook [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] was van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 in [land] . * [PGP-nummer 2] was in die periode, te weten in de periode tussen 22 augustus 2019 en 30 augustus 2019, uitsluitend actief geweest in het [land] netwerk. Hieruit, in combinatie met de hiervoor genoemde bevindingen, leidt het hof af dat * [PGP-nummer 2] in de periode van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 in gebruik was bij [medeverdachte 1] . Het hof concludeert, nu dit nummer tijdens een IMSI-scan tot twee keer toe op 2 september 2019 naar voren is gekomen bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] toen verbleef in de woning die onder de dekking van de hiervoor genoemde Cell-ID’s in Soest viel, dat ook [medeverdachte 2] in de periode vanaf in elk geval 31 augustus 2019 de (mede)gebruiker van dit nummer was.
Het nummer * [PGP-nummer 2] werd gebruikt in een telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 5] (* [IMEI-nummer 5] ). Met deze telefoon werd het Sky-ID [Sky-ID 3] met de bijnamen [gebruikersnamen 1] ’ gebruikt.
Het hof concludeert op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dit Sky-ID gebruikten.
Het PGP-nummer [PGP-nummer 3] (hierna: * [PGP-nummer 3] ) is op 7 mei 2019 geactiveerd. Het nummer werd gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 6] en was in gebruik in de periode van 25 juni 2019 tot en met 24 september 2019. Uit een analyse van historische telecomgegevens van * [PGP-nummer 3] in relatie tot andere nummers in gebruik bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijkt het volgende. Tijdens de reis naar [land] van [medeverdachte 1] in de periode van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 had * [PGP-nummer 3] registraties in Nederland en was er wat betreft locaties en tijdstippen waar de * [PGP-nummer 3] zich dan bevond, samenhang te zien met * [telefoonnummer 12] en * [telefoonnummer 2] van [medeverdachte 2] . Die samenhang liep door tot en met 5 september 2019. Voor het vertrek van [medeverdachte 1] naar [land] waren er vanaf 25 juni 2019 meerdere dagen waarop * [PGP-nummer 3] samenhangende registraties in tijd en plaats had met * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] . Op grond hiervan, in combinatie met de omstandigheid dat * [PGP-nummer 3] in voormelde periode onder meer in de nacht gebruik maakte van Cell-ID’s aan de [adres 3] en [adres 2] in Soest, concludeert het hof dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in deze periode de gebruikers waren van * [PGP-nummer 3] . Dit nummer was gekoppeld aan het Sky-ID [Sky-ID 4] met de gebruikersnamen ‘ [gebruikersnamen 2] ’, hetgeen impliceert dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook de gebruikers van dat Sky-ID waren.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) is vanaf in elk geval 11 oktober 2019 gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 7] (* [IMEI-nummer 7] ). In afgeluisterde gesprekken werden zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] op basis van hun stem herkend als de gebruiker van * [telefoonnummer 3] . Ook noemde [medeverdachte 1] in meerdere gesprekken zijn naam. Verder vertoonde * [telefoonnummer 3] een vergelijkbaar bewegingspatroon wat betreft tijd en plaats ten opzichte van telefoonnummers van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 1] ) en [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 12] ). Op basis hiervan stelt het hof vast dat zowel [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de gebruikers waren van het telefoonnummer * [telefoonnummer 3] .
Telefoonnummers die worden toegeschreven aan [medeverdachte 3]
Op 26 november 2019 is tijdens een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 3] ( [adres 6] in Utrecht) een Nokia-telefoon type 105 met IMEI-nummer [IMEI-nummer 8] in beslag genomen. Uit historische verkeersgegevens volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) in de periode van 13 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 in gebruik was in die telefoon.
Uit tapgesprekken tussen het telefoonnummer van de vader van [medeverdachte 3] en * [telefoonnummer 3] volgt dat de gebruiker van * [telefoonnummer 3] opnam met “Hallo pa” en de vader van [medeverdachte 3] antwoordde met “Hee [voornaam 1] ”. [voornaam 1] is de voornaam van [medeverdachte 3] . Ook zijn er meerdere berichten in de telefoon aangetroffen van het telefoonnummer van de vader van [medeverdachte 3] waarin hij de gebruiker van * [telefoonnummer 3] aansprak met “ [voornaam 1] ” en “m’n geliefde zoon”.
Op grond van het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat [medeverdachte 3] in de periode van 13 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 de gebruiker was van * [telefoonnummer 3] .
Ook concludeert het hof dat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna: * [telefoonnummer 4] ) werd gebruikt door [medeverdachte 3] in de periode van 2 juli 2019 tot en met 7 augustus 2019. Dit nummer maakte in de nachtelijke uren het meest gebruik van een Cell-ID aan de [adres 7] in Utrecht, gelegen in de directe omgeving van de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres 6] . Het nummer * [telefoonnummer 4] had het meeste contact met telefoonnummers die werden gebruikt door de vader van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] , de vriendin van [medeverdachte 3] . Verder zijn in de telefoon van [betrokkene 1] WhatsApp-berichten aangetroffen tussen haar en * [telefoonnummer 4] , waarin de gebruiker van * [telefoonnummer 4] ‘ [voornaam 1] ’ werd genoemd.
Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat het telefoonnummer [telefoonnummer 5] (hierna * [telefoonnummer 5] ) op verschillende dagen in oktober 2019 door [medeverdachte 3] werd gebruikt, zulks gelet op het onderzoek naar de onder [betrokkene 1] (vriendin van [medeverdachte 3] ) in beslag genomen iPhone XS op 12 december 2019. [betrokkene 1] voegde op 17 september 2019 dit telefoonnummer aan haar contactenlijst toe onder de naam [bijnaam 3] . [bijnaam 3] is een bijnaam van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] werd voorts tijdens gesprekken aan zijn stem herkend. Overigens werd dit nummer ook gebruikt door [medeverdachte 11] , die door verbalisanten ook aan zijn stem werd herkend.
Uit het onderzoek naar de onder [betrokkene 1] in beslag genomen iPhone XS op 12 december 2019 bleek verder dat zij op 16 oktober 2019 het contact ‘ [voornaam 1] ’ met telefoonnummer [telefoonnummer 6] (hierna: * [telefoonnummer 6] ) aan de contactenlijst heeft toegevoegd. Uit tapgesprekken blijkt dat de gebruiker van * [telefoonnummer 6] zichzelf [medeverdachte 3] noemde. Voorts werd [medeverdachte 3] aan zijn stem herkend tijdens gesprekken die met de * [telefoonnummer 6] worden gevoerd. Het hof concludeert dan ook dat [medeverdachte 3] de gebruiker was van * [telefoonnummer 6] .
PGP-nummer en Sky-ID die worden toegeschreven aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]
Aan het PGP-nummer [PGP-nummer 4] (hierna: * [PGP-nummer 4] ) was het IMEI-nummer [IMEI-nummer 9] (* [IMEI-nummer 9] ) gekoppeld. Dit is naar voren gekomen uit IMSI-scan sessies en historische printgegevens.
Uit de verkeersgegevens volgt dat * [PGP-nummer 4] ook was gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMSI-nummer 2] (* [IMEI-nummer 10] ). Het PGP-nummer * [PGP-nummer 4] was tussen 15 augustus 2019 en 20 november 2019 actief geweest in het Nederlandse mobiele netwerk, zo blijkt uit de verkeersgegevens van dit nummer. In de periode van 15 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 maakte de * [PGP-nummer 4] tijdens de voor de nachtrust bestemde uren het meest gebruik van Cell-ID’s gelegen aan de [adres 7] en de [adres 8] in Utrecht. Deze Cell-ID’s liggen in de omgeving van het BRP-adres van [medeverdachte 3] , aan de [adres 6] in Utrecht. Uit analyse van de telecombewegingen van * [telefoonnummer 3] , dat in gebruik was bij [medeverdachte 3] zoals hierboven uiteengezet, volgt dat de * [PGP-nummer 4] op meerdere dagen in de periode van 19 augustus 2019 tot en met 1 oktober 2019 ‘meebewoog’ met * [PGP-nummer 4] . Op grond van dit alles komt het hof tot de conclusie dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van * [PGP-nummer 4] .
In de periode van 8 oktober 2019 tot 19 november 2019 was de * [PGP-nummer 4] meerdere malen actief in Soest. Op deze momenten waren de * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] (hierboven uiteengezet) en * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 12] van [medeverdachte 2] (hierboven uiteengezet) op dezelfde data – te weten 16 oktober 2019, 21 oktober 2019, 5 november 2019, 10 november 2019 en 19 november 2019 – en rond dezelfde tijdstippen ook actief in Soest. Daarnaast bewogen de * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] en de * [telefoonnummer 2] van [medeverdachte 2] op 11 oktober 2019 mee met de * [PGP-nummer 4] van Rotterdam naar Amsterdam en op 28 oktober 2019 bewogen de * [telefoonnummer 1] en * [telefoonnummer 12] mee met de * [PGP-nummer 4] van Soest naar Nieuwerkerk aan de IJssel. Tot slot werd [medeverdachte 1] op 20 november 2019 aangehouden, terwijl hij reed in een Peugeot. In deze auto werd onder andere een Apple iPhone aangetroffen. Deze telefoon bevatte een simkaart met het IMSI-nummer [IMSI-nummer 2] (kennelijk abusievelijk vermeld als [IMSI-nummer 2] ). Sky-ID [Sky-ID 5] werd via de geregistreerde IMEI-nummers gekoppeld aan * [PGP-nummer 4] .
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat zowel [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] in voornoemde periode de gebruikers waren van de telefoonnummers * [PGP-nummer 4] en daarmee het Sky-ID [Sky-ID 5] en aldus dat zij degene waren die via dit nummer en dit account deelnamen aan het in de bewijsmiddelen opgenomen berichtenverkeer.
PGP-nummers die worden toegeschreven aan [medeverdachte 4]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat PGP-nummer [PGP-nummer 5] (hierna: * [PGP-nummer 5] ) bij [medeverdachte 4] in gebruik was in de bewezen verklaarde periode. Uit een analyse van historische telecomgegevens blijkt dat tot 29 juli 2019 de * [PGP-nummer 5] in de nachtelijke uren het meest gebruik maakte van Cell-ID’s in de directe omgeving van de [adres 9] in Utrecht, het adres van de oma van [medeverdachte 4] , waar hij destijds woonde. Daarnaast is op camerabeelden te zien dat [medeverdachte 4] op 16 augustus 2019 een Renault met kenteken [kenteken 1] de garagebox aan de [straat garagebox] uitreed. * [PGP-nummer 5] bewoog vervolgens samen met deze Renault mee. Op 16 augustus 2019 wisselde [medeverdachte 4] van * [PGP-nummer 5] naar het PGP-nummer [PGP-nummer 6] (* [PGP-nummer 6] ). Het bewegingspatroon bleef na deze overgang gelijk. Ten slotte zijn er overeenkomsten tussen de registraties van de OV-chipkaart van [medeverdachte 4] en de aansluitende en/of opvolgende registraties van * [PGP-nummer 5] .
Naar aanleiding van vergelijkend onderzoek binnen opgevraagde historische verkeersgegevens afkomstig van de netwerkmetingen Imstenrade te Amsterdam en de wijk Oud Zuilen te Utrecht kwam één gemeenschappelijk PGP-nummer naar voren, te weten het PGP nummer * [PGP-nummer 6] . Uit de historische verkeersgegevens volgt dat * [PGP-nummer 6] is gebruikt in de telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 11] (hierna: * [IMEI-nummer 11] ). In de nachtelijke uren maakte * [PGP-nummer 6] gebruik van Cell-ID’s aan de [adres 10] , [adres 11] en [adres 12] in Utrecht. Deze Cell-ID’s zijn gelegen in de directe omgeving van de [adres 13] , het verblijfadres waar [medeverdachte 4] sinds 13 september 2019 ingeschreven stond. Verder blijkt uit de reisgegevens van de OV-chipkaart van [medeverdachte 4] dat de weergegeven locaties bij het reizen met het openbaar vervoer aansluiten op geregistreerde Cell-ID’s in de historische verkeersgegevens van * [PGP-nummer 6] .
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 4] in de periode van in elk geval 29 juli 2019 tot en met 16 augustus 2019 de gebruiker was van het PGP-nummer * [PGP-nummer 5] en vanaf 16 augustus 2019 de gebruiker van de * [PGP-nummer 6] .
Sky-ID die wordt toegeschreven aan [medeverdachte 5]
Het hof concludeert dat [medeverdachte 5] in de bewezen verklaarde periode de gebruiker was van het Sky-account [Sky-ID 6] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [verdachte]
gaf op 8 augustus 2019 zijn telefoonnummer op bij de politie. Dit betreft het telefoonnummer [telefoonnummer 7] (hierna: * [telefoonnummer 7] ). is, zo volgt uit de bewijsoverwegingen, een contact van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Uit afgeluisterde gesprekken van de * [telefoonnummer 7] volgt dat de gebruiker van die * [telefoonnummer 7] op 4 november 2019 telefonisch contact had met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [verdachte] in de periode van in elk geval 8 augustus 2019 tot en met 4 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 7] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 7]
Met een IMSI-catcher werd op 21 februari 2020 is het IMSI-nummer [IMSI-nummer 3] verkregen. Telefoonnummer [telefoonnummer 8] (hierna: * [telefoonnummer 8] ) was aan dit IMSI-nummer gekoppeld. Uit de historische verkeersgegevens van * [telefoonnummer 8] bleek dat het telefoonnummer frequent contact had met het telefoonnummer van de zus van [medeverdachte 7] . Verder bleek uit de historische verkeersgegevens dat * [telefoonnummer 8] op 30 december 2019 om 16 :48 uur en 17:33 uur meerdere zendmasten heeft aangestraald in [plaats]. Uit de politiesystemen bleek dat [medeverdachte 7] op dat moment in [plaats] werd gecontroleerd.
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 7] de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] . Het hof concludeert ook dat [medeverdachte 7] in oktober 2019, rond het moment van het geweld tegen [slachtoffer] , de gebruiker was van de * [telefoonnummer 8] . Redengevend daarvoor acht het hof dat de * [telefoonnummer 8] frequent contact had met onder meer het telefoonnummer [telefoonnummer 14]. Dit telefoonnummer wordt blijkens politiesystemen gekoppeld aan [betrokkene 2]. [medeverdachte 7] is op 22 februari 2019 samen met [betrokkene 2] gecontroleerd. Overigens heeft [medeverdachte 7] niet ontkend dat hij op en rond 30 oktober 2019 de gebruiker was van de * [telefoonnummer 8] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 8]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 8] op 25 november 2019 bij de politie het telefoonnummer [telefoonnummer 9] (hierna: * [telefoonnummer 9] ) als zijn telefoonnummer heeft opgegeven. Dat dit zijn telefoonnummer was wordt ook onderbouwd door het feit dat de * [telefoonnummer 9] frequent contact had met telefoonnummer * [telefoonnummer 8] van [medeverdachte 7] en dat uit historische verkeersgegevens bleek dat * [telefoonnummer 9] op 16 oktober 2019 tussen 00:30 uur en 00:35 uur zendmasten aanstraalde in de omgeving van Lunetten, terwijl uit de politiesystemen volgt dat [medeverdachte 8] rond dat tijdstip in de omgeving van Lunetten werd gecontroleerd.
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 8] in elk geval in de periode van 16 oktober 2019 tot en met 25 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 9]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 10] (hierna: * [telefoonnummer 10] ) tot 7 maart 2020 in de nachtelijke uren voornamelijk mastgegevens in de omgeving van het woonadres van [medeverdachte 9] ([adres 27] in Tiel) aanstraalde. Dit telefoonnummer kwam in beeld in het onderzoek naar aanleiding van het geweldsfeit jegens [slachtoffer] op 30 oktober 2019, te weten na de DNA-match van [medeverdachte 9] met één van de bivakmutsen die op 1 november 2019 in de garagebox was aangetroffen (zie verder hierna) en na onderzoek van de telefoon van [medeverdachte 7] . Na 7 maart 2020 stopte het gebruik van de * [telefoonnummer 10] . Tot deze datum waren de belangrijkste tegencontacten van * [telefoonnummer 10] zijn vriendin, broer, vader, moeder en [medeverdachte 7] .
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 9] vanaf in elk geval 30 oktober 2019 tot en met 7 maart 2020 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 10] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 10]
Uit tapgesprekken van [medeverdachte 2] met zijn telefoonnummer * [IMEI-nummer 2] volgt dat hij geregeld contact had met het telefoonnummer [telefoonnummer 11] (hierna: * [telefoonnummer 11] ). Het IMEI-nummer [IMEI-nummer 12] bleek gekoppeld aan het nummer * [telefoonnummer 11] . Uit de CIOT-bevraging bleek dat het telefoonnummer op naam stond van [voornaam 2] , wonende op hetzelfde adres als [medeverdachte 10] . Uit de specifieke inhoud van de afgeluisterde gesprekken blijkt dat * [telefoonnummer 11] in gebruik was bij [medeverdachte 10] .
Het hof stelt op basis van dit alles, in onderlinge samenhang bezien, vast dat [medeverdachte 10] in elk geval in de maand september 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 11] .
FEIT 2: POGING TOT MOORD
Standpunt Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad. De bedoeling was dat [slachtoffer] zou worden mishandeld. [verdachte] heeft een rol gespeeld bij de voorbereiding daarvan. Daarnaast trad hij tijdens het geweldsincident op als chauffeur en zorgde hij er na het incident voor dat het voertuig waarin de uitvoerders zaten werd verplaatst. [verdachte] wist dat voor de mishandeling gebruik zou worden gemaakt van zware slagvoorwerpen en moet dus ook geweten hebben dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, hetgeen ook is gebeurd.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd. [verdachte] erkent dat hij in eerste instantie wilde fungeren als de chauffeur bij de mishandeling die in die avond zou plaatsvinden, maar hij is op het laatste moment afgehaakt, toen hem duidelijk werd dat [slachtoffer] – die hij persoonlijk kent – het doelwit was. Er is geen bewijs dat [verdachte] wel als chauffeur is opgetreden bij de mishandeling. [verdachte] heeft het busje na het geweldsfeit niet weggebracht, maar hij is er achter aangereden. Verder heeft de verdediging betoogd dat er geen sprake is van voorbedachte raad omdat het feit dat [verdachte] niet wist dat het om [slachtoffer] ging aantoont dat hij niet of slechts beperkt op de hoogte was van de actie.
Het oordeel van het hof
Alhoewel de verdediging zich niet heeft uitgelaten over het primair ten laste gelegde medeplegen poging moord dan wel doodslag, zal het hof het pleidooi aldus begrijpen dat integrale vrijspraak van deze ten laste gelegde variant is verzocht.
Het hof komt, anders dan de rechtbank, de verdediging en de advocaten-generaal, tot de conclusie dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord, zoals primair ten laste gelegd. Hoewel het hof dus komt tot een andere bewezenverklaring en een andere kwalificatie van het feit dan de rechtbank, kan het hof zich wel grotendeels vinden in de vaststelling van de feiten door de rechtbank. Het hof zal die vaststellingen grotendeels overnemen, zoals hieronder weergegeven.
Redengevende feiten en omstandigheden
Op 30 oktober 2019 rond 23:30 uur wordt op de [adres 14] in Utrecht [slachtoffer] door drie personen in elkaar geslagen. Ze vluchten met een Volkswagen Transporter. Een vierde persoon bestuurt de Volkswagen Transporter waarin de uitvoerders zaten. Op de plaats delict blijft een slaghamer van ongeveer een meter lang met een zwart/geel handvat van het merk ‘Stanley’ achter.
Gebeurtenissen op 10 oktober 2019
Op 10 oktober 2019 wordt rond 22:50 uur aan de [adres 15] in Utrecht een gestolen Volkswagen Multivan met valse kentekenplaten ( [kenteken 2] ) aangetroffen en door de politie in beslaggenomen (zaaksdossier 9). In het busje worden onder andere een slaghamer, twee klauwhamers, kabelbinders, een honkbalknuppel, bivakmutsen, handschoenen en een zwarte pet aangetroffen. Om 23:23 uur belt [medeverdachte 3] (* [telefoonnummer 5] ) met [medeverdachte 11] (* [telefoonnummer 3] ) en zegt: ‘is een tweede ‘liefje’ (het hof begrijpt in deze context: een auto van de politie) bij komen kijken’. [medeverdachte 11] antwoordt: ‘Kanker en al die dingen liggen er nog in he…alles DNA alles jongen.’ Het DNA van [medeverdachte 11] matcht met DNA op een in het busje aangetroffen honkbalknuppel, hamers, bivakmutsen, handschoenen, deurbediening rechter schuifdeur en voorzijde oppervlak stuurwiel van het busje; het DNA van [medeverdachte 3] matcht met DNA op bivakmutsen en voorzijde oppervlak stuurwiel. Ook van [verdachte] is een DNA-match vastgesteld met een in het busje veiliggesteld spoor, te weten op de hoofdsteun linksvoor.
In de onder [verdachte] in beslag genomen iPhone wordt een filmpje aangetroffen dat sinds 11 oktober 2019 om 22:14 uur op de telefoon is opgeslagen. Hierop is te zien dat een donkerkleurig bestelbusje onder begeleiding van vier politieauto’s wordt afgevoerd door een sleepwagen. Het filmpje is gemaakt bij de kruising [adres 6] met de [adres 28] in Utrecht. In het filmpje wordt ingezoomd op de sleepwagen en takelwagen en is te horen dat een man, die samen met in ieder geval een ander is, spreekt over ‘die bus’ en meermalen tegen de ander zegt te kijken. In deze telefoon zijn ook telefoonnummers gevonden van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 1] ), [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 12] en * [telefoonnummer 2] ) en [medeverdachte 3] (* [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 4] ).
In een OVC-gesprek van 26 november 2019 in de Nissan Micra van [betrokkene 1] wordt gesproken over iemand die bij de [adres 18] , bij de molen, helemaal ‘naar de kanker’ was geslagen, dat [medeverdachte 3] (‘ [voornaam 1] ’) dat eigenlijk met [medeverdachte 11] (‘ [bijnaam 1] ’) had moeten doen, dat daarbij een busje was en dat [medeverdachte 3] zijn bivakmuts met DNA erin had laten liggen, dat er spullen in het busje lagen om iemand mee knock-out te slaan zoals mokers, dat het busje in beslag genomen was en dat dit geëscorteerd werd door de politie, dat [medeverdachte 3] dit vanuit zijn huis heeft gefilmd en dat hij nog naar het politiebureau wilde gaan om het busje in de fik te steken. Hieruit volgt dat het genoemde filmpje op de telefoon van [verdachte] betrekking heeft op (het afvoeren van) de Volkswagen Multivan.
Gebeurtenissen tussen 11 oktober 2019 en 15 oktober 2019
Op 11 en 12 oktober 2019 worden verschillende telefoongesprekken opgenomen en afgeluisterd.
Op 11 oktober 2019 om 19:19 uur citeert [medeverdachte 2] in een gesprek met [medeverdachte 3] een opdracht: ‘Hij moet posten en plakken die kanker C3’, ‘en als hij die hond ziet weggaan, kijken hoe en wat’ en ‘ze kankermoeder moet vandaag geket worden. No joke’.
Om 20:00 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] en zegt dat ‘die ene ding er niet staat’ en dat ‘meneer zelf achter op een Vespa’ langsreed. [medeverdachte 3] vraagt [medeverdachte 2] wat te doen, want waar hij is, is geen ‘place to be’ en ze rijden rondjes. Na het gesprek met [medeverdachte 2] belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 11] . [medeverdachte 11] zegt dat ‘die ene kap, met zwarte ding erboven […] begint met [getal] ’.
Die dag tussen 22:30 uur en 23:30 uur haalt [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] op van luchthaven Schiphol met de Peugeot van [medeverdachte 1] . Even later, op 12 oktober 2019 om 00:52 uur vindt een OVC-gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in die Peugeot. [medeverdachte 1] zegt dat ze naar ‘ [voornaam slachtoffer] zijn huis’ (het hof begrijpt: de woning van [slachtoffer] ) rijden. Blijkens het baken op de Peugeot zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om 01:12 uur op de [adres 16] te Utrecht. [medeverdachte 1] zegt op dat moment tegen [medeverdachte 2] dat hij terug moet rijden en: ‘Die C3 daar, rij, ga eens daarnaartoe, die grijze, volgens mij is dat hem’, ‘Kenteken is [getal] nog wat’. Ook is te horen dat er foto’s worden gemaakt. Om 01:20 uur rijden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met de Peugeot over de [adres 16] in de richting van de [adres 14] in Utrecht en ze stoppen op de [adres 17] . Hierna rijden ze richting de woning van [medeverdachte 1] in Soest.
Uit onderzoek volgt dat [slachtoffer] een grijze Citroën C3 met kenteken [kenteken 3] in gebruik heeft en dat hij woont op [adres 16] [huisnummer 4] in Utrecht. Uit onderzoek in een bij de doorzoeking van het huis van [medeverdachte 1] in beslag genomen Nokia 105 telefoon komt naar voren dat [medeverdachte 1] het telefoonnummer van [slachtoffer] heeft geprobeerd te achterhalen. Het hof stelt, mede aan de hand hiervan, vast dat de hiervoor genoemde gesprekken betrekking op het observeren van (voertuigen en het woonadres van) [slachtoffer] .
Gebeurtenissen tussen 23 oktober 2019 en 24 oktober 2019
Op 23 oktober 2019 voeren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om 01:34 uur een gesprek in de Peugeot. [medeverdachte 1] vraagt [medeverdachte 2] of hij ‘hem’ laatst 150 euro had gegeven om die spullen te halen en of een hamer 30 euro kost. [medeverdachte 2] zegt dat hij ‘hem’ twee barkie (het hof begrijpt: 200 euro) heeft gegeven. [medeverdachte 1] zegt dat er een moker moest worden gehaald.
Op 23 oktober 2019 zitten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rond 21:31 uur wederom in de Peugeot. [medeverdachte 1] zegt desgevraagd tegen [medeverdachte 2] dat hij naar ‘de molen’ moet rijden. [medeverdachte 2] vraagt of hij naar rechts moet, naar de [adres 16] , waarop [medeverdachte 1] bevestigend antwoordt. Uit de bakengegevens van de Peugeot blijkt dat het voertuig rond 21:40 uur staat geparkeerd aan de [adres 16] in Utrecht ter hoogte van perceelnummer [huisnummer 2] – vlak bij het woonadres van [slachtoffer] dus. In een OVC-gesprek is te horen dat [medeverdachte 1] zegt dat ‘hij’ op nummer [huisnummer 1] woont en dat [medeverdachte 2] daar ergens moet parkeren. Op een gegeven moment, rond 21:47 uur, zegt [medeverdachte 1] : ‘Volgens mij is hij het broer’.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 13] (hierna: * [telefoonnummer 13] ) van [slachtoffer] straalt die dag rond 21:21 uur een zendmast aan in de omgeving van de [adres 16] , de zendmast aan de [adres 18] in Utrecht. Omstreeks 21:49 uur straalt zijn telefoonnummer een zendmast aan in de [adres 19] in Utrecht.
De Peugeot rijdt rond 21:57 uur weer en lijkt, op basis van een afgeluisterd gesprek, een ander voertuig te volgen. [medeverdachte 2] zegt: ‘Drie auto’s voor ons precies’. [medeverdachte 1] zegt: ‘Afstand, je hebt te grote afstand, dichterbij’ en ‘Nu mogen er auto’s tussenkomen, (ntv) is ook weer opvallend’. De bakengegevens van de Peugeot laten zien dat het voertuig vanaf de [adres 16] wordt gereden in de richting van de wijk Kanaleneiland in Utrecht. Uit de zendmastgegevens van de getapte telecommunicatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijkt dat zij beiden met de Peugeot meereizen.
Gebeurtenissen op 30 oktober 2019 voorafgaand aan het geweldsmisdrijf
Op 30 oktober 2019 stuurt [medeverdachte 5] om 19:07 uur (UTC+1) berichten met het Sky-ID [Sky-ID 6] naar het Sky-ID [Sky-ID 1] van [medeverdachte 1] : ‘Zet chauf klaar. Spullen alles. Vandaag actie’. Om 19.36 uur schrijft [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 1] : ‘Zorg dat we die hond op goeie plek hebben zo. Oke jongens zijn er met een uur! Bus afgetankt hamers erin alles. Oke top broer kk hond wordt tijd’.
Om 20:35 uur vindt in de Peugeot een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een derde persoon die in de Peugeot stapt. Deze derde persoon wordt aan zijn stem herkend als [verdachte] . [medeverdachte 1] vraagt wat de planning is en of ze hem nu gelijk gaan pakken. [medeverdachte 1] zegt dat hij in de buurt is, dat hij gaat bellen om handel bij hem te halen en dat ze hem dan gelijk gaan pakken. [medeverdachte 1] zegt dat die jongens er met een kwartiertje zijn, dat de bus klaar staat en dat hij er nu even alles in gaat stoppen. Even later zegt [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat de bus niet verbrand moet worden. [verdachte] vraagt waar die naartoe moet, waarop [medeverdachte 1] zegt dat de bus gewoon safe moet staan om de volgende dag weer gebruikt te worden.
Later die avond, om 21:42 uur, vraagt [verdachte] wat de planning is. [medeverdachte 1] zegt dat ze ‘naar die jongens toegaan’. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ‘die boys gaan ophalen’, waarop [medeverdachte 1] zegt: ‘Nee die boys zijn er broer. Die boys gaan mij niet meer zien. Die boys gaan jou zien. Alleen jij mag mij zien zeg maar’.
Om 22:44 uur vindt in de Peugeot een voorbespreking plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over een te voeren telefoongesprek. [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 1] hem precies uit te leggen wat hij moet zeggen. [medeverdachte 1] geeft hem instructies: ‘Wat gaan we zeggen. He man, bro. Kan ik nog wat bij je halen ja of nee. Zeg, yo, met Huranger (fon.). Met Junes (fon.). Gewoon zeggen, he Leidse Rijn. Heb je nog wat of niet? Het gaat om handel hier. Gewoon zeggen ik heb nu wat nodig’. [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 1] waar hij moet komen en wanneer. [medeverdachte 1] : ‘Zeg maar tegen hem waar hij wilt. Jij moet zeggen kom maar naar jou toe als je wilt. Als je kan, zeg maar ik ben op de weg, maar maakt niet uit. Snap je?’. [medeverdachte 2] : ‘Anders zeg ik gewoon Overvecht?’. [medeverdachte 1] : ‘Dan zeg je tegen hem, dan over een half uurtje ben ik. Half uurtje in [naam 3] ’. Om 22:47 uur zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] dat hij ‘ [voornaam slachtoffer] ’ (fon.) heet.
[medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 3] ) probeert meerdere keren contact op te nemen met [slachtoffer] (* [telefoonnummer 13] ). De derde keer wordt er opgenomen. [medeverdachte 2] stelt zich voor als Yunes uit Leidse Rijn, zegt dat hij wat nodig heeft en vraagt of dat gaat lukken. [slachtoffer] zegt dat hij niet weet waar het over gaat en beëindigt het gesprek.
Om 22:53 uur is in de Peugeot te horen dat [medeverdachte 1] aan de telefoon tegen [verdachte] zegt dat ze in een grijze Peugeot zitten bij [naam 4] , bij de [adres 20] .
Intussen ontvangt [medeverdachte 1] op zijn Sky-ID [Sky-ID 1] berichten van het Sky-ID [Sky-ID 6] van [medeverdachte 5] . Tussen 22:46 uur en 23:07 uur stuurt [medeverdachte 5] onder andere de volgende berichten naar [medeverdachte 1] (waarbij de tegenberichten van [medeverdachte 1] niet zijn afgevangen): ‘Mijn jongens kunnen niet buiten blijven bro. Hoe lang broer. Want ze wachten echt lang. Peugeot. Hoe lang +- voor hond er is. Oke waar is fucking driver man. En [sisha lounge] goed??? Wel echt kk druk daar heh maar denk hij haalt het dan van osso???? Want hij woont er achter. Oke broer dus nu naar ze osso gaan timeren? Oke perfect jongens zijn klaar en ze moeten dichtbij proberen! Yallah bro gas erop!!’.
Om 23:02 uur rijdt de Peugeot nabij de [adres 21] ter hoogte van de kruising met de [adres 22] . Op dat moment wordt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 3] ) teruggebeld door [slachtoffer] (* [telefoonnummer 13] ). [medeverdachte 2] zegt dat hij met tien à vijftien minuten in Overvecht zal zijn. Daarop zegt [slachtoffer] dat [medeverdachte 2] naar de molen bij de [sisha lounge] toe moet komen. [medeverdachte 2] zegt dat dat goed is. In de directe omgeving van een shishalounge genaamd [sisha lounge] aan de [adres 29] te Utrecht staat een molen genaamd [naam 5] op de [adres 14] in Utrecht.
Om 23:03 uur stapt [verdachte] weer in de Peugeot en vindt er een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . [verdachte] vraagt naar de handschoenen en [medeverdachte 2] zegt dat alles in de wagen zit. [medeverdachte 2] vraagt aan [verdachte] of hij van tevoren nog handschoenen wil, ‘want jij bent die driver’. ‘Ja tuurlijk’, zegt [verdachte] . [medeverdachte 2] zegt: ‘Hij zegt kom naar [sisha lounge] ’. ‘Wie?’, vraagt [verdachte] . [medeverdachte 2] antwoordt: ‘..dinge, [voornaam slachtoffer] ’. [verdachte] zegt dat hij met hun gelijk naar de auto rijdt. [medeverdachte 2] zegt dat hij met hem heeft afgesproken, dat hij zei dat [medeverdachte 2] daarnaartoe moest komen en dat [verdachte] dus alvast naar [sisha lounge] moet gaan rijden en voor de deur moet parkeren. [medeverdachte 1] bevestigt dat hij voor de deur moet parkeren.
[medeverdachte 2] wordt om 23:15 uur weer gebeld door [slachtoffer] . [medeverdachte 2] zegt dat hij bijna in Overvecht is en van daar gelijk naar hem doorrijdt. [slachtoffer] zegt dat hij bij de molen op hem zit te wachten. Rond 23:18 uur wordt de Peugeot geparkeerd in de omgeving van de [adres 24] in Utrecht en stappen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit. [medeverdachte 2] voert via een zendmast aan de [adres 23] , in de omgeving van de [adres 24] , nog een aantal telefoongesprekken met [slachtoffer] . In het telefoongesprek om 23:24 uur zegt [medeverdachte 2] tegen [slachtoffer] dat hij met twee, drie minuten bij de molen zal zijn. Ook om 23:30 uur zegt [medeverdachte 2] tegen [slachtoffer] dat hij er met twee minuten zal zijn.
Geweldsmisdrijf van 30 oktober 2019
[slachtoffer] wordt op 30 oktober 2019 rond 23:30 uur aan de [adres 14] in Utrecht door drie mannen in elkaar geslagen. De drie mannen gebruiken hierbij slagwapens en dragen bivakmutsen.
De politie ontvangt de melding van het geweldsincident rond 23:30 uur. Het voertuig van de verdachten, een grijze Volkswagen Transporter, zou zijn weg gereden richting Overvecht.
De politie komt rond 23:31 uur aan op de [adres 14] en treft [slachtoffer] op straat aan. Hij is niet aanspreekbaar en bloedt uit zijn hoofd. Op twee meter afstand van [slachtoffer] ziet de politie een hamer met lange steel, een slaghamer, rechtop staan. Rondom de slaghamer ligt bloed en dons van de jas van [slachtoffer] .
[slachtoffer] verklaart dat hij op 30 oktober 2019 op de kruising van de [adres 14] met de [adres 16] stond en dat hij op een gegeven moment in de [adres 25] een grijze Volkswagen Transporter zag staan waar twee of drie jongens uitstapten en iemand achter het stuur zat. Twee jongens hielden een moker vast in hun hand. Een andere persoon hield ook iets in zijn hand vast. De jongens renden op hem af en [slachtoffer] rende weg. De jongens haalden hem in en sloegen hem met de moker die zij in hun hand hadden. [slachtoffer] voelde dat hij werd geraakt op zijn hoofd, rug, schouders, armen en benen. Hij viel daarbij op de grond. Hij voelde heel erg veel pijn over zijn hele lichaam. Hij probeerde op te staan, maar voelde en zag dat hij direct weer werd neergeslagen door de moker. Hij zag bloed voor zijn ogen. Toen omstanders door hadden wat hem overkwam en naar de jongens schreeuwden dat ze moesten stoppen, stopten zij met slaan en renden ze weg. Hij zag nog dat één persoon terugkwam, hem weer sloeg en wegrende. De drie jongens stapten weer in de grijze Volkswagen Transporter en de Transporter reed weg. Eén van de daders droeg een capuchon en een bivakmuts. De andere twee jongens hadden hun gezicht ook bedekt, vermoedelijk met een bivakmuts. [slachtoffer] verklaart het volgende letsel te hebben opgelopen: gebroken hand, gekneusde rib, zeventien hechtingen in zijn hoofd en twee wonden, barst in zijn schedel, gebroken/gekneusd scheenbeen.
De spoedeisende hulp van het Diakonessenziekenhuis heeft met betrekking tot het letsel van [slachtoffer] de volgende informatie verstrekt:
De getuige [getuige 1] verklaart het volgende over het geweldsincident. Zij ziet op 30 oktober 2019 omstreeks 23:30 uur drie personen vanuit de [adres 25] over de [adres 14] in de richting van de [adres 16] achter het slachtoffer aan rennen. Eén van deze personen rent met een honkbalknuppel in zijn handen. Het hoofd en gezicht van deze man is geheel bedekt. De man met de honkbalknuppel slaat het slachtoffer meerdere malen hard met de honkbalknuppel, voornamelijk in de richting van zijn hoofd. De man met de moker slaat meerdere malen met een lange slag richting de rug van het slachtoffer. Het slachtoffer wordt meerdere malen geraakt. Alle drie de mannen slaan hem meerdere keren. Vanuit de [adres 25] komt een lichtgrijs busje met geblindeerde achter zijramen aan rijden. De bestuurder blijft in het busje zitten. De man met de moker slaat nog één keer op de benen van het slachtoffer, waarna hij de moker loslaat en achterlaat op de kruising bij het slachtoffer. De drie mannen rennen dan snel richting het grijze busje en stappen in het busje. Het busje rijdt vervolgens hard weg. Bij de rechter-commissaris verklaart de getuige [getuige 1] dat één man een moker had en daarmee richting de benen, in ieder geval de onderkant, van het slachtoffer sloeg en dat de andere twee mannen honkbalknuppels hadden.
Getuige [getuige 2] verklaart als volgt. Zij ziet op 30 oktober 2019 omstreeks 23:31 uur drie mannen achter een grijze Volkswagen bus vandaan rennen die op de [adres 25] ter hoogte van de molen staat. Alle drie de mannen dragen een bivakmuts. Twee van deze mannen hebben een honkbalknuppel bij zich. De derde man heeft een grote moker bij zich. Deze moker heeft een opvallende gele kleur en een handvat van ongeveer een meter. Eén van de mannen met een honkbalknuppel maakt een lage slaande beweging richting de man die door hen wordt achtervolgd. Hij raakt de man en de man komt ten val op de [adres 16] . Alle drie de mannen slaan hierna meerdere keren op het slachtoffer in. Het slachtoffer wordt meermalen met de moker en met de honkbalknuppel geslagen. Als omstanders beginnen te schreeuwen en te claxonneren, rennen de drie mannen plotseling weg in de richting van de Volkswagen bus die inmiddels op de [adres 14] stond en zij stappen aan de zijkant in. Vrijwel direct hierna rijdt de bus weg richting de [adres 30]. Bij het instappen laat één van de drie mannen de moker achter op de [adres 14] .
Gebeurtenissen na het geweldsmisdrijf en de uitvoerders
[medeverdachte 2] probeert [slachtoffer] te bellen op 30 oktober 2019 om 23:37 uur, 23:40 uur en 23:45 uur, maar krijgt hem niet aan de lijn. [medeverdachte 1] zegt om 23:53 uur in de Peugeot tegen [medeverdachte 2] : ‘Hij heeft ook niet teruggebeld he?’, waarop ze beiden lachen. Na het geweldsmisdrijf wordt het telefoonnummer * [telefoonnummer 3] niet meer door [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] gebruikt.
Op 31 oktober 2019 om 00:27 uur is in de Peugeot te horen dat [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] zegt dat hij ‘ [bijnaam 2] ’ ‘nu gelijk’ naar Overvecht moet laten komen. [medeverdachte 2] belt daarop met [medeverdachte 10] (* [telefoonnummer 11] ). Vervolgens wordt om 00:38 uur in de Peugeot door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] gesproken over waar die spullen naartoe moeten en waar geen camera’s hangen. [verdachte] noemt Soesterberg.
Op de camerabeelden van de garagebox aan de [straat garagebox] is te zien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 31 oktober 2019 rond 00:53 uur aan komen lopen bij de garagebox. [medeverdachte 2] heeft in zijn linkerhand een grote tas met daarin een groot lichtkleurig voorwerp dat aan de bovenzijde uitsteekt. [medeverdachte 1] opent de deur van de garagebox en [medeverdachte 2] gaat naar binnen met de tas. Deze tas heeft een opdruk, een ovaal in de kleur zwart met daarin onder andere het woord ‘food’. [medeverdachte 2] komt vervolgens zonder tas uit de garagebox.
Om 00:56 uur vindt er weer een gesprek plaats in de Peugeot. [medeverdachte 1] zegt dat ze een ‘waggie’ pakken en hem daar op gaan zetten om die eruit te rijden. Hij vraagt of een busje beter is of een auto, waarop wordt gezegd dat een busje beter is, dat het niet opvallend is. [medeverdachte 1] vraagt waar die platen zijn. Hij is op zoek naar een mooie plek waar hij die auto kan stallen tot de volgende dag en noemt Soest of Soesterberg.
De telefoonnummers van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 12] ), [medeverdachte 1] (*5194), [verdachte] (* [telefoonnummer 7] ) en [medeverdachte 10] (* [telefoonnummer 11] ) stralen tussen 00:52 en 01:15 uur zendmasten aan in de omgeving van de [adres 31], waar ook de Peugeot zich dan bevindt.
Met de telefoon van [verdachte] (* [telefoonnummer 7] ) is om 01:17 uur via de navigatie-applicatie Waze gezocht naar de [adres 31] in Soesterberg.
Op 31 oktober 2019 om 02:24 uur vraagt [medeverdachte 1] in de Peugeot aan [verdachte] of ze met drie man waren en of eentje met een houten ‘bed’ (het hof begrijpt in deze context: honkbalknuppel) bezig was. [medeverdachte 1] vraagt verder: ‘Eentje was aan het knuppelen, eentje was aan het hameren en ander aan het mokeren?’ [verdachte] antwoordt bevestigend.
Om 13.44 uur die middag wordt met de telefoon van [medeverdachte 5] (Sky-ID [Sky-ID 6] ) een bericht gestuurd naar Sky-ID [Sky-ID 5] , in gebruik bij [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] met als inhoud: “(…) eigenlijk moet iemand langs gaan foto top hahahahaha”.
Die middag, om 14:53 uur, wordt in de Peugeot gevraagd of er niemand is die een foto kan maken van iemand in het ziekenhuis. Om [huisnummer 1] :48 uur praten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weer in de auto over het geweldsincident waarbij [medeverdachte 2] een artikel voorleest en [medeverdachte 1] herhaaldelijk lacht.
Op 1 november 2019 om 03:55 uur vindt een heimelijke inkijk plaats in de garagebox aan de [straat garagebox] . Tijdens deze inkijk wordt een foto gemaakt van een daar aangetroffen gele Jumbo boodschappentas. De tas heeft een zwart vlak met lichte letters met de woorden ‘food’ en ‘markt’. Het zwarte vlak heeft aan de linker bovenzijde een ronding en daarboven het woord ‘Jumbo’. Dit komt overeen met de tas op de foto die op 31 oktober 2019 om 00:53 uur is gemaakt bij de garagebox. In de tas worden onder andere een honkbalknuppel met bloedspetters, drie gebruikte bivakmutsen en twee klauwhamers van het merk ‘Stanley’ aangetroffen. Ook wordt een verpakking van een slaghamer van het merk ‘Stanley’ aangetroffen. De slaghamer die op de plaats delict wordt achtergelaten, is van het merk ‘Stanley’.
De drie bivakmutsen worden rondom de mondopening bemonsterd. Op de drie bivakmutsen wordt een DNA-match met respectievelijk van [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] aangetroffen. Ook wordt een DNA-bloedspoor van de honkbalknuppel bemonsterd en onderzocht. Dat levert een DNA-match op met het slachtoffer [slachtoffer] .
Op 26 november 2019 vindt een doorzoeking plaats in de garagebox aan de [straat garagebox] . Daarbij worden een Jumbotas en een Praxistas met inhoud aangetroffen. In de Praxistas worden handschoenen, bivakmutsen in verpakking, baseballcaps, een verbanddoos en een doosje met handschoenen aangetroffen. In de garagebox worden ook een honkbalknuppel, hamers van het merk ‘Stanley’ en diverse schoonmaakproducten aangetroffen. Zes handschoenen worden bemonsterd. Twee van de zes bemonsterde handschoenen leveren een DNA-match met [medeverdachte 9] op, twee handschoenen leveren een DNA-match met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 11] op en de andere twee handschoenen een DNA-match met [medeverdachte 8] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 11] .
Op 3 november 2019 vindt om 13:26 uur een OVC-gesprek plaats in de Peugeot. [medeverdachte 1] vraagt aan [verdachte] of de jongens die op die dag met hem waren gouden tanden hadden. [verdachte] zegt: ‘Twee Marokkanen en een Pool’.
Volgens de wijkagent in Tiel hebben [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] beiden een gouden tand. Ook weet de wijkagent dat [medeverdachte 9] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] met elkaar omgaan en elkaar goed kennen. [medeverdachte 9] heeft een [land] afkomst. Het uiterlijk van [medeverdachte 8] wordt door een verbalisant omschreven als Marokkaans. [medeverdachte 7] heeft een Poolse afkomst. Ten tijde van het geweldsincident was [medeverdachte 7] kentekenhouder van een grijskleurige Peugeot.
Op de dag van het geweldsmisdrijf bevinden de telefoons van [medeverdachte 7] (* [telefoonnummer 8] ) en [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 9] ) zich rond 16 :22 uur in Utrecht. Rond 19:20 uur stralen de telefoons van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zendmasten aan in de omgeving van Gorinchem. Rond dat moment zijn ook de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in die omgeving. Vervolgens verplaatsen de telefoons van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zich richting Tiel. Rond 20:24 uur hebben de telefoons van [medeverdachte 9] (* [telefoonnummer 10] ) en [medeverdachte 7] (* [telefoonnummer 8] ) contact met elkaar. De telefoon van [medeverdachte 9] straalt aan in Tiel. Na het gesprek beweegt het telefoonnummer van [medeverdachte 7] van Tiel naar Utrecht. Het telefoonnummer van [medeverdachte 8] vertoont na aankomst in Tiel geen activiteit meer. Rondom het moment van het geweldsmisdrijf is het telefoonnummer van [medeverdachte 9] niet actief.
Het telefoonnummer van [medeverdachte 7] (* [telefoonnummer 8] ) straalt op 30 oktober 2019 rond 21:21 uur een zendmast aan in de omgeving van de [adres 21] in Utrecht. Omstreeks 23:55 uur vindt de eerste registratie na het geweldsmisdrijf plaats, wanneer een zendmast aan de [adres 19] wordt aangestraald. Deze zendmast bevindt zich in de buurt van het adres van [verdachte] . Rond dezelfde tijd, 23:58 uur, straalt het telefoonnummer van [verdachte] (* [telefoonnummer 7] ) ook een zendmast aan in de omgeving van de [adres 19] . Kort na middernacht, om 00:07 uur, komen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook naar de [adres 19] .
Bewijsoverweging
Betrokkenheid [verdachte]
De verdediging heeft, in de kern en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat [verdachte] weliswaar op 30 oktober 2019 met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanwezig was in de Peugeot en dat hij in eerste instantie wilde fungeren als de chauffeur bij het geweldsincident dat die avond zou moeten plaatsvinden, maar dat hij op het laatste moment is afgehaakt, omdat hij er achter kwam dat [slachtoffer] het beoogde slachtoffer was en [slachtoffer] een bekende van hem is. Iemand anders is vervolgens als chauffeur opgetreden; [verdachte] is later die nacht achter de bij het geweld gebruikte bestelbus aangereden.
Het hof verwerpt dit verweer. [verdachte] heeft deze verklaring pas ter zitting van het hof op 15 juni 2026, doorgevraagd naar zijn eventuele rol bij het feit, afgelegd. Hij heeft niet op enig moment vóór die zitting bij de politie, de rechtbank of het hof daarover verklaard. Deze, voor alle procespartijen nieuwe verklaring, gaf het hof aanleiding [verdachte] door te vragen over dat alternatief. Desgevraagd heeft [verdachte] echter nauwelijks details kunnen geven. Zo heeft hij geen eenduidig of aannemelijk antwoord kunnen geven op de vragen wanneer hij precies was afgehaakt, wanneer en hoe hij gehoord had dat het om [slachtoffer] ging, of hij – op het moment dat hij afhaakte – al in het busje zat of niet, waar hij na het afhaken naar toe was gegaan, of hij nog iets had meegekregen van hetgeen er vervolgens is gebeurd, of hij contact heeft gehad met zijn vervanger, op welke wijze hij de details van de geweldpleging heeft vernomen – zoals hij die later deelde met [medeverdachte 1] – en of hij de bestelbus die nacht naar Soesterberg heeft gebracht. Op de zitting van het hof van 26 juni 2026 heeft [verdachte] daar, ná het pleidooi van zijn raadsman, naar aanleiding van zijn bij de pleitnota gevoegde schriftelijke verklaring desgevraagd nog aan toegevoegd dat hij wel achter de bestelbus is aangereden die nacht, maar dat hij niet weet door wie de bus is bestuurd, dat hij de bestuurder moest ophalen en dat hij daarom meereed naar Soesterberg. Tevens heeft hij, op de zitting van 15 juni 2026, geconfronteerd met het genoemde OVC-gesprek van die avond om 22:53 uur, bevestigd dat hij op dát moment nog niet afgehaakt was. Ook het OVC-gesprek van even later, om 23:03 uur, is [verdachte] voorgehouden. Uit dit gesprek blijkt dat [verdachte] op dat moment om handschoenen vroeg, waarop [medeverdachte 2] antwoordde dat alles in de wagen zit en aan [verdachte] vroeg of hij van tevoren nog handschoenen wilde “want jij bent de driver”. [verdachte] antwoordde met “ja tuurlijk”. [verdachte] werden hierna instructies gegeven door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Het voorgaande zou betekenen dat [verdachte] na 23:03 uur moet zijn afgehaakt en dus dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ergens tussen 23:03 uur en het moment van uitvoering van het geweld, om 23:30 uur, een andere chauffeur hebben moeten regelen, die ter plaatse hebben moeten krijgen én hebben moeten instrueren over de uit te voeren taak. Het procesdossier biedt voor deze zeer onwaarschijnlijke gang van zaken geen enkel aanknopingspunt. Integendeel, uit de bewijsmiddelen blijkt juist dat [verdachte] nog tot zeer kort voor het geweldsincident betrokken was en nota bene aangeduid werd als de ‘driver’, terwijl hij kort na het incident, te weten om 00:38 uur, wederom met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Peugeot zat, waarbij zij met elkaar bespraken “waar de spullen naartoe moeten” en “welke stad heeft geen camera’s”. [verdachte] reageerde daarop met de suggestie van Soesterberg. Even later, op 31 oktober 2019 om 02:24 uur, gaf [verdachte] [medeverdachte 1] op diens vragen informatie over de details over hetgeen er gebeurd was. Betekenisvol in dit kader is overigens nog dat de telefoon van [verdachte] om 23:58 uur aanstraalde op een zendmast in de omgeving van de [adres 19] , terwijl kort daarvoor om 23:55 uur de telefoon van [medeverdachte 7] , één van de uitvoerders van het geweld, daarop aanstraalde en de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , de organisatoren van dit geweld, weer iets later om 00:07 uur. Na het geweld lijkt dus een deel van de betrokkenen bij elkaar te zijn gekomen in de omgeving van de schuur van de grootouders van [verdachte] die aan die straat is gelegen. Deze schuur diende als opslag voor onder meer soortgelijke voorwerpen als de voorwerpen die bij het geweld jegens [slachtoffer] zijn gebruikt, zoals hierna nader zal worden toegelicht in de bewijsoverweging met betrekking tot de deelname van [verdachte] aan de criminele organisatie.
Tot slot is de inhoud van het OVC-gesprek van 30 oktober 2019 om 23:03 uur alleszeggend. Toen [medeverdachte 2] tegen [verdachte] zei dat de persoon op wie men het gemunt had naar [sisha lounge] kwam, vroeg [verdachte] : “Wie?”. [medeverdachte 2] zei: “..dinge, [voornaam slachtoffer]”, [slachtoffer] dus. [verdachte] antwoordde dat hij met hen (de uitvoerders) direct naar de auto (de bestelbus) reed. Dit staat in schril contrast met zijn als alternatief gepresenteerde – en gelet op het voorgaande ongeloofwaardige – scenario dat hij afhaakte toen hij vernam dat het om [slachtoffer] ging.
Uit al het voorgaande concludeert het hof dat [verdachte] als bestuurder heeft opgetreden voor de uitvoerders van het geweld. Het verweer wordt verworpen.
Gronddelict
Ten aanzien van het opzet van [verdachte] op het gronddelict is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat hij en zijn mededaders de intentie (in de zin van vol opzet) hadden om [slachtoffer] te doden. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat [verdachte] en zijn mededaders wel bewust de aanmerkelijke kans op de koop hebben toegenomen dat [slachtoffer] zou kunnen overlijden door het toegepaste geweld (in de zin van voorwaardelijk opzet). Het hof overweegt daartoe als volgt.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval de dood – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat [verdachte] zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat hij wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging van [verdachte] en zijn mededaders is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] , [slachtoffer] meermalen met kracht met slagvoorwerpen hebben geslagen. Eén van hen heeft [slachtoffer] meerdere malen hard met een honkbalknuppel geslagen, voornamelijk in de richting van zijn hoofd, terwijl een ander hem meermalen met een slaghamer met een lange slag in de richting van de rug heeft geslagen. Met de slaghamer is zeker drie of vier keer aan de bovenzijde van de rug van [slachtoffer] geslagen, tussen de schouderbladen. De kop van de slaghamer weegt 2,72 kilogram. Openbare bronnen stellen het totaalgewicht van deze slaghamer op 4,5 kilogram. Het hof begrijpt dat, daar waar de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] spreken over een moker die is gebruikt (zoals het slagwapen ook in de tenlastelegging is geduid), een slaghamer is bedoeld. Ook het hof zal die beide termen voor hetzelfde voorwerp hanteren.
[slachtoffer] is op zijn hoofd en zijn lichaam geraakt en wel zodanig dat hij ten val kwam, waarna [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] opnieuw meermalen met veel kracht op hem insloegen met de slaghamer en een honkbalknuppel. Pas toen omstanders gingen schreeuwen en claxonneren, renden de mannen weg.
Als gezegd concludeert het hof dat [slachtoffer] onder meer is geraakt op zijn hoofd. Dit volgt uit de bewijsmiddelen, te weten het opgelopen letsel in combinatie de verklaring van [slachtoffer] zoals hij die als aangever op 31 oktober 2019 heeft afgelegd bij de politie en de getuigenverklaring van [getuige 1], afgelegd bij de politie. De stelling van de verdediging dat [slachtoffer] dit hoofdletsel heeft opgelopen door een val wordt daarmee gepasseerd. Overigens blijkt uit het dossier dat [slachtoffer] , op het moment dat hij voor zijn belagers wegrende, de pas werd afgesneden door een bij toeval passerende auto, maar het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat hij daardoor ten val is gekomen met het later geconstateerde hoofdletsel tot gevolg.
Het hof merkt bij het voorgaande nog op dat [slachtoffer] eerst als getuige ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij het hoofdletsel heeft opgelopen door een val, maar bezigt niet die verklaring voor de waardering van het bewijs, maar zijn verklaring bij de politie. Reden daarvoor is dat het hof de verklaring die hij op zitting heeft afgelegd niet betrouwbaar acht. [slachtoffer] , die tijdens zijn verhoor op de openbare zitting bij het hof zichtbaar angstig was, heeft op bijna alle vragen die hem gesteld werden geantwoord dat hij het niet meer wist. Hij kon zich alleen nog herinneren dat hij op zijn hoofd was gevallen en dat [voornaam 3] [medeverdachte 1] een vriend van hem is en hij zeker wist dat [medeverdachte 1] er niets mee te maken had. Dit laatste strookt al niet met de bekennende verklaring van [medeverdachte 1] over zijn betrokkenheid bij dit feit, terwijl de verklaring van [slachtoffer] dat hij op zijn hoofd zou zijn gevallen door geen van de ooggetuigen wordt bevestigd en, zoals hiervoor overwogen, ook overigens in het dossier geen steun vindt. Daar staat tegenover dat zijn verklaring bij de politie, anders dan die ter zitting van het hof, volledig en gedetailleerd is, op relevante onderdelen gesteund wordt door andere verklaringen en zeer kort na het feit is afgelegd, terwijl het hof geen enkele aanleiding heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een vitaal en potentieel kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is. Dat maakt dat het aanwenden van forse geweldshandelingen met slagwapens tegen het hoofd onder bepaalde omstandigheden een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood op kan leveren. De gebruikte honkbalknuppel en slaghamer zijn relatief lange voorwerpen en bepaald geen precisiewapens. In elk geval de slaghamer is ook een zwaar voorwerp. Indien met dergelijke voorwerpen met kracht wordt geslagen in de richting van het hoofd en het lichaam is de mogelijkheid op het hard raken van bij uitstek kwetsbare delen van het hoofd reëel, zeker als geslagen wordt op een persoon die zich beweegt om aan de klappen van de wapens te ontkomen. Met deze voorwerpen is doorgeslagen, ook nadat [slachtoffer] op de grond is gevallen en daarna volstrekt weerloos was. Dit blijkt ook uit de verklaring van getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris, waarin zij verklaart dat [slachtoffer] zich niet heeft geprobeerd af te weren; toen hij eenmaal lag, heeft hij niets gedaan. Naar het oordeel van het hof brengen daders van een dergelijk feit zichzelf in de positie dat zij het aanmerkelijke risico nemen dat de grens van niet dodelijk naar dodelijk geweld wordt overschreden, waarover zij onder deze omstandigheden geen (voldoende) controle meer hebben.
Door te slaan met deze voorwerpen, waarbij het hoofd is geraakt, hebben de daders bovendien niet alleen bijgedragen aan het in het leven roepen van de aanmerkelijke kans op de dood, maar deze kans ook bewust aanvaard. Immers, door onder de genoemde omstandigheden dergelijk zeer fors geweld tegen [slachtoffer] aan te wenden, kan het niet anders dan dat de daders de mogelijkheid hebben aanvaard dat zij, dan wel één van hen, daarbij het omslagpunt van niet dodelijk geweld naar dodelijk geweld zouden bereiken. Gelet op (de uiterlijke verschijningsvorm van) de verrichte gedragingen hebben zij zich niet door deze mogelijkheid laten weerhouden, maar deze op de koop toegenomen. Voor [verdachte] komt daar nog bij dat hij wist dat [slachtoffer] in elkaar geslagen zou worden met behulp van deze slagwapens. Redengevend hiervoor is dat hij de chauffeur van de uitvoerders was en moet hebben gezien wat zij bij zich droegen. Deze conclusie wordt versterkt door het hiervoor genoemde OVC-gesprek van 31 oktober 2019 om 02.24 uur. Tijdens dit gesprek vroeg [medeverdachte 1] aan [verdachte] ‘Eentje was aan het knuppelen, eentje was aan het hameren en ander aan het mokeren?’. [verdachte] antwoordde bevestigend en gaf er geen enkele blijk van verrast of verbaasd te zijn over de wapens die gebruikt waren, dan wel anderszins afstand te nemen van hetgeen er gebeurd was.
Medeplegen
Uit het hiervoor overwogene volgt dat [verdachte] in aanloop naar, ten tijde van en na afloop van het geweldsmisdrijf daarbij betrokken is geweest. Zo heeft hij een rol bij het brengen van de uitvoerders naar de plaats delict. Daar wachtte hij op de uitvoerders tot na de geweldhandelingen, om ze vervolgens in de bestelbus weg te rijden en was hij betrokken bij het verplaatsen van de gebruikte bus naar Soesterberg, een plaats die hij zelf geopperd had. [verdachte] heeft gelet op dit alles een substantiële rol gehad bij en een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweldsmisdrijf. Net als de rechtbank oordeelt het hof dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij allen een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van het gezamenlijke plan om fors geweld op [slachtoffer] uit te oefenen.
Alhoewel dit niet met zoveel woorden naar voren is gebracht, zal het hof begrijpen dat de verdediging heeft willen betogen dat [verdachte] geen opzet had op de dood. In dit kader zal het hof moeten toetsen of er is voldaan het dubbel opzetvereiste: opzet op de onderlinge samenwerking en opzet op de verwezenlijking van het grondfeit. Dit ligt reeds besloten in de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het begaan van het grondfeit. Indien de verschillende betrokkenen geen identiek opzet hebben gehad, wanneer zij met hun samenwerking verschillende delicten op het oog hadden, kan het voorwaardelijk opzet dit probleem vaak aanmerkelijk relativeren, zeker ten aanzien van details van de gang van zaken. Daarbij is niet vereist dat [verdachte] op de hoogte is geweest van de precieze gedragingen van de uitvoerders. Als het opzet onderling echter te veel of wezenlijk uiteenloopt en de uitvoerders substantieel verder gaan dan waarop het opzet van [verdachte] is gericht, kan [verdachte] daarvoor niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld en moet hij naar zijn eigen opzet worden beoordeeld en gekwalificeerd. Alsdan kan geen ‘bewuste en nauwe samenwerking’ worden aangenomen en bepaalt het eigen opzet van hem, en niet het opzet van de uitvoerders, de eigen aansprakelijkheid. Dit kan wel als zijn opzet voldoende verband houdt met het gronddelict. Of van zodanig verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Doorgaans kan worden aangenomen dat dit verband bestaat, als het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de deelnemer was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden.
In dit geval stelt het hof vast dat het opzet van [verdachte] erop was gericht dat [slachtoffer] fors geweld werd aangedaan. Hij was ervan op de hoogte dat hiervoor meerdere uitvoerders werden ingezet en dat gebruik werd gemaakt van onder meer een slaghamer en een honkbalknuppel. Het hof oordeelt dat, voor zover al het opzet van [verdachte] (enkel) gericht was op zware mishandeling, dit voldoende verband houdt met het gronddelict, nu [slachtoffer] het beoogde slachtoffer was dat – na een voorbereidingsperiode en na door [medeverdachte 2] te zijn gelokt – door drie mannen fors en met gebruikmaking van meerdere slagwapens in elkaar geslagen moest worden.
Voorbedachte raad
De verdediging heeft verweer gevoerd ten aanzien van de voorbedachte rade. Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing voor voorbedachte raad, maar hoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] samen met anderen gedurende de periode vanaf in elk geval 30 oktober 2019 te 20:35 uur, tot het moment waarop het geweld jegens [slachtoffer] plaatsvond die dag omstreeks 23:30 uur planmatig heeft toegewerkt naar het feit. Hieruit blijkt het vooropgezet plan van [verdachte] op het voorgenomen misdrijf. Het hof concludeert hieruit dat hij vóór de uitvoering van het feit heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan ook daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Nu van contra-indicaties niet is gebleken, concludeert het hof dat [verdachte] handelde met voorbedachte raad en niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Conclusie
Op grond van al het bovenstaande acht het hof het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot moord op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.
Voorwaardelijke verzoeken
De raadsman heeft bij wijze van voorwaardelijk verzoek, indien het hof niet zou komen tot een vrijspraak voor dit feit, gevraagd om [voornaam 3] [medeverdachte 1] nogmaals te horen als getuige, teneinde hem te bevragen over de stelling van [verdachte] dat hij op het laatste moment zou zijn afgehaakt als chauffeur, omdat hij vernam dat het beoogde doelwit [slachtoffer] zou zijn.
Op de zitting van 15 juni 2026 heeft het hof het verzoek van de verdediging tot het hernieuwd horen van [medeverdachte 1] met in de kern dezelfde onderbouwing van de verdediging afgewezen, nu het hof de noodzaak niet was gebleken.
Ook nu wijst het hof dit verzoek af, bij gebrek aan noodzaak voor het verhoor. [medeverdachte 1] is (onder meer) als getuige gehoord tijdens de inhoudelijke behandeling op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juni 2026 in het bijzijn van de verdediging. De verdediging heeft de getuige toen vragen gesteld over het feit. Op deze vragen heeft [medeverdachte 1] antwoord gegeven. Aldus is verdediging in de gelegenheid geweest de getuige te bevragen. De stelling van de raadsman dat hij verrast was door de verklaring van zijn cliënt ter zitting van 15 juni 2026 maakt het voorgaande niet anders en maakt niet dat er nu een noodzaak is de getuige andermaal te horen.
Ook is, op dezelfde voorwaardelijke wijze, gevraagd om [slachtoffer] opnieuw als getuige te horen, zodat hij over zijn relatie met [verdachte] kan worden bevraagd.
Het hof overweegt dat [slachtoffer] in het bijzijn van de verdediging als getuige is gehoord tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op de openbare terechtzitting van 15 juni 2026. Toen heeft de verdediging [slachtoffer] gevraagd of hij [verdachte] , die ook ter zitting aanwezig was kent, waarop [slachtoffer] heeft geantwoord dat hij hem niet kent. Daarmee heeft de verdediging [slachtoffer] dus al bevraagd over zijn relatie met [verdachte] . Het verzoek wordt bij gebrek aan noodzaak voor het hernieuwde verhoor afgewezen.
FEIT 1: DEELNAME AAN CRIMINELE ORGANISATIE
Standpunten van partijen
Standpunt advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat kan worden bewezen dat [verdachte] zich met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 12] en [medeverdachte 4] heeft schuldig gemaakt aan de deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk gekwalificeerde diefstal, opzetheling, zware mishandeling met voorbedachte raad en valsheid in geschrifte en dat hij moet worden vrijgesproken van de deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk van (de voorbereiding van) moord, nu hij pas vanaf 10 oktober 2019 betrokken is geweest bij de criminele organisatie.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd, samengevat weergegeven, dat [verdachte] niet heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband. Hij had geen kwalificerend aandeel in het organisatieoogmerk en had ook geen vol wetenschap van dat oogmerk. Er zijn weliswaar verschillende contacten geweest met medeverdachten, maar die waren vriendschappelijk van aard. In de schuur van de grootouders van [verdachte] zijn honkbalknuppels, hamers en valse kentekenplaten aangetroffen, maar [verdachte] heeft altijd ontkend dat hij die goederen daar heeft geplaatst. Daarbij is van belang dat de schuur voor meerdere familieleden, onder wie zijn broers, toegankelijk was.
Inleiding
Onder een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt volgens vaste jurisprudentie verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het oogmerk tot het plegen van de strafbare feiten, dan wel dat hij deze gedragingen ondersteunt. Het is niet vereist dat een deelnemer aan de criminele organisatie moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaakten van dat samenwerkingsverband of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de verdachte op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de verdachte.
Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Wel moet hij een aandeel hebben gehad of ondersteuning hebben geboden aan gedragingen, ter verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Voor het bewijs van deelname aan de criminele organisatie zal, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, dus moeten worden vastgesteld dat (i) sprake is geweest van een organisatie, (ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven en (iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
Oogmerk van opzetheling en valsheid in geschrifte
Op 6 augustus 2019 wordt een Audi met het kenteken [kenteken 4] gestolen. Diezelfde dag vindt de politie het voertuig terug in Soesterberg. Inmiddels is de auto voorzien van het valse kenteken [kenteken 5] . De auto verplaatst zich vervolgens naar de [straat garagebox] in Utrecht, waar het voertuig in een garagebox lijkt te zijn geplaatst. De politie verricht op 8 augustus 2019 een inkijk in drie garageboxen aan de [straat garagebox] [huisnummer 3] , die met elkaar zijn verbonden tot één ruimte (hierna: de garagebox). In de garagebox is, zo blijkt uit het voertuigidentificatienummer, de gestolen Audi gestald. Inmiddels is het voertuig voorzien van het valse kenteken [kenteken 6] . In de garagebox staan verder de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 7] (zaaksdossier 4) en de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 1] (zaaksdossier 5). De politie plaatst vervolgens een camera met zicht op de garagebox en op een later moment ook een camera aan de binnenzijde van de garagebox.
Aan de hand van de verkregen camerabeelden en verder onderzoek door de politie stelt het hof het volgende vast.
- [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] komen in de periode van 10 augustus 2019 tot en met 22 november 2019 op verschillende momenten en in verschillende samenstellingen in de garagebox:
[medeverdachte 2] op 17 verschillende dagen, soms meermalen op één dag (10, 14, 19, 20 en 26 augustus 2019; 8, 10, 13, 14, 17 en 20 september 2019; 9, 22, 24, 26 en 31 oktober 2019; 22 november 2019);
[medeverdachte 1] op 14 verschillende dagen (14 en [huisnummer 1] augustus 2019; 8, 9, 13, 14, 17, 19 en 20 september 2019; 26, 30 en 31 oktober 2019; 11 november 2019);
[medeverdachte 4] op drie verschillende dagen ( [huisnummer 1] , 19 en 26 augustus 2019);
[medeverdachte 3] drie keer op 10 augustus 2019.
- Op 10 augustus 2019 rond 01:20 uur loopt [medeverdachte 2] met twee gevulde jerrycans naar de garagebox en opent de toegangsdeur met een sleutel. Vervolgens komt [medeverdachte 3] aanlopen. Ook hij draagt twee gevulde jerrycans. Beide mannen lopen de garagebox in. Even later verlaten ze de garagebox en sluit [medeverdachte 2] de deur van de garagebox af. Later die nacht, rond 03:05 uur, komen beide mannen terug bij de garagebox. [medeverdachte 3] rijdt vervolgens de gestolen Renault met het valse kenteken [kenteken 7] (zaaksdossier 4) de garagebox uit. Even later rijdt [medeverdachte 2] de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 5] (zaaksdossier 8) de garagebox in. Beide mannen verlaten daarna de garagebox. Rond 04:04 uur bezoeken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de garagebox nogmaals.
- Tijdens een inkijk door de politie op 14 augustus 2019 staat de gestolen Audi uit zaaksdossier 3 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 6] ), de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 1] uit zaaksdossier 5 en de gestolen Audi uit zaaksdossier 8 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 8] ) in de garagebox. De drie voertuigen hebben lamineercodes op de aangebrachte kentekenplaten, waarvan de eerste zeven cijfers overeenkomen en dus uit één serie komen. Dit betreft een niet-bestaande serie. De codes uit deze specifieke serie komen terug in zaken met verschillende strafbare feiten. In de garagebox worden verder een fles ammoniak, verpakkingen van bivakmutsen en werkhandschoenen aangetroffen. Het hof leidt uit de verklaring van [medeverdachte 1] tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 26 mei 2020 en het hiernavolgende af dat er auto’s in de garagebox werden schoongemaakt met ammoniak. Er werd ook schoonmaakmiddel (‘Glassex’) gebruikt.
- Op [huisnummer 1] augustus 2019 omstreeks 01.46 uur lopen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] naar de garagebox. [medeverdachte 4] rijdt vervolgens de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 1] (zaaksdossier 5) de garagebox uit. Even later wordt de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 9] (zaaksdossier 7) de garagebox ingereden. Enkele minuten later staan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] in de garagebox. Ze dragen allebei mondkapjes en handschoenen. Eén van beiden heeft in beide handen een spuitbus vast.
- Op 19 augustus 2019 zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] in de garagebox aanwezig. Ze dragen beiden mondkapjes en handschoenen en lopen met jerrycans heen en weer naar voertuigen. Het hof leidt uit deze handelingen af dat die voertuigen met gebruikmaking van de jerrycans in de garagebox worden voorzien van brandstof.
- Op 26 augustus 2019 lopen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] naar de garagebox. [medeverdachte 2] opent de toegangsdeur en beide mannen lopen naar binnen. Even later komen ze weer naar buiten. [medeverdachte 2] draagt vier, vermoedelijk lege, jerrycans. [medeverdachte 4] sluit de deur af.
- Op 8 september 2019 zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de garagebox. Beiden dragen handschoenen. Door de mannen worden verschillende goederen in twee voertuigen gelegd, onder meer een set baseballpetjes, een aantal handschoenen (in verpakking), een fles (met vermoedelijk schoonmaakmiddel) en twee doosjes met (vermoedelijk) bivakmutsen.
- Op 13 september 2019 is [medeverdachte 2] bij de garagebox. Hij opent de toegangsdeur en draagt een volle jerrycan naar binnen. Na enkele minuten vertrekt hij weer. Een half uur later komt [medeverdachte 2] opnieuw, nu in gezelschap van [medeverdachte 1] , bij de garagebox. Beide mannen dragen handschoenen en zijn bezig met een grote jerrycan met het opschrift ‘Super Cleaner’. Even later rijdt [medeverdachte 2] de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 8] (zaaksdossier 8) naar buiten en sluit [medeverdachte 1] de garagebox af. Een klein uur later brengen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de Audi weer terug naar de garagebox.
- Op 14 september 2019 zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samen in de garagebox; [medeverdachte 1] draagt handschoenen. Later die dag rijdt [medeverdachte 2] de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 6] (zaaksdossier 3) naar buiten. [medeverdachte 1] sluit de garagebox af en loopt weg.
- Ook op 17 september 2019 zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samen in de garagebox. [medeverdachte 2] rijdt de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 10] (zaaksdossier 6) de garagebox in. [medeverdachte 1] maakt verschillende foto’s van de Audi. Beide mannen hebben een spuitbus in hun hand en maken de Audi schoon.
- Op 19 september 2019 is [medeverdachte 1] met een onbekend gebleven man in de garagebox. [medeverdachte 1] maakt een auto schoon met een spuitbus. De garagebox en/of aanwezige voertuigen worden door de onbekende man gesweept, zo volgt uit de beschrijving door de politie van de camerabeelden in combinatie met de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] dat hij regelmatig voertuigen die in de garagebox stonden heeft gesweept of heeft laten sweepen.
- Op 31 oktober 2019 schrijft [medeverdachte 5] (* [Sky-ID 6] ) aan de gebruiker van Sky-ID [Sky-ID 5] ( [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] ) dat hij nieuwe kentekenplaten moet hebben; hij heeft [kenteken 11] en ‘nog 1 andere beste’.
- Op 20 november 2019 wordt tijdens een doorzoeking door de politie van de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 4] in Soest een huurovereenkomst met betrekking tot de garagebox aangetroffen. Het contract vermeldt ‘Jamay’ als huurder en het heeft 14 juni 2019 als ingangsdatum, met een geldigheidsduur van één jaar. Op het contract staat als telefoonnummer van Jamay het nummer [telefoonnummer 2] . Dit is het telefoonnummer van [medeverdachte 2] .
- Na de aanhouding van [medeverdachte 1] op 20 november 2019 vraagt [medeverdachte 5] (* [Sky-ID 6] ) nog dezelfde dag aan [medeverdachte 2] (* [Sky-ID 2] ) om hem de gegevens toe te sturen van ‘contact gereedschap’, ‘contact sweaper + sleutel’ en ‘Stash adres nieuwegein + nummer’. [medeverdachte 2] antwoordt vervolgens: ‘ [voornaam verdachte] [telefoonnummer 7] ’, [verdachte] zijn voornaam en telefoonnummer dus. [verdachte] is met andere woorden de contactpersoon van het gereedschap. Het adres van de ‘stash’ is, zo bericht [medeverdachte 2] , [adres 26] . Dit is het adres van de zus van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 5] instrueert [medeverdachte 2] verder onder meer om geen telefoons mee te nemen en nooit in auto’s (‘waggi’) te praten, ook niet versluierend (‘undercover taal’). De volgende dag bericht [medeverdachte 5] [medeverdachte 2] dat hij het slot moet vervangen. Als [medeverdachte 5] hier de volgende dag opnieuw bij [medeverdachte 2] op aandringt, vervangt [medeverdachte 2] nog diezelfde dag het slot van de toegangsdeur van de garagebox.
- Op 23 november 2019 zijn er berichtenwisselingen tussen [medeverdachte 5] (* [Sky-ID 6] ) en [medeverdachte 2] (* [Sky-ID 2] ). [medeverdachte 5] vraagt aan [medeverdachte 2] of hij een aantal voertuigen (‘bus en de andere’) wil verplaatsen. [medeverdachte 5] zegt verder dat ze voor een blauw voertuig nu geen ‘platen’ (het hof begrijpt: kentekenplaten) hebben; ook wordt in dit kader gesproken over andere voertuigen (‘Renault’, ‘Transporter’ en ‘zwarte en blauwe’). Verder vraagt [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 2] om te controleren of er dubbele kentekenplaten nodig zijn, dan maakt hij deze (‘check ff dubbele ervoor maak ik ze’). Tot slot draagt [medeverdachte 5] [medeverdachte 2] op om ‘ze’ goed schoon te maken, zowel van binnen als van buiten. Dit is zeer belangrijk en zo nodig moet daarvoor extra ammoniak worden gekocht. Een dag later bericht [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 2] dat hij twee platen heeft gehad, van de Capture en de ‘transporter nieuwe platen’. Verder schrijft hij dat ‘ze’ echt super schoon moeten worden. Met ‘ze’ worden voertuigen bedoeld, want in het volgende bericht instrueert [medeverdachte 5] [medeverdachte 2] deze zelf schoon te maken: hij moet de ammoniak (‘ammo’) goed spuiten en de stoelen, grond en stuur vegen. Ook moeten ‘platen veranderen’. [medeverdachte 2] en de ‘jongen die met hem is’ moeten handschoenen gebruiken en een muts opzetten, ‘niet herkenbaar’ en ‘niet praten in of bij de auto’. Ook moet [medeverdachte 2] een ‘buitenstaander’ een sweeper laten kopen, een simpele van een paar honderd euro (‘paar barkis’).
- Op 26 november 2019 wordt de garagebox door de politie doorzocht. In de garagebox staan de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 10] (zaaksdossier 6), de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 9] (zaaksdossier 7), de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 8] (zaaksdossier 8) en de gestolen motorscooter van het merk Piaggio Skipper (zaaksdossier 11). Ook worden vier flessen ammoniak, twee flessen wasbenzine, een spuitfles reiniger, een doos latex handschoenen, een plastic zak met zestien zwarte petjes, een plastic zak met vier zwarte wollen collen en een plastic zak met aanstekers aangetroffen.
- Bij de doorzoeking op 26 november 2019 van de berging van de woning van de zus van [medeverdachte 2] aan het [adres 26] in Nieuwegein worden onder meer twee rugtassen met vijf jammers en een kentekenplaat ( [kenteken 12] ) aangetroffen.
- Op 12 mei 2020 worden in de schuur van de woning van de grootouders van [verdachte] aan de [adres 19] in Utrecht twee valse kentekenplaten ( [kenteken 11] ), zes honkbalknuppels, tien klauwhamers en twee voorhamers aangetroffen.
Aan de hand van deze feitenvaststellingen concludeert het hof dat:
( i) [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] in de periode van 10 augustus 2019 tot en met 22 november 2019 op verschillende momenten, ook tijdens nachtelijke uren en in wisselende samenstellingen, in of bij de garagebox zijn geweest;
( ii) in de garagebox voertuigen werden gestald die van diefstal afkomstig waren;
( iii) gestolen voertuigen werden voorzien van valse kentekenplaten met lamineercodes uit één niet-bestaande serie;
( iv) valse kentekenplaten op bestelling konden worden gemaakt;
( v) gestolen voertuigen bij herhaling in en uit de garagebox werden geplaatst;
( vi) [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] verschillende handelingen aan gestolen voertuigen hebben verricht: voertuigen werden schoongemaakt met ammoniak en ander schoonmaakmiddel (met het kennelijke doel om sporen aan de voertuigen te verwijderen), in de garagebox van brandstof voorzien (met het kennelijke doel om te voorkomen dat een voertuig en de inzittenden bij een tankstation door een camera zouden worden geregistreerd) en in de garagebox gesweept (met het kennelijke doel om te achterhalen of opname- en/of afluisterapparatuur was geplaatst);
( vii) gebruik werd gemaakt van meerdere adressen, waaronder – zoals hierna nader wordt toegelicht – de schuur van de grootouders van [verdachte] , waar goederen zoals jammers en valse kentekenplaten werden gestald, die dienstig zijn aan de hiervoor beschreven voertuigcriminaliteit;
( viii) na de aanhouding van de medeverdachte [medeverdachte 1] alles in het werk werd gesteld om de toegang tot de garagebox te bemoeilijken, om sporen aan voertuigen uit te wissen en om afgeschermd te communiceren.
Uit al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen onder meer [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [verdachte] met als oogmerk het plegen van de opzetheling van voertuigen en valsheid in geschrift (het opzettelijk voorhanden hebben en gebruiken van valse kentekenplaten). Uit het bericht van [medeverdachte 5] van 20 november 2019 volgt, anders dan de verdediging heeft betoogd, dat [verdachte] de persoon was die voor de organisatie goederen (in de schuur van zijn grootouders) in bewaring had. Daar stalde hij, naast slagvoorwerpen waarop het hof hierna verder in zal gaan, kentekenplaten die [medeverdachte 5] – zo volgt uit diens bericht van 31 oktober 2019 – eerder had laten maken en die dienden om te worden gebruikt op gestolen voertuigen. Ook is [verdachte] , zoals hiervoor toegelicht, als bestuurder opgetreden van de gestolen Volkswagen Multivan (zaaksdossier 9) en de gestolen Volkswagen Transporter (zaaksdossier 13). Op deze wijze heeft [verdachte] een bijdrage geleverd aan de gedragingen ter verwezenlijking van het oogmerk van de opzetheling en de valsheid in geschrifte.
Oogmerk van zware mishandeling met voorbedachten rade
10 ammo
Uit hetgeen hiervoor bij de bespreking van het geweldsfeit tegen [slachtoffer] is overwogen, volgt dat het samenwerkingsverband tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] ook was gericht op het geweld tegen [slachtoffer] . Allen hebben een bijdrage geleverd aan de uitvoering van het gezamenlijke plan om fors geweld op [slachtoffer] uit te oefenen. Daarbij gebruikte de organisatie gestolen voertuigen voor dit geweld. Zoals hiervoor is overwogen, zijn bij de (voorbereiding van) het geweld immers de gestolen Volkswagen Multivan met het valse kenteken [kenteken 2] (zaaksdossier 9) en de gestolen Volkswagen Transporter (zaaksdossier 13) gebruikt.
Dat het plegen van geweldsfeiten in breder verband een oogmerk van de organisatie was, blijkt uit verschillende berichten die zijn gewisseld:
- daags na de geweldsuitoefening tegen [slachtoffer] , op 31 oktober 2019, leest [medeverdachte 2] een artikel voor aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] spreekt onder meer over een ‘gerichte aanslag’, ‘bloedsporen’, ‘zwaargewond’ en ‘per ambulance naar het ziekenhuis’. [medeverdachte 1] reageert met de opmerking: ‘Weet je wie we ook gaan doen? [voornaam 4] ’. Duidelijk is, in de context van de hiervoor genoemde termen, dat met ‘doen’ het uitoefenen van ernstig geweld wordt bedoeld. Uit de reactie van [medeverdachte 2] blijkt dat hem duidelijk is wie [medeverdachte 1] met [voornaam 4] bedoelt;
- zoals hiervoor is toegelicht, heeft ook [medeverdachte 5] op 31 oktober 2019 contact over het kort daarvoor uitgeoefende geweld tegen [slachtoffer] , met de gebruiker van [Sky-ID 5] ( [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] ). Hij merkt op dat er eigenlijk een foto van [slachtoffer] zou moeten worden gemaakt. Ook wordt gesproken over de ‘hamers’, waarmee in deze context kennelijk wordt gedoeld op de tegen [slachtoffer] gebruikte slaghamer. [medeverdachte 5] merkt vervolgens op: ‘Hebben we nieuwe hamers setjes alles voor nieuwe klus moet uit belgie of duits’. [medeverdachte 5] overlegt hier dus over een nieuwe klus, meer specifiek – gelet op het gereedschap dat moet worden geregeld – een geweldsklus;
- op 13 november 2019 bericht [medeverdachte 1] ( [Sky-ID 1] ) aan [medeverdachte 2] (op dat moment de gebruiker van [Sky-ID 5] ) dat bij een onbekend gebleven persoon alle botten moeten worden gebroken. Ook moet deze persoon schade vergoeden en een boete betalen: vijftigduizend euro, deze week.
De organisatie beschikte, naast het genoemde voertuig dat bij (de voorbereiding van) het geweld tegen [slachtoffer] is gebruikt, over wapens en andere voorwerpen ten behoeve van dit geweld. Zoals besproken werden in de schuur van de grootouders van [verdachte] , die hij voor de organisatie als opslagplaats gebruikte, honkbalknuppels, klauwhamers en voorhamers gestald. Slagvoorwerpen, kortom, van het type als de slagwapens die zijn gebruikt bij het geweld tegen [slachtoffer] . Deze combinatie van slagwapens komt ook terug in de notities die zijn aangetroffen in de telefoon waaraan Sky-ID [Sky-ID 5] (in gebruik bij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] ) was gekoppeld, waarin onder het kopje ‘nodig’ het volgende stond vermeld:
10x hamer
5x moker
20x handschoenen
20x keukendoek
10x barbeque brander
5x knuppel
5x nokia telefoon nieuw
Op deze telefoon zijn voorts foto’s aangetroffen van kassabonnen van aangekochte klauwhamers en voorhamers. De goederen werden volgens de kassabonnen op 9 november 2019 aangeschaft. Deze lijst vertoont overeenkomsten met een lijst (met de naam ‘Inventaris’) die is aangetroffen in de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoon (met het Sky-ID [Sky-ID 1] ), waarop onder meer de volgende goederen staan:
3x jammers
1x jammer autolader
8x amo flesjes
2x gps tracker
Sweeper
3x af luister zender
Renault kastje 3x sleutel
Audi kastje a6 s6 rs6 t/m bouwjaar 2010
Audi kastje B7 = rs4 t/m 2008
Audi kastje B8 = a4 s4 rs4 a5 s5 rs5 t/m 2014
22x petjes
14x bivak
20x schroeven
Slotentrekker
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de organisatie voorwerpen op voorraad had die dienstig waren aan het door de organisatie beoogde geweld, naast de beoogde opzetheling. Ook de combinatie van de wapens en de overige in deze notities genoemde goederen, zoals handschoenen, petjes en bivaks (het hof begrijpt: bivakmutsen) – welke combinatie van goederen immers ook bij het geweld tegen [slachtoffer] is gebruikt – en de hoeveelheid van al die goederen (‘5 x knuppel’, ’14 x bivak’) wijst op het bredere oogmerk van het plegen van fors geweld door de organisatie.
Het samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] was kortom ook gericht op het plegen van zware mishandeling met voorbedachte raad.
Vrijspraak oogmerk van voorbereiding van moord
Zowel de advocaten-generaal als de verdediging hebben bepleit dat [verdachte] zal worden vrijgesproken van de deelname aan de criminele organisatie met het oogmerk van (de voorbereiding van) moord.
Ook het hof zal, in lijn ook met de rechtbank, [verdachte] van dit onderdeel vrijspreken. [verdachte] komt als deelnemer van de organisatie pas op 10 oktober 2019 – als zijn DNA wordt aangetroffen in de gestolen Volkswagen Multivan – in beeld. De (voorbereiding van de) moord op Wiersum is van vóór die datum. Ook overigens blijkt uit het dossier niet dat [verdachte] betrokken is geweest bij gedragingen ter verwezenlijking van het oogmerk van (de voorbereiding van) moord.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
1.in de periode van 10 oktober 2019 tot en met 30 november 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en O. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- opzetheling (van voertuigen) als bedoeld in artikel 416/417 Wetboek van Strafrecht en
- zware mishandeling met voorbedachten rade als bedoeld in artikel 303/302 Wetboek van Strafrecht; - opzettelijk voorhanden hebben en gebruik maken van een vals geschrift (valse kentekenplaten) als bedoeld in artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht en het voeren van valse kentekens als bedoeld in artikel 41 eerste lid, onder c en/of d van de Wegenverkeerswet 1994;
2. primairop 30 oktober 2019 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen met een moker en een honkbalknuppel met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, waarnaar is verwezen in de voetnoten bij de vorenstaande bewijsoverwegingen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van poging tot moord.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 (meer subsidiair) bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden met aftrek van het voorarrest.
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest, zal opleggen voor de onder 1 en 2 meer subsidiair (medeplegen zware mishandeling met voorbedachte raad) ten laste gelegde feiten. Daarin is de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd.
Namens de verdachte heeft de raadsman verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en aangevoerd dat de verdachte hoogstens een ondergeschikte, faciliterende rol heeft gespeeld. Ook heeft hij gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
Het hof slaat bij de straftoemeting acht op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Zoals hiervoor overwogen heeft de verdachte de uitvoerders van het geweld in een busje naar de plek gereden waar het beoogde slachtoffer naar toe is gelokt. De uitvoerders waren voorzien van handschoenen, bivakmutsen en verschillende slagwapens, waaronder een honkbalknuppel en een slaghamer. De verdachte heeft het voertuig op de plaats delict tot stilstand gebracht, waarna zijn mededaders uit het busje zijn gesprongen, het slachtoffer achterna zijn gerend en hem hebben ingesloten. Het slachtoffer is op de grond beland en is vervolgens met fors geweld met die slagwapens door de mededaders in elkaar geslagen. Hij is onder andere op zijn hoofd en rug geraakt, met onder meer een schedelbasisfractuur tot gevolg. Pas toen omstanders ter plaatse kwamen stopten de mededaders met het geweld. Een van de mededaders kwam nog een keer terug om het op de grond liggende slachtoffer nogmaals met een slagwapen te slaan, waarna zij zich weer naar de door de verdachte bestuurde bus begaven en waarop de verdachte en zijn mededaders spoorslags zijn vertrokken.
In het oog springend bij dit misdrijf zijn het planmatige karakter en het ogenschijnlijke gemak waarmee de verdachte heeft bijgedragen aan een zeer gewelddadige vorm van eigenrichting in een conflict waar hij zelf – naar het zich laat aanzien – part noch deel aan had. Er is sprake geweest van een professionele voorbereiding en uitvoering van het misdrijf, waarbij de geweldpleging plaats heeft gevonden in de context van een crimineel netwerk.
Bij dit alles is de verdachte een onmisbare schakel geweest. Zoals bij de feitenbespreking overwogen is hij niet alleen betrokken geweest bij het vervoeren van de uitvoerders van het geweld, maar zorgde hij er daarna met anderen voor dat de bij het geweld gebruikte bus uit het directe zicht verdween uit Utrecht. Van een strafmatigende ondergeschiktheid, zoals de raadsman heeft betoogd, is dan ook geen sprake. Integendeel.
Het slachtoffer heeft onder meer een gebroken hand, een gekneusde rib, een schedelfractuur, hoofdwonden en een gebroken/gekneusd scheenbeen opgelopen, maar om het slachtoffer heeft de verdachte zich in het geheel niet bekommerd maar hij heeft er voor gezorgd dat de uitvoerders zich uit de voeten konden maken. Evenmin was er voor de verdachte en zijn mededaders enige belemmering om de aanslag uit te voeren op de openbare weg, midden in een woonwijk, op een tijdstip dat er nog mensen over straat liepen. Meerdere passanten zijn dan ook met deze geweldsuitbarsting geconfronteerd. Ook op hen zal dit een blijvende indruk hebben gemaakt.
De verdachte heeft zich aldus beziggehouden met de uitvoering van een vergelding in het criminele milieu op bestelling. De verdachte heeft eerst bij gelegenheid van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep, deels zelfs pas na het pleidooi van zijn raadsman, een volstrekt onaannemelijke verklaring afgelegd waarin hij heeft geprobeerd zijn werkelijke rol te verdoezelen. Hij heeft hiermee op geen enkele wijze verantwoordelijkheid willen nemen voor zijn handelen.
De raadsman heeft er aandacht voor gevraagd dat de verdachte slechts een ondergeschikte en faciliterende rol heeft gehad. Zoals hiervoor overwogen volgt het hof de raadsman niet in die stelling. Bovendien heeft te gelden dat juist doordat mensen als de verdachte op afroep beschikbaar zijn om op bestelling – in het geval van de verdachte: als chauffeur – aanslagen als de onderhavige mede te plegen, criminele netwerken hun onderlinge vetes met geweld kunnen blijven uitvechten en aanjagers van dergelijk geweld grotendeels zelf buiten beeld kunnen proberen te blijven. De lichtvaardige beschikbaarheid van een chauffeur bij de uitvoering van dergelijk geweld, vormt een essentiële schakel in het systeem van criminele afrekeningen en afstraffingen in de publieke ruimte. Wel ziet het hof in de rol die de verdachte aanleiding om een lagere straf als uitgangspunt te nemen dan bij de uitvoerders die de geweldshandelingen daadwerkelijk hebben verricht. Verder is van belang dat het hof weliswaar komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot moord, maar dat er geen aanwijzingen in het dossier zijn dat de aanslag reeds vanaf het moment dat die gepland werd gericht was op de dood van het slachtoffer. Dit in ogenschouw nemend neemt het hof als uitgangspunt voor de bewezen verklaarde poging tot moord een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.
De verdachte heeft daarnaast in de periode van 10 oktober 2019 tot en met 30 november 2019 deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk van, kort gezegd, voertuigcriminaliteit, valsheid in geschrifte en zware mishandeling met voorbedachte raad. De verdachte had gedurende deze periode een actieve en belangrijke rol in de organisatie; zo verschafte hij onder meer een ‘stash’ (geheime opbergplaats) voor (valse) kentekenplaten en slagvoorwerpen en was hij betrokken bij het geweldsfeit zoals hiervoor besproken.
De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt bepaald door het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde én de (daarmee samenhangende) aard van de misdrijven die worden beoogd. Het behoeft geen betoog dat de ernstige misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht, voor onrust en een gevoelens van onveiligheid zorgen in de samenleving. Als uitgangspunt voor de bewezen verklaarde deelname aan een criminele organisatie neemt het hof voor deze verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar.
Naast vergelding spelen de bescherming van de samenleving en generale preventie in deze zaak een belangrijke rol bij de straftoemeting. Strafbare feiten als deze dienen daarom tot een krachtige reactie van de strafrechter te leiden.
Redelijke termijn
De redelijke termijn van berechting is in eerste aanleg overschreden. De verdachte is op 3 juni 2020 aangehouden en in verzekering gesteld. De behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg had moeten zijn afgerond met een einduitspraak binnen de, gelet op de duur van de voorlopige hechtenis, aan te leggen maatstaf van 24 maanden na de aanhouding en inverzekeringstelling. De rechtbank heeft 15 maart 2024 vonnis gewezen. Er is in eerste aanleg dus sprake van een overschrijding met ruim 21 maanden.
De redelijke termijn is ook in hoger beroep overschreden. De behandeling ter terechtzitting in hoger beroep had moeten zijn afgerond met een einduitspraak binnen de, gelet op de duur van de voorlopige hechtenis, aan te leggen maatstaf van 24 maanden nadat hoger beroep is ingesteld. De officier van justitie en de verdachte hebben op respectievelijk 28 en 29 maart 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst arrest op 7 september 2026. Er is in hoger beroep dus sprake van een overschrijding met ruim vijf maanden.
Gelet op de overschrijding van de termijn in beide instanties zal het hof de gevangenisstraf van zeven jaren verminderen met zes maanden. Dit betekent dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd.
De tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 63, 140 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaar en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. S.M.M. Bordenga en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 september 2026.
[..]