ECLI:NL:GHAMS:2026:2524

ECLI:NL:GHAMS:2026:2524

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 09-07-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 25/1337
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Bpm. Beroep bij rechtbank gegrond (in verband met lage waarde per punt kostenvergoeding bezwaarfase) in plaats van niet-ontvankelijk. Op basis van bijzondere omstandigheid ondanks overschrijding redelijke termijn geen toekenning van vergoeding van immateriële schade (IMSV).

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/1337

9 juli 2026

uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

tegen de uitspraak van 31 maart 2025 in de zaak met kenmerk HAA 22/4640 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

1. de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en

2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

1. Ontstaan en loop van het geding

In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:

een beroepschrift door belanghebbende;

een verweerschrift door de inspecteur;

nadere stukken door belanghebbende op 4 december 2025 (“conclusie van repliek”), 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 28 april 2026 (“pleitnota” en “algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”), en

een nader stuk door de inspecteur op 30 april 2026.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

Belanghebbende heeft met dagtekening 14 juni 2020 een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte BMW 540i xDrive High Executive uit een andere EU-lidstaat (hierna: de auto).

In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens over de auto vermeld:

Datum eerste toelating

31 mei 2018

Bruto bpm

€ 17.173

Historische nieuwprijs

€ 98.213

Handelsinkoopwaarde (cf. taxatierapport)

€ 25.750

Verschuldigde bpm

€ 4.501

Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] ([A] VOF). In dat rapport is vermeld dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto € 38.866 is, bepaald door vergelijking met geadverteerde verkoopprijzen van drie referentievoertuigen onder aftrek van een marge. Het taxatierapport bevat daarnaast een schadecalculatie tot een bedrag van € 15.850,37 (inclusief btw), waarvan alleen spuitwerk € 5.815 (exclusief btw) uitmaakt, en diverse foto’s.

Op een verzoek van de inspecteur tot het toesturen van, onder meer, de aankoopfactuur en reparatienota’s betreffende de auto, heeft belanghebbende enige reparatienota’s uit augustus en september 2020 gestuurd, in totaal voor een bedrag van € 2.712 (inclusief btw).

Bij brief van 30 april 2021 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om voor de auto bpm na te heffen. In die brief merkt de inspecteur op dat hij het taxatierapport bij de aangifte bpm niet juist acht, omdat (i) onvoldoende inzichtelijk is of de gehanteerde referentievoertuigen representatief zijn voor de auto en (ii) allerlei schadeposten zijn opgevoerd die geen schade betreffen. De inspecteur heeft de verschuldigde bpm bepaald op € 9.544, mede uitgaande van de volgende gegevens in afwijking van de aangifte:

Historische nieuwprijs

€ 105.750

Handelsinkoopwaarde onbeschadigd (o.b.v. koerslijst)

€ 51.774

Waardevermindering door schade

€ 1.820 (72% van € 2.527)

Handelsinkoopwaarde

€ 49.954

Nadat van de geboden gelegenheid tot reageren op het voornemen binnen drie weken geen gebruik was gemaakt, heeft de inspecteur met dagtekening 25 juni 2021 de naheffingsaanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van € 5.003.

Belanghebbende heeft op 19 juli 2021 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Op 17 januari 2022 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. De inspecteur de naheffingsaanslag daarna bij uitspraak op bezwaar van 26 juli 2022 verminderd tot € 3.569, met als reden dat bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een onjuiste datum van eerste toelating en de verschuldigde bpm € 8.110 bedraagt als wordt uitgegaan van de juiste datum van eerste toelating van de auto. Daarbij heeft de inspecteur een proceskostenvergoeding van € 538 toegekend (2 punten, waarde per punt € 269 en wegingsfactor 1).

Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is uit naam van belanghebbende ingediend door de gemachtigde. Bij het beroepschrift is een schriftelijke machtiging van 17 maart 2021 gevoegd. De rechtbank heeft medio 2024 de gemachtigde verzocht een recente schriftelijke machtiging over te leggen en daartoe een termijn geboden. Al dan niet binnen die termijn is in een andere zaak van belanghebbende gevolg gegeven aan het verzoek van de rechtbank. Daarna heeft de rechtbank (de gemachtigde van) belanghebbende uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op de zitting van 25 februari 2025.

In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is onder meer vermeld:

“Rechter: De volgende zaak is (…) zaaknummer 22/4640, geen machtiging van gekregen.

Verhoeven: Wel.

(…)

Rechter: Hij zit in de vorige pluk zaken en daar is inderdaad een nieuwe machtiging ingediend.”

Bij het hogerberoepschrift is gevoegd een schriftelijke machtiging van belanghebbende met dagtekening 7 juni 2024 met daarbij een kopie van zijn paspoort.

3. Geschil in hoger beroep

Tussen partijen is in geschil of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard en, zo niet, of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep

Op zich kan de rechtbank het beroep vereenvoudigd niet-ontvankelijk verklaren na het ongebruikt verstrijken van een geboden termijn tot het overleggen van een recente schriftelijke machtiging (artikelen 6:5 en 8:54 van de Awb; vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2). Een (redelijke) grond voor niet-ontvankelijkverklaring is in dit geval echter komen te vervallen, zo die al heeft bestaan (onduidelijk is namelijk wanneer de machtiging precies is overgelegd), doordat de rechtbank heeft besloten de zaak op zitting te behandelen en ten tijde van die zitting kennelijk alsnog een recente schriftelijke machtiging voorlag. Verder is het oordeel van de rechtbank dat de overgelegde machtiging niet aan de vereisten van artikel 8:24, lid 2, van de Awb voldoet, onjuist. In artikel 8:24, lid 2, van de Awb zijn namelijk geen eisen gesteld aan een schriftelijke machtiging. Het beroep is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Op de voet van artikel 8:116 van de Awb ziet het Hof af van terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, omdat een nadere behandeling door de rechtbank niet nodig is. De inspecteur stelt daarop ook geen prijs. Het door belanghebbende gestelde belang bij terugwijzing, te weten – in het bijzonder – het kunnen afwachten van de uitkomsten van diverse lopende cassatieberoepen, staat los van de behandeling van deze zaak.

Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel

De klacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op grond van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, faalt. Belanghebbende is in de kennisgeving van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen in de gelegenheid gesteld zich binnen drie weken uit te laten over de feiten waarop de inspecteur dat voornemen baseerde, maar heeft die gelegenheid niet benut. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat de inspecteur belanghebbende nader of anders de gelegenheid had moeten bieden om te worden gehoord uit het oogpunt van waarborging van de effectieve mogelijkheid om zich uit te spreken over het voornemen en het bewijs waarop dat voornemen was gestoeld.

Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag

De klachten over de hoogte van de naheffingsaanslag falen. Mede in aanmerking genomen dat het taxatierapport bij de aangifte bpm duidelijk ondeugdelijk is, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door de inspecteur gehanteerde handelsinkoopwaarde van € 49.954 te hoog is. Belanghebbende heeft daartoe ook niets specifieks naar voren gebracht. Eveneens faalt de klacht over de in aanmerking genomen CO2-uitstoot in verband met de overgang van de NEDC- naar de WLTP-meetmethode. In al haar algemeenheid houdt die klacht niet eens de stelling in dat de CO2-uitstoot van de auto volgens laatstbedoelde methode is bepaald. Nu de historische nieuwprijs ten slotte niet in geschil is, moet het daarom ervoor worden gehouden dat de inspecteur de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

Ten aanzien van de kosten voor de behandeling van het bezwaar

Belanghebbende klaagt terecht dat de inspecteur de forfaitair bepaalde kosten voor de behandeling van het bezwaar ten onrechte heeft vastgesteld uitgaande van de lage waarde per punt (vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752). Het Hof zal de kostenvergoeding voor de bezwaarfase nader vaststellen op € 1.332. Daarbij zijn de uitgangspunten van de inspecteur over het aantal punten en de wegingsfactor overgenomen en is uitgegaan van een waarde per punt van € 666. Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding, ook niet op grond van het Unierecht, reeds omdat niet is gesteld dat belanghebbende meer kosten heeft gemaakt.

Ten aanzien van de overige klachten

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 7 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.

Slotsom

Het hoger beroep is gegrond. Het beroep moet gegrond (in verband met de vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar) in plaats van niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. Vergoeding van immateriële schade

Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. Over de naheffingsaanslag heeft belanghebbende in wezen enkel standpunten van algemene aard ingenomen, zoals dat naheffing na het belastbare feit niet is toegestaan, zonder zich op concrete onjuistheden in de naheffingsaanslag te richten. Over bedoelde standpunten heeft de Hoge Raad al voordat het beroep was ingesteld geoordeeld dat zij van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, nadat de rechtbanken en de gerechtshoven reeds bij voortduring in die zin hadden geoordeeld (en dat sindsdien weer hebben gedaan). Het kan daarom niet anders zijn dan dat de gemachtigde van belanghebbende, wiens kennis aan belanghebbende wordt toegerekend, steeds heeft geweten dat over de belastingheffing slechts standpunten ‘tegen beter weten in’ zijn ingenomen. Daardoor ontbreekt een relevant financieel belang van belanghebbende bij de procedure. Dat vormt een bijzondere omstandigheid om ondanks de overschrijding van de redelijke termijn geen vergoeding van immateriële schade toe te kennen (vgl. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3).

6. Kosten

Aanleiding bestaat de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende. Het betreft kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Voor het geding in hoger beroep geldt dat de onderhavige zaak en de zaken met kenmerken 25/676, 25/737, 25/1006, 25/1342, 25/1343 en 25/1344 samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en daarom als één zaak zijn te beschouwen. De zaken zijn gelijktijdig behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde zijn (vrijwel) identiek geweest, getuige onder meer de nagenoeg gelijkluidende stukken die zijn ingediend. De te vergoeden kosten in al die zeven zaken samen worden met toepassing van het forfait van het Besluit en artikel 19a van de Wet bpm 1992 vastgesteld op € 350,25 (2 punten, puntwaarde € 934, wegingsfactor 0,5, vermenigvuldigingsfactor 1,5 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). Dat komt neer op afgerond € 50 in elk van de zaken.

Ook voor het geding in beroep wordt uitgegaan van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit met de in 6.2 vermelde zaken, zij het met uitzondering van de zaken met kenmerken 25/737, 25/1006, en 25/1344 (die beroepen zijn ongegrond), dan wel van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit. In die beroepen, die het Hof tegelijk inhoudelijk heeft behandeld, heeft de gemachtigde overwegend op sjabloonmatige wijze dezelfde geschilpunten aan de orde gesteld met enige verschillen in de details die tot een gegrond beroep hebben geleid. Het Hof is bovendien ambtshalve ermee bekend dat de gemachtigde in nog honderden dan wel duizenden vergelijkbare zaken op vergelijkbare wijze procedeert. Als de synergievoordelen die als gevolg daarvan optreden worden genegeerd, en bij de bepaling van het bedrag van de te vergoeden kosten onverkort wordt vastgehouden aan het forfait van het Besluit, wordt een vergoeding toegekend die de in redelijkheid daadwerkelijk gemaakte kosten verre overtreft. De te vergoeden kosten in alle vier zaken samen worden daarom vastgesteld op € 1.401 (2 punten, puntwaarde € 934, wegingsfactor 0,5, vermenigvuldigingsfactor 1,5). Dat komt neer op afgerond € 351 in elk van de zaken.

De kosten in verband met de behandeling van het bezwaar worden nader vastgesteld op € 1.332 (zie 4.5). Dat is € 794 meer dan het bedrag van € 538 dat de inspecteur al heeft vergoed (zie 2.7).

De inspecteur zal daarom in totaal worden veroordeeld tot een (aanvullende) vergoeding van kosten aan belanghebbende van € 1.195 (€ 50 + € 351 + € 794), waarbij het Hof tevens zal beslissen over vergoeding van wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

7. Beslissing

Het Hof:

De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand