GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.369.323
insolventienummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 05/25/7
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [appellant]
advocaat: mr. D.A. IJpelaar
1. De procedure bij de rechtbank
Bij vonnis van 6 januari 2025 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen [appellant] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (de wsnp). Hierbij is mr. [bewindvoerder] benoemd tot bewindvoerder.
Bij vonnis van 21 mei 2026 (het vonnis) heeft de rechtbank de toepassing van de wsnp van [appellant] beëindigd zonder dat daarbij aan haar de zogenoemde schone lei is verleend.
2. De procedure bij het hof
Door middel van een op 21 mei 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat het hof het vonnis vernietigt en bepaalt dat de wsnp wordt voortgezet, zo nodig onder nader door het hof te bepalen aanvullende voorwaarden dan wel met een verlenging van de looptijd.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift met productie
- het bericht van de bewindvoerder van 24 juni 2026 met producties
- het bericht van mr. IJpelaar van 2 juli 2026 met productie
- het bericht van mr. IJpelaar van 6 juli 2026 met producties
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Hierbij is [appellant] verschenen, vergezeld door de heer [ex-partner] (ex-partner) en bijgestaan door mr. IJpelaar. Daarnaast zijn de bewindvoerder en de heer [beschermingsbewindvoerder] (beschermingsbewindvoerder) verschenen.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
De feiten
[appellant] staat onder beschermingsbewind. Ze heeft zes kinderen waarvan er vier bij haar inwonen. De inwonende kinderen zijn 21, 18, 7 en 5 jaar oud. De 21-jarige zoon heeft op het adres van [appellant] een eenmanszaak handelend onder de naam ‘ [naam onderneming zoon] ’ ingeschreven. Om gezondheidsredenen is de zoon niet werkzaam in de onderneming. [appellant] heeft verklaard dat hij geen inkomen en geen uitkering ontvangt Daarnaast heeft [appellant] verklaard dat haar 18-jarige dochter werkzaam is geweest op basis van een nul-uren contract waarmee zij een wisselend inkomen verdiende en dat zij ongeveer drie maanden geleden is ontslagen en geen inkomen meer heeft gehad.
In de zomer van 2025 heeft een vriendin van de 18-jarige dochter van [appellant] (de vriendin) gedurende een aantal maanden bij [appellant] ingewoond.
De ex-partner van [appellant] woonde bij een van de uitwonende dochters van [appellant] . Nadat de ex-partner bij die dochter was ingetrokken, heeft de beschermingsbewindvoerder het beschermingsbewind van die dochter gestaakt.
Uit het eindverslag van de bewindvoerder volgt dat de schuldenlast van [appellant] € 16.314,13 bedraagt en dat zij in verband met haar uitkering en vrijstelling van de sollicitatieplicht geen afloscapaciteit heeft.
Op 13 april 2025 heeft [appellant] de bewindvoerder een e-mail gestuurd waarin zij hem om toestemming heeft gevraagd voor de aanschaf van een auto. De bewindvoerder heeft [appellant] voor dit verzoek doorverwezen naar de beschermingsbewindvoerder. De beschermingsbewindvoerder heeft het verzoek van [appellant] afgewezen omdat hij het risico op schade en onvoorziene kosten wilde vermijden.
Uit een door [appellant] ondertekend aanrijdingsformulier volgt dat zij op 2 september 2025 betrokken is geweest bij een aanrijding waarbij zij met de door haar bestuurde auto tegen een andere auto is aangereden. De door [appellant] bestuurde auto stond ten tijde van de aanrijding op naam van de vriendin en was op dat moment niet verzekerd.
Op 12 en 24 november 2025 heeft de vriendin [appellant] en haar ex-partner aansprakelijk gesteld. Uit de bij de brief van 24 november 2025 gevoegde concept-dagvaarding volgt dat de vriendin [appellant] en haar ex-partner hoofdelijk aansprakelijk houdt voor een bedrag € 3.513,16 te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. De vriendin heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] en haar ex-partner zonder haar toestemming de door de ex-partner van [appellant] aangeschafte en bij hen in gebruik zijnde auto op haar naam hebben laten staan en de daarmee veroorzaakte schade en kosten voor haar rekening hebben laten komen. Volgens de opgave van de vriendin bestaat het nadeel dat zij hierdoor heeft geleden uit een bedrag van € 2.105,48 voor de schade die [appellant] bij de aanrijding op 2 september 2025 met de (onverzekerde) auto heeft veroorzaakt, een bedrag van € 292,30 aan parkeer- en verkeersboetes en een bedrag van € 138,- aan motorrijtuigenbelasting. Daarnaast heeft de vriendin aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] en haar ex-partner, zonder haar toestemming, op haar naam, ten gunste van zichzelf, abonnementen hebben afgesloten bij KPN en Odido. Volgens de opgave van de vriendin bestaat de schade die zij hierdoor heeft geleden uit een bedrag van € 41,38 aan abonnementskosten bij KPN en een bedrag van € 936,- aan abonnementskosten bij Odido.
Op 6 mei 2026 heeft de vriendin [appellant] en haar ex-partner gedagvaard tegen de rol van 20 mei 2026. In deze procedure bij de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem staan [appellant] en haar ex-partner voor het nemen van conclusie van antwoord.
De voordracht voor tussentijdse beëindiging
Op 23 maart 2026 heeft de bewindvoerder de wsnp van [appellant] voorgedragen voor een tussentijdse beëindiging wegens het ontstaan van nieuwe schulden en het benadelen van haar schuldeisers. Daarbij heeft de bewindvoerder zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsvordering van de vriendin moet worden aangemerkt als een verwijtbare, bovenmatige nieuwe schuld van [appellant] . Daarnaast heeft de bewindvoerder aangevoerd dat [appellant] heeft geprobeerd een vermogensbestanddeel buiten de boedel te houden door niet te melden dat zij een auto in haar bezit had.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds beëindigd zonder toekenning van de schone lei, omdat [appellant] zich niet heeft gehouden aan de informatieplicht en de verplichting om geen nieuwe schulden te maken. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit [appellant] worden verweten.
De grieven van [appellant]
[appellant] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Zij is van mening dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan haar concrete en kwetsbare persoonlijke omstandigheden en ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij de informatieplicht toerekenbaar heeft geschonden. Daarnaast heeft de rechtbank de beëindiging van de wsnp volgens [appellant] ten onrechte gebaseerd op een nog niet in rechte vaststaande schuld. Ook heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom een tussentijdse beëindiging zonder schone lei de enige passende reactie is op de geconstateerde tekortkomingen en niet met een minder ingrijpende maatregel kon worden volstaan, aldus [appellant] .
Het oordeel van het hof
Inlichtingenplicht
Op de schuldenaar (in dit geval [appellant] ) rust een spontane inlichtingenplicht (informatieplicht) op grond waarvan hij niet alleen alle inlichtingen moet verschaffen die door de bewindvoerder of rechter-commissaris worden gevraagd, maar ook de inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Het niet voldoen aan de inlichtingenplicht kan aanleiding zijn voor tussentijdse beëindiging van de wsnp als dit een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt (artikel 350 lid 3 aanhef en onder c Faillissementswet (Fw)).
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] erkend dat zij de bewindvoerder niet op de hoogte heeft gebracht van de aanrijding van 2 september 2025 en dat zij het aanrijdingsformulier niet juist heeft ingevuld. [appellant] heeft aangegeven dat zij de beschermingsbewindvoerder direct van de aanrijding op de hoogte heeft gebracht. Door de stress van de aanrijding heeft zij er niet aan gedacht om ook de bewindvoerder te informeren, aldus [appellant] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de beschermingsbewindvoerder toegelicht dat hij heeft gewacht met het informeren van de bewindvoerder omdat hij eerst wilde achterhalen wie de eigenaar was van de door [appellant] bestuurde auto en wat de financiële consequenties van de aanrijding zouden zijn. Dit heeft ertoe geleid dat de bewindvoerder pas in november 2025, via de postblokkade, bekend is geworden met de door [appellant] veroorzaakte aanrijding. [appellant] heeft toegelicht dat zij door de paniek van de aanrijding ten onrechte de gegevens van haar WA-verzekering op het aanrijdingsformulier heeft ingevuld en ervan uit was gegaan dat er sprake was van een ‘allrisk verzekering’.
Het hof is van oordeel dat het onder de gegeven omstandigheden niet aan [appellant] kan worden verweten dat zij het aanrijdingsformulier onjuist heeft ingevuld. Ook het niet tijdig informeren van de bewindvoerder kan [appellant] niet worden aangerekend. [appellant] heeft de beschermingsbewindvoerder meteen van de aanrijding op de hoogte gebracht. Dat de beschermingsbewindvoerder vervolgens heeft gewacht met de bewindvoerder van deze informatie te voorzien, maakt niet dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in haar inlichtingenplicht.
Daar staat tegenover dat de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht en [appellant] heeft erkend dat zij de bewindvoerder niet juist heeft geïnformeerd over haar gezinssamenstelling. Door de bewindvoerder niet te laten weten dat zij een inwonende zoon heeft met een eigen bedrijf en een inwonende dochter met (enige tijd) een eigen inkomen, is [appellant] tekortgeschoten in de op haar rustende inlichtingenplicht. Deze tekortkoming kan haar worden toegerekend.
Nieuwe schulden
De toepassing van de schuldsaneringsregeling kan ook worden beëindigd als de schuldenaar tijdens de looptijd van de wsnp bovenmatige nieuwe schulden doet of laat ontstaan (artikel 350 lid 3, aanhef en onder d Fw).
Totdat hierover is beslist in de door de vriendin aangespannen gerechtelijke procedure staat het niet vast of [appellant] ten opzichte van de vriendin aansprakelijk is voor onder meer de bij de aanrijding veroorzaakte schade. Daarbij neemt het hof in overweging dat uit de door de bewindvoerder overgelegde stukken blijkt dat de vriendin haar vordering baseert op de stelling dat de auto op naam van de ex-partner van [appellant] zou worden overgeschreven. Afhankelijk van de vraag of dit betoog van de vriendin door de rechtbank wordt gehonoreerd, betekent dit dat hetzij de ex-partner, hetzij de vriendin - en dus niet [appellant] - verantwoordelijk was voor het verzekeren van de auto. Hieruit leidt het hof af dat het [appellant] niet kan worden aangerekend dat de auto ten tijde van de aanrijding niet was verzekerd en de door haar veroorzaakte schade niet door een WAM-verzekering wordt gedekt. Dat neemt niet weg dat het wel mogelijk is dat [appellant] aansprakelijk wordt gehouden voor (een deel van) de door de vriendin gevorderde schade. Het voorgaande brengt mee dat op dit moment niet kan worden vastgesteld of, en zo ja voor welk bedrag, [appellant] bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan die een tussentijdse beëindiging van de wsnp rechtvaardigen.
Verlenging van de duur van de schuldsaneringsregeling
De looptijd van de schuldsaneringsregeling kan worden verlengd als de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (artikel 349a lid 2 Fw). Doel van de verlenging is de schuldenaar de mogelijkheid te bieden de tekortkomingen in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te herstellen. De schuldenaar wordt door de verlenging in de gelegenheid gesteld om alsnog gedurende een zekere periode goed gedrag te tonen om ervan blijk te geven dat een schone lei gerechtvaardigd is.
Gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak is het hof van oordeel dat [appellant] een laatste kans moet worden geboden om de wsnp voort te zetten, zodat zij de inlichtingenplicht alsnog kan nakomen en zij een mogelijke door de rechtbank vast te stellen schadevergoedingsverplichting kan voldoen. Daarbij heeft het hof meegewogen dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de ex-partner een rol heeft gespeeld bij de problemen die [appellant] heeft gekregen doordat de auto op het moment van de aanrijding niet verzekerd was en de overige kwesties waarvoor zij door de vriendin aansprakelijk is gesteld.
Tijdens de verlenging van de wsnp, die na het verlopen van de reguliere termijn van 18 maanden is ingegaan, moet [appellant] naast de informatieplicht zorgen voor de voldoening van het salaris van de bewindvoerder. Voor het overige zal zij alles op alles moeten zetten om, bij een veroordeling door de rechtbank, de nieuwe schuld af te lossen. Op die manier wordt het evenwicht bewaard tussen de belangen van [appellant] en die van haar schuldeisers. Daarbij acht het hof het van belang dat de beschermingsbewindvoerder er op toe ziet dat de ex-partner van [appellant] de positie van [appellant] in de wsnp niet in gevaar brengt.
Uit het vorenstaande volgt dat ter compensatie van de tekortkomingen van [appellant] de looptijd van haar schuldsaneringsregeling zal worden verlengd met achttien maanden of zoveel korter als nodig is om een uit de gerechtelijke procedure bij de rechtbank volgende nieuwe schuld af te lossen.
Conclusie
Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.
4. De beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 21 mei 2026 en opnieuw recht doende:
bepaalt dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] wordt voortgezet en verlengt de looptijd van die regeling met een periode van achttien maanden, te weten tot 6 januari 2028, of zoveel korter als nodig is om de eventuele uit de gerechtelijke procedure bij de rechtbank volgende nieuwe schuld af te lossen.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, A.E. de Vos en H. Wammes en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.