ECLI:NL:GHAMS:2026:2528

ECLI:NL:GHAMS:2026:2528

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 09-07-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 25/1344
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Bpm. Beroep bij de rechtbank ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk. Op basis van bijzondere omstandigheid ondanks overschrijding redelijke termijn geen toekenning van vergoeding van immateriële schade (IMSV).

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/1344

9 juli 2026

uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

tegen de uitspraak van 4 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 22/4479 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

1. de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en

2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

1. Ontstaan en loop van het geding

In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:

een beroepschrift door belanghebbende;

een verweerschrift door de inspecteur;

nadere stukken door belanghebbende op 4 december 2025 (“conclusie van repliek”), 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 28 april 2026 (“algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek), 29 april 2026 (“pleitnota”) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”), en

een nader stuk door de inspecteur op 30 april 2026.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

Belanghebbende heeft met dagtekening 16 juni 2020 een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte BMW X5 xDrive50i High Executive uit een andere EU-lidstaat (hierna: de auto).

In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens over de auto vermeld:

Datum eerste toelating

1 juli 2015

Bruto bpm

€ 31.635

Historische nieuwprijs

€ 143.180

Handelsinkoopwaarde (cf. taxatierapport)

€ 12.230

Verschuldigde bpm

€ 2.701

Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] ( [A] VOF). In dat rapport is vermeld dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto € 34.464 is, bepaald door vergelijking met geadverteerde verkoopprijzen van drie referentievoertuigen onder aftrek van een marge. Het taxatierapport bevat daarnaast een schadecalculatie tot een bedrag van € 22.442,79 (inclusief btw), waarvan alleen spuitwerk € 8.855 (exclusief btw) uitmaakt, en diverse foto’s.

De auto is op 13 juni 2020 geschouwd door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ van de schouw zijn de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:

Historische nieuwprijs

€ 156.008

Handelsinkoopwaarde onbeschadigd (koerslijst XRAY)

€ 28.956

Waardevermindering door schade

€ 1.354 (72% van € 1.880)

Handelsinkoopwaarde

€ 27.602

Na voorafgaande kennisgeving met daarin geboden de gelegenheid tot reageren binnen drie weken, van welke mogelijkheid belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt, heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd van € 2.895, zijnde het verschil tussen de volgens hem verschuldigde bpm van € 5.596, berekend uitgaande van de gegevens in het verslag van DRZ, en het op aangifte betaalde bedrag van € 2.701.

Belanghebbende heeft op 26 mei 2021 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De inspecteur heeft (de gemachtigde van) belanghebbende vervolgens drie keer uitgenodigd voor een hoorgesprek, te weten voor 27 september 2021, voor 7 oktober 2021 en voor 14 oktober 2021. Voor de eerste datum heeft een medewerker van het bedrijf van de gemachtigde van belanghebbende afgezegd, omdat een persoon die de gemachtigde zou vergezellen bij het hoorgesprek, de heer [X] , op maandagen verhinderd was. Voor de tweede datum heeft de gemachtigde afgezegd, omdat die dag was gereserveerd voor een zitting bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, onder toevoeging van enige kwalificaties van de ambtenaar aan wie het betrokken e-mailbericht is gericht (“U prutst gewoon verder in de niet aflatende drang burgers te belazeren, achter te stellen en waar mogelijk te benadelen. (…) U bent een van de meest zielige, nare dienders die ik ooit heb ontmoet, een top zielige vent, een niksnut, een notoire niksgunner, die mij alles geeft maar niks gunt…”). Voor de derde datum heeft de gemachtigde op 28 september 2021 om 22:20 uur afgezegd in een emailbericht aan de inspecteur. In dat bericht schrijft de gemachtigde dat hij een sommatie van de landsadvocaat heeft ontvangen in verband met – kortgezegd – zijn wijze van bejegening van ambtenaren, waarna zijn advocaat zou hebben geadviseerd van elk niet strikt noodzakelijk contact af te zien. Voorts wordt medegedeeld dat geplande hoorgesprekken geen doorgang kunnen vinden en dat het sturen van andere data op een termijn van enkele weken geen soelaas biedt. Bij brief van 30 september 2021 aan de gemachtigde heeft de inspecteur gereageerd dat hij aan die mededeling de conclusie verbindt dat (onder meer) het hoorgesprek van 14 oktober 2021 is afgezegd en dat (onder meer) belanghebbende niet meer gehoord wenst te worden. Na nog een e-mailbericht van de gemachtigde aan de inspecteur van 1 oktober 2021 en een brief van de inspecteur aan de gemachtigde van 7 oktober 2021, heeft de gemachtigde aan de inspecteur een e-mailbericht gestuurd met de mededeling dat een medewerker van zijn bedrijf voortaan hoorgesprekken zal bijwonen, dat die persoon op 14 oktober 2021 weer begint met werken en dat de inspecteur haar op 18 oktober 2021 voor 100 voertuigen de dossiers ter inzage kan sturen, waarna de inspecteur op 25 oktober 2021 via een beeldverbinding contact kan opnemen om opmerkingen te vernemen. Uiteindelijk is niet gehoord en de inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar van 13 juli 2022 gehandhaafd.

Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is uit naam van belanghebbende ingediend door de gemachtigde. Bij het beroepschrift is een schriftelijke machtiging van 18 april 2021 gevoegd. De rechtbank heeft de gemachtigde medio 2024 verzocht een recente schriftelijke machtiging over te leggen binnen een daartoe gestelde termijn. Na het verstrijken van die termijn heeft de rechtbank (de gemachtigde van) belanghebbende uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op de zitting van 25 februari 2025. Op 25 februari 2025 (om 8:44 uur) heeft de gemachtigde een nieuwe schriftelijke machtiging, met dagtekening 22 februari 2025, en een kopie van het paspoort van belanghebbende aan de rechtbank overgelegd.

3. Geschil in hoger beroep

Tussen partijen is in geschil of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard en, zo niet, of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep

Op zich had de rechtbank het beroep vereenvoudigd niet-ontvankelijk kunnen verklaren na het ongebruikt verstrijken van de door haar geboden termijn voor het overleggen van een recente schriftelijke machtiging (artikelen 6:5 en 8:54 van de Awb; vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2). Een (redelijke) grond voor niet-ontvankelijkverklaring is echter komen te vervallen doordat de rechtbank heeft besloten de zaak op zitting te behandelen en ten tijde van die zitting alsnog een recente schriftelijke machtiging voorlag. Verder is het oordeel van de rechtbank dat de overgelegde machtiging niet aan de vereisten van artikel 8:24, lid 2, van de Awb voldoet, onjuist. In artikel 8:24, lid 2, van de Awb worden immers geen eisen gesteld aan een schriftelijke machtiging. Het beroep is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Op de voet van artikel 8:116 van de Awb ziet het Hof af van terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, omdat een nadere behandeling door de rechtbank niet nodig is. De inspecteur stelt daarop ook geen prijs. Het door belanghebbende gestelde belang bij terugwijzing, te weten – in het bijzonder – het kunnen afwachten van de uitkomsten van diverse lopende cassatieberoepen, staat los van de behandeling van deze zaak.

Ten aanzien van de hoorplicht in de bezwaarschriftprocedure

De klacht dat de inspecteur in de bezwaarschriftprocedure de hoorplicht heeft geschonden, faalt. Belanghebbende, althans zijn gemachtigde, is voldoende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord, maar heeft zelf gekozen af te zeggen voor het (uiteindelijk) voor 14 oktober 2021 geplande horen. De voor de afzegging gegeven reden, die het Hof aldus begrijpt dat de gemachtigde geen risico wilde lopen op (de consequenties van) onrechtmatige uitlatingen jegens de betrokken ambtenaren, maakt niet dat de inspecteur gehouden was belanghebbende, of althans diens gemachtigde of een plaatsvervanger, uit te nodigen voor een hoorgesprek op een later tijdstip. Dat geldt temeer gezien het geheel van de in 2.6 beschreven gang van zaken, alsmede de door de inspecteur gestelde, en niet weersproken, omstandigheid dat het (zeer) problematisch was om met de gemachtigde afspraken te maken voor hoorgesprekken in de grote aantallen zaken waarbij hij is betrokken. Voor zover belanghebbende meent dat de inspecteur net zo lang moet pogen om tot een hoorgesprek te komen totdat de belanghebbende dan wel zijn gemachtigde verschijnt om te worden gehoord, is die opvatting onjuist. Het is evident dat het Unierecht evenmin een dergelijke verstrekkende verplichting meebrengt.

Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel

De klacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op grond van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, faalt. Belanghebbende is in de kennisgeving van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen in de gelegenheid gesteld zich binnen drie weken uit te laten over de feiten waarop de inspecteur dat voornemen baseerde, maar heeft die gelegenheid niet benut. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat de inspecteur belanghebbende nader of anders de gelegenheid had moeten bieden om te worden gehoord uit het oogpunt van waarborging van de effectieve mogelijkheid om zich uit te spreken over het voornemen en het bewijs waarop dat voornemen was gestoeld.

Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag

Voorts falen de klachten over de hoogte van de naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft in het bijzonder niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde van de auto lager is dan € 27.602. Die waarde heeft de inspecteur met van DRZ verkregen nadere gegevens voorzien van een onderbouwing, terwijl het taxatierapport bij de aangifte bpm duidelijk ondeugdelijk is en belanghebbende voor het overige slechts algemeenheden heeft aangevoerd. Over de andere elementen van de berekening van de verschuldigde bpm bestaat geen geschil.

Ten aanzien van de overige klachten

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 7 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.

Slotsom

Het hoger beroep is gegrond. Het beroep moet ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. Vergoeding van immateriële schade

Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. Over de naheffingsaanslag heeft belanghebbende in wezen enkel standpunten van algemene aard ingenomen, zoals dat naheffing na het belastbare feit niet is toegestaan, zonder zich op concrete onjuistheden in de naheffingsaanslag te richten. Over bedoelde standpunten heeft de Hoge Raad al voordat het beroep was ingesteld geoordeeld dat zij van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, nadat de rechtbanken en de gerechtshoven reeds bij voortduring in die zin hadden geoordeeld (en dat sindsdien weer hebben gedaan). Het kan daarom niet anders zijn dan dat de gemachtigde van belanghebbende, wiens kennis aan belanghebbende wordt toegerekend, steeds heeft geweten dat over de belastingheffing slechts standpunten ‘tegen beter weten in’ zijn ingenomen. Daardoor ontbreekt een relevant financieel belang van belanghebbende bij de procedure. Dat vormt een bijzondere omstandigheid om ondanks de overschrijding van de redelijke termijn geen vergoeding van immateriële schade toe te kennen (vgl. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3).

6. Kosten

Aanleiding bestaat de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding in hoger beroep. Daarbij geldt dat de onderhavige zaak en de zaken met kenmerken 25/676, 25/737, 25/1006, 25/1337, 25/1342 en 25/1343 samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en daarom als één zaak zijn te beschouwen. De zaken zijn gelijktijdig behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde zijn (vrijwel) identiek geweest, getuige onder meer de nagenoeg gelijkluidende stukken die zijn ingediend. De te vergoeden kosten in al die zeven zaken samen worden met toepassing van het forfait van het Besluit en artikel 19a van de Wet bpm 1992 vastgesteld op € 350,25 (2 punten, puntwaarde € 934, wegingsfactor 0,5, vermenigvuldigingsfactor 1,5 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). Dat komt neer op afgerond € 50 in elk van de zaken.

7. Beslissing

Het Hof:

De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand