GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/676
9 juli 2026
uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraak van 31 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/5823 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1. de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
1. Ontstaan en loop van het geding
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.
In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:
een beroepschrift door belanghebbende;
een verweerschrift door de inspecteur;
nadere stukken door belanghebbende op 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 28 april 2026 (“pleitnota” en “algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”), en
een nader stuk door de inspecteur op 30 april 2026.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
Belanghebbende heeft met dagtekening 28 december 2019 een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte VW Tiguan 1.5 TSI ACT Highline uit een andere EU-lidstaat (hierna: de auto).
In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens over de auto vermeld:
Datum eerste toelating
21 januari 2019
CO2-uitstoot
138 g/km
Bruto bpm
€ 7.575
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 31.350
Historische nieuwprijs
€ 45.507
Handelsinkoopwaarde (cf. taxatierapport)
€ 9.700
Verschuldigde bpm
€ 1.614
Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] ( [A] VOF) van 28 december 2019. In dat rapport is vermeld dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto € 25.594 is, bepaald door vergelijking met geadverteerde verkoopprijzen van drie referentievoertuigen onder aftrek van een marge. Het taxatierapport bevat daarnaast een schadecalculatie tot een bedrag van € 15.911,50 (inclusief btw), waarvan alleen spuitwerk € 6.695 (exclusief btw) uitmaakt, en diverse foto’s.
De auto is op 3 januari 2020 geschouwd bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ van de schouw zijn de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 28.877
Historische nieuwprijs
€ 42.254
Handelsinkoopwaarde onbeschadigd (o.b.v. koerslijst AutotelexPRO)
€ 25.278
Waardevermindering door schade
€ 848 (79% van € 1.079 gecalculeerde schade)
Handelsinkoopwaarde
€ 24.230
De door DRZ gecalculeerde schade betreft spuitwerk aan het voorscherm links, aan de linkerachterdeur en aan de achterbumper.
Bij het verslag van DRZ is een koerslijst van Eurotax gevoegd. De in die koerslijst vermelde inkoopwaarde van € 25.488 is de som van een basiswaarde van € 25.312, een maandaanpassing van -/- € 1.140, een kilometerbijstelling van -/- € 630 en een bedrag aan “totaal opties” van € 1.906. De in de koerslijst vermelde bijstellingen voor markt- en dealersituatie – na de kilometerbijstelling maar vóór de opties – zijn op nihil gesteld.
Na voorafgaande kennisgeving met daarin geboden de gelegenheid tot reageren binnen drie weken, van welke mogelijkheid belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt, heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd van € 2.765, op basis van een verschuldigde bpm van € 4.379, berekend uitgaande van de gegevens in het verslag van DRZ. Belanghebbende heeft op 13 augustus 2020 tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Na belanghebbende op 15 april 2021 te hebben gehoord, heeft de inspecteur de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 3 augustus 2022 gehandhaafd.
Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is uit naam van belanghebbende ingediend door de gemachtigde. Bij het beroepschrift is een schriftelijke machtiging van 12 augustus 2020 gevoegd. De rechtbank heeft medio 2024 de gemachtigde verzocht een recente schriftelijke machtiging over te leggen en daartoe een termijn geboden die uiteindelijk is geëindigd op 21 juni 2024. Op 2 september 2024 heeft de rechtbank een (digitaal) ondertekende machtiging met dagtekening 28 augustus 2024 ontvangen met daarbij een kopie van een verblijfsdocument van belanghebbende. Daarna heeft de rechtbank (de gemachtigde van) belanghebbende uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op de zitting van 2 december 2024.
3. Geschil in hoger beroep
Tussen partijen is in geschil of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard en, zo niet, of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.
4. Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep
Op zich had de rechtbank het beroep vereenvoudigd niet-ontvankelijk kunnen verklaren na het ongebruikt verstrijken van de door haar geboden termijn voor het overleggen van een recente schriftelijke machtiging (artikelen 6:5 en 8:54 van de Awb; vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2). Een (redelijke) grond voor niet-ontvankelijkverklaring is echter komen te vervallen doordat de rechtbank heeft besloten de zaak op zitting te behandelen en ten tijde van die zitting alsnog een recente schriftelijke machtiging voorlag. Verder is het oordeel van de rechtbank dat de overgelegde machtiging niet aan de vereisten van artikel 8:24, lid 2, van de Awb voldoet, onjuist. In artikel 8:24, lid 2, van de Awb zijn namelijk geen eisen gesteld aan een schriftelijke machtiging. Het beroep is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Op de voet van artikel 8:116 van de Awb ziet het Hof af van terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, omdat een nadere behandeling door de rechtbank niet nodig is. De inspecteur stelt daarop ook geen prijs. Het door belanghebbende gestelde belang bij terugwijzing, te weten – in het bijzonder – het kunnen afwachten van de uitkomsten van diverse lopende cassatieberoepen, staat los van de behandeling van deze zaak.
Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel
De klacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op grond van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, faalt. Belanghebbende is in de kennisgeving van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen in de gelegenheid gesteld zich binnen drie weken uit te laten over de feiten waarop de inspecteur dat voornemen baseerde, maar heeft die gelegenheid niet benut. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat de inspecteur belanghebbende nader of anders de gelegenheid had moeten bieden om te worden gehoord uit het oogpunt van waarborging van de effectieve mogelijkheid om zich uit te spreken over het voornemen en het bewijs waarop dat voornemen was gestoeld.
Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag
Belanghebbende klaagt wel terecht over de hoogte van de naheffingsaanslag. Meer bepaald komt een hogere historische nieuwprijs en een lagere handelsinkoopwaarde in aanmerking.
Uitgaande van de netto catalogusprijs van de auto van € 28.877, 21 percent omzetbelasting daarover en een bruto bpm op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen van € 7.575, moet van een historische nieuwprijs van € 42.516 worden uitgegaan.
Wat betreft de handelsinkoopwaarde geldt dat de koerslijst van Eurotax in de stukken de mogelijkheid bevat van bijstellingen voor markt- en dealersituatie die, indien toegepast, tot een lagere waarde leiden dan de getaxeerde waarde van € 24.230. Het Hof volgt daarbij niet de stelling van belanghebbende dat die bijstellingen in de koerslijst mede op het bedrag aan opties worden toegepast. De inspecteur heeft die stelling onder verwijzing naar de opbouw van de koerslijst ook gemotiveerd betwist. Desondanks leidt toepassing van de bijstellingen voor markt- en dealersituatie, die gecombineerd vijftien percent belopen, tot een waarde van € 21.916 (= (€ 25.312 -/- € 1.140 -/- € 630) * 0,85 + € 1.906). Het staat belanghebbende verder vrij om te ‘switchen’ naar de koerslijstmethode als dat voor hem gunstiger is (HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:421).
Anders dan de inspecteur heeft betoogd, rechtvaardigt de omstandigheid dat voor de auto een (iets) hogere historische nieuwprijs in aanmerking komt dan is vermeld in de koerslijst, door een twee gram hogere CO2-uitstoot, geen verhoging van de handelsinkoopwaarde. De koerslijstmethode houdt immers in dat de koerslijstwaarde onverkort wordt overgenomen als handelsinkoopwaarde (artikel 10, lid 7, van de Wet bpm 1992 (tekst 2019)). De inspecteur heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd betwist dat de koerslijst van Eurotax een voertuig betreft van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd als de auto. De enkele verwijzing naar het geringe verschil in CO2-uitstoot is daarvoor in de gegeven omstandigheden onvoldoende.
.
Voor zover belanghebbende een nog lagere handelsinkoopwaarde van de auto voorstaat, in verband met schade aan de auto, wordt hij daarin niet gevolgd. Het Hof ziet onvoldoende grond om te oordelen dat de auto ten tijde van de registratie minder waard was dan € 21.916. Daarbij komt in aanmerking dat zowel de taxateur van belanghebbende als DRZ van een hogere handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat is uitgegaan en dat in het kader van de taxatiemethode, waarnaar belanghebbende dan moet terugkeren, slechts de eindwaarde van de individuele taxatie ter beoordeling voorligt (HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:361).
De omstandigheid dat de auto binnen twee maanden na de tariefwijziging van 1 januari 2019 voor het eerst tot de weg is toegelaten, is ten slotte onvoldoende om van een lagere bruto bpm uit te gaan. Belanghebbende heeft niet (voldoende gemotiveerd) gesteld dat ten tijde van de registratie van de auto in Nederland gebruikte motorrijtuigen in de handel waren die gelijksoortig zijn aan de auto, een gelijke handelsinkoopwaarde hebben, in de maanden januari of februari van 2019 voor het eerst op de weg in Nederland zijn toegelaten, en ter zake waarvan nog naar het tot 1 januari 2019 geldende tarief bpm is geheven. Evenmin bestaat grond om de bruto bpm voor de auto naar een lagere CO2-uitstoot te berekenen in verband met de overgang van de NEDC- naar de WLTP-meetmethode. In al haar algemeenheid houdt de klacht van belanghebbende in dat verband niet eens de stelling in dat de CO2-uitstoot van de auto volgens laatstbedoelde methode is bepaald.
Gelet op het vorenoverwogene bedraagt de verschuldigde bpm voor de registratie van de auto € 3.904 (21.916 / 42.516 * € 7.575). De naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.290 (€ 3.904 ‑/‑ € 1.614).
Ten aanzien van de overige klachten
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 7 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond. Het beroep moet gegrond in plaats van niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Vergoeding van immateriële schade
Nu het beroep alsnog ontvankelijk is verklaard, bestaat tevens reden het in eerste aanleg door belanghebbende gedane verzoek tot vergoeding van immateriële schade (alsnog) toe te wijzen tot een bedrag van € 2.500. De redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg is namelijk met 29 maanden overschreden. Omdat van die overschrijding 18 maanden op de bezwaarschriftprocedure betrekking hebben, komt € 1.552 van het te vergoeden bedrag voor rekening van de inspecteur. De Staat wordt veroordeeld in het resterende bedrag van € 948.
Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de in 5.1 vermelde vergoeding de daadwerkelijk geleden immateriële schade niet ten minste benadert. Reeds daarom bestaat geen reden om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU te stellen.
6. Kosten
Aanleiding bestaat de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende. Het betreft kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Voor het geding in hoger beroep geldt dat de onderhavige zaak en de zaken met kenmerken 25/737, 25/1006, 25/1337, 25/1342, 25/1343 en 25/1344 samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en daarom als één zaak zijn te beschouwen. De zaken zijn gelijktijdig behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde zijn (vrijwel) identiek geweest, getuige onder meer de nagenoeg gelijkluidende stukken die zijn ingediend. De te vergoeden kosten in al die zeven zaken samen worden met toepassing van het forfait van het Besluit en artikel 19a van de Wet bpm 1992 vastgesteld op € 350,25 (2 punten, puntwaarde € 934, wegingsfactor 0,5, vermenigvuldigingsfactor 1,5 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). Dat komt neer op afgerond € 50 in elk van de zaken.
Ook voor het geding in beroep wordt uitgegaan van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit met de in 6.2 vermelde zaken, zij het met uitzondering van de zaken met kenmerken 25/737, 25/1006, en 25/1344 (die beroepen zijn ongegrond), dan wel van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit. In die beroepen, die het Hof tegelijk inhoudelijk heeft behandeld, heeft de gemachtigde overwegend op sjabloonmatige wijze dezelfde geschilpunten aan de orde gesteld met enige verschillen in de details die tot een gegrond beroep hebben geleid. Het Hof is bovendien ambtshalve ermee bekend dat de gemachtigde in nog honderden dan wel duizenden vergelijkbare zaken op vergelijkbare wijze procedeert. Als de synergievoordelen die als gevolg daarvan optreden worden genegeerd, en bij de bepaling van het bedrag van de te vergoeden kosten onverkort wordt vastgehouden aan het forfait van het Besluit, wordt een vergoeding toegekend die de in redelijkheid daadwerkelijk gemaakte kosten verre overtreft. De te vergoeden kosten in alle vier zaken samen worden daarom vastgesteld op € 1.401 (2 punten, puntwaarde € 934, wegingsfactor 0,5, vermenigvuldigingsfactor 1,5). Dat komt neer op afgerond € 351 in elk van de zaken.
Ten slotte acht het Hof ook wat betreft de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit aanwezig. Wederom omdat stukken op sjabloonmatige wijze zijn ingericht en verder omdat uit de stukken blijkt dat op hoorzittingen tientallen zaken ineens worden behandeld, waarbij de gemachtigde slechts in enkele zaken, waaronder niet deze zaak, specifieke opmerkingen maakt. Ex aequo et bono stelt het Hof de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar daarom vast op € 100.
De inspecteur zal daarom in deze zaak in totaal worden veroordeeld tot een vergoeding van kosten aan belanghebbende van € 501 (€ 50 + € 351 + € 100), waarbij het Hof tevens zal beslissen over vergoeding van wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
7. Beslissing
Het Hof:
De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: