GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/737
9 juli 2026
uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraak van 31 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/4078 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1. de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
1. Ontstaan en loop van het geding
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) nietontvankelijk verklaard en het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.
In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:
een beroepschrift door belanghebbende;
een verweerschrift door de inspecteur;
nadere stukken door belanghebbende op 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 28 april 2026 (“pleitnota” en “algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”), en
een nader stuk door de inspecteur op 30 april 2026.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
Belanghebbende heeft met dagtekening 27 februari 2020 een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Volkswagen Polo 2.0 TSI GTI uit een andere EU-lidstaat (hierna: de auto).
In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens over de auto vermeld:
Datum eerste toelating
3 juni 2019
CO2-uitstoot
141 g/km
Bruto bpm
€ 8.136
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 20.671
Historische nieuwprijs
€ 32.587
Handelsinkoopwaarde (cf. taxatierapport)
€ 2.900
Verschuldigde bpm
€ 723
Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] ( [A] VOF). In dat rapport is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 25 februari 2020 en dat handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto € 14.293 is, bepaald door vergelijking met geadverteerde verkoopprijzen van drie referentievoertuigen onder aftrek van een marge. Het taxatierapport bevat daarnaast een schadecalculatie tot een bedrag van € 11.459 (inclusief btw), waarvan alleen spuitwerk € 4.615 (exclusief btw) uitmaakt, en diverse foto’s. Ten slotte is bij het taxatierapport een koerslijst van AutotelexPRO van 26 februari 2020 gevoegd, waarin een (handelsinkoop)waarde voor een voertuig als de auto is vermeld van € 19.067.
Op een verzoek van de inspecteur tot het toesturen van, onder meer, de aankoopfactuur en reparatienota’s betreffende de auto, heeft belanghebbende een factuur gestuurd van een bedrijf in Nederland ( [B] BV uit Amsterdam) waarop voor de auto € 14.000 aan haar in rekening is gebracht en een reparatiefactuur van € 7.641,26 (inclusief btw) van 12 juni 2026 voor schadeherstel aan de linker voorzijde. In een begeleidende e-mail aan de inspecteur heeft belanghebbende geschreven dat zij op 23 mei 2020 een auto-ongeluk heeft gehad en dat bij het schadeherstel tevens oude schade is gerepareerd.
Na voorafgaande kennisgeving met daarin geboden de gelegenheid tot reageren binnen drie weken, van welke mogelijkheid belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt, heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd op basis van een verschuldigde bpm van in de basis € 4.760. Daarbij is de inspecteur uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van de auto van € 19.067, ontleend aan de koerslijst van AutotelexPRO die bij het taxatierapport van belanghebbende was gevoegd. Vervolgens heeft de inspecteur een ‘extra leeftijdkorting’ van € 250 toegepast, uitgaande van een tenaamstelling van de auto op 4 maart 2020. Een en ander resulteert in een na te heffen bedrag van € 3.787 (€ 4.760 -/- € 250 -/- € 723).
Belanghebbende heeft op 24 februari 2021 tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Na (de gemachtigde van) belanghebbende te hebben uitgenodigd voor een via WebEx te houden hoorgesprek op 27 mei 2021, waar namens belanghebbende niemand is verschenen, heeft de inspecteur de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 24 mei 2022 gehandhaafd.
Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is uit naam van belanghebbende ingediend door de gemachtigde. Bij het beroepschrift is een schriftelijke machtiging van 14 februari 2021 gevoegd. De rechtbank heeft medio 2024 de gemachtigde verzocht een recente schriftelijke machtiging over te leggen en daartoe een termijn geboden die is geëindigd op 21 mei 2024. Op 21 mei 2024 is verzocht om uitstel. Vervolgens heeft de rechtbank op 23 mei 2024 (een afschrift van) een machtiging van diezelfde dag ontvangen met een kopie van het paspoort van belanghebbende. Daarna heeft de rechtbank (de gemachtigde van) belanghebbende uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op de zitting van 2 december 2024.
3. Geschil in hoger beroep
Tussen partijen is in geschil of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard en, zo niet, of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.
4. Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep
Op zich had de rechtbank het beroep vereenvoudigd niet-ontvankelijk kunnen verklaren na het ongebruikt verstrijken van de door haar geboden termijn voor het overleggen van een recente schriftelijke machtiging (artikelen 6:5 en 8:54 van de Awb; vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2). Een (redelijke) grond voor niet-ontvankelijkverklaring is echter komen te vervallen doordat de rechtbank heeft besloten de zaak op zitting te behandelen en ten tijde van die zitting alsnog een recente schriftelijke machtiging voorlag. Verder is het oordeel van de rechtbank dat de overgelegde machtiging niet aan de vereisten van artikel 8:24, lid 2, van de Awb voldoet, onjuist. In artikel 8:24, lid 2, van de Awb zijn namelijk geen eisen gesteld aan een schriftelijke machtiging. Het beroep is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Op de voet van artikel 8:116 van de Awb ziet het Hof af van terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, omdat een nadere behandeling door de rechtbank niet nodig is. De inspecteur stelt daarop ook geen prijs. Het door belanghebbende gestelde belang bij terugwijzing, te weten – in het bijzonder – het kunnen afwachten van de uitkomsten van diverse lopende cassatieberoepen, staat los van de behandeling van deze zaak.
Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel
De klacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op grond van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, faalt. Belanghebbende is in de kennisgeving van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen in de gelegenheid gesteld zich binnen drie weken uit te laten over de feiten waarop de inspecteur dat voornemen baseerde, maar heeft die gelegenheid niet benut. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat de inspecteur belanghebbende nader of anders de gelegenheid had moeten bieden om te worden gehoord uit het oogpunt van waarborging van de effectieve mogelijkheid om zich uit te spreken over het voornemen en het bewijs waarop dat voornemen was gestoeld.
Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag
De klachten over de hoogte van de naheffingsaanslag slagen voor zover het de in aanmerking komende historische nieuwprijs betreft, maar leiden niet tot vermindering van de naheffingsaanslag, omdat de inspecteur zich er terecht op heeft beroepen een te hoog bedrag aan ‘extra leeftijdkorting’ te hebben toegepast.
Uitgaande van de netto catalogusprijs van de auto van € 20.671, 21 percent omzetbelasting daarover en een bruto bpm op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen van € 8.136, moet van een historische nieuwprijs van € 33.147 worden uitgegaan. Daarentegen hoeft de handelsinkoopwaarde niet te worden verlaagd. Op de foto’s bij het taxatierapport valt meer dan normale gebruiksschade niet waar te nemen, terwijl de taxatie in dat rapport ook overigens, onder meer gezien het exorbitante bedrag aan spuitkosten, bepaald ongeloofwaardig is. Verder hoeft de inspecteur geen koerslijst van XRAY over te leggen, omdat niet aannemelijk is dat hij daarover (heeft) beschikt.
Uitgaande van de hogere historische nieuwprijs bedraagt de verschuldigde bpm voor de registratie van de auto in beginsel € 4.680 (19.067 / 33.147 * € 8.136). Gelet echter op de dagtekening van de aangifte, de datum van de koerslijst en de datum van tenaamstelling van de auto bestaat – conform onderdeel 6.2 van het Kaderbesluit bpm – hooguit voor één maand recht op ‘extra leeftijdkorting’, te weten de tiende maand afschrijving volgens de tabel in artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling bpm 1992. Daarvan uitgaande moet de verschuldigde bpm worden verminderd met € 94, gelijk 1,444 percent van de herrekende bruto bpm van € 6.611 (€ 4.680 / (1 – 0,28)). Dat leidt tot een verschuldigde bpm van uiteindelijk € 4.586, terwijl de naheffingsaanslag is vastgesteld op basis van een verschuldigde bpm van € 4.510.
Ten aanzien van de overige klachten
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 7 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond. Het beroep moet ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Vergoeding van immateriële schade
Nu het beroep alsnog ontvankelijk is verklaard, bestaat tevens reden het in eerste aanleg door belanghebbende gedane verzoek tot vergoeding van immateriële schade (alsnog) toe te wijzen tot een bedrag van € 2.000. De redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg is namelijk met 23 maanden overschreden. Omdat van die overschrijding 10 maanden op de bezwaarschriftprocedure betrekking hebben, komt € 870 van het te vergoeden bedrag voor rekening van de inspecteur. De Staat wordt veroordeeld in het resterende bedrag van € 1.130.
Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de in 5.1 vermelde vergoeding de daadwerkelijk geleden immateriële schade niet ten minste benadert. Reeds daarom bestaat geen reden om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU te stellen.
6. Kosten
Aanleiding bestaat de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding in hoger beroep. Daarbij geldt dat de onderhavige zaak en de zaken met kenmerken 25/676, 25/1006, 25/1337, 25/1342, 25/1343 en 25/1344 samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en daarom als één zaak zijn te beschouwen. De zaken zijn gelijktijdig behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde zijn (vrijwel) identiek geweest, getuige onder meer de nagenoeg gelijkluidende stukken die zijn ingediend. De te vergoeden kosten in al die zeven zaken samen worden met toepassing van het forfait van het Besluit en artikel 19a van de Wet bpm 1992 vastgesteld op € 350,25 (2 punten, puntwaarde € 934, wegingsfactor 0,5, vermenigvuldigingsfactor 1,5 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). Dat komt neer op afgerond € 50 in elk van de zaken.
7. Beslissing
Het Hof:
De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: