ECLI:NL:GHARL:2026:5670

ECLI:NL:GHARL:2026:5670

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 21-001721-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Artikel 326 Sr. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van 16 personen door zich voor te doen als een bonafide aannemer. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de materiële schade (gedeeltelijk) toegewezen.

Uitspraak

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.700,00, bestaande uit € 6.200,00 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 2.300,00, bestaande uit materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.300,00. Dit is het bedrag dat hij blijkens de aangifte aan verdachte als aanbetaling heeft betaald, aan verdachte ten laste is gelegd en door het hof bewezen is verklaard. Het hof zal het meer gevorderde aan aanbetaling (€ 200,00) daarom afwijzen. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2021, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De strafrechter kan alleen een vordering toewijzen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het specifieke strafbare feit dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (in dit geval: oplichting).Wat betreft de gevorderde € 3.700,00 aan restauratiekosten van het stucwerk en restauratie van het leidingwerk is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van verdachte (de oplichting) is veroorzaakt. Door de oplichting is er een aanbetaling gedaan. Dat is schade die rechtstreeks uit de oplichting volgt. De veroordeling voor oplichting betekent niet dat verdachte ook veroordeeld wordt voor bijvoorbeeld vernieling door niet goed te stuken en het leidingwerk niet goed uit te voeren. Daarom kan de strafrechter dergelijke gevolgschade niet toewijzen en kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. Dat hoeft niet te betekenen dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van die schade. Alleen kan de strafrechter die vergoeding in dit geval niet toewijzen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst wel alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof dat de vordering eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend als de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.040,00 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.040,00. Dit is het bedrag dat zij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.130,00, bestaande uit € 2.530,00 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 2.530,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.530,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.240,00, bestaande uit € 840,00 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 840,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 840,00. Dit is het bedrag dat zij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2021, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.

Daarnaast heeft de benadeelde partij gevorderd om verdachte te veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, te weten de incassokosten van € 411,40. Het hof is van oordeel dat de incassokosten niet onder proceskosten vallen omdat deze niet zijn gemaakt in deze strafzaak. Deze incassokosten worden daarom niet toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 14.204,21, bestaande uit € 13.604,21 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 9.450,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 9.450,00. Dit is het bedrag dat zij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2021, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De strafrechter kan alleen een vordering toewijzen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het specifieke strafbare feit dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (in dit geval: oplichting).Wat betreft de gevorderde kosten voor een vervangende stukadoor is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van verdachte (de oplichting) is veroorzaakt. Door de oplichting is er een aanbetaling gedaan. Dat is schade die rechtstreeks uit de oplichting volgt. De veroordeling voor oplichting betekent niet dat verdachte ook veroordeeld wordt voor bijvoorbeeld vernieling door niet goed te stuken. Daarom kan de strafrechter dergelijke gevolgschade niet toewijzen en kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. Dat hoeft niet te betekenen dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van die schade. Alleen kan de strafrechter die vergoeding in dit geval niet toewijzen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst wel alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof eveneens dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.390,00, aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 9.390,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Daarnaast heeft de benadeelde partij gevorderd om verdachte te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten, te weten de invorderingskosten van € 2.259,95. Het hof is van oordeel dat de invorderingskosten niet onder proceskosten vallen omdat deze niet zijn gemaakt in deze strafzaak. Deze proceskosten worden daarom niet toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.800,00 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen, zodat de vordering ook in hoger beroep aan de orde is.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 9.800,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2021, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.600,00 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen, zodat de vordering ook in hoger beroep aan de orde is.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 5.600,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.245,00 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen, zodat de vordering ook in hoger beroep aan de orde is.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 7.245,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Parketnummer 18-086108-23

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.155,45 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 714,40. De benadeelde partij heeft in hoger beroep niet aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof kan daarom alleen een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding voor het deel dat door de rechtbank is toegewezen.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 714,40. Dit is het bedrag dat zij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.170,00 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 6.305,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.670,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De strafrechter kan alleen een vordering toewijzen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het specifieke strafbare feit dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (in dit geval: oplichting).Wat betreft de gevorderde kosten voor herstelwerkzaamheden is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van verdachte (de oplichting) is veroorzaakt. Door de oplichting is er een aanbetaling gedaan. Dat is schade die rechtstreeks uit de oplichting volgt. De veroordeling voor oplichting betekent niet dat verdachte ook veroordeeld wordt voor bijvoorbeeld vernieling. Daarom kan de strafrechter dergelijke gevolgschade (voor herstelwerkzaamheden) niet toewijzen en kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. Dat hoeft niet te betekenen dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van die schade. Alleen kan de strafrechter die vergoeding in dit geval niet toewijzen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst wel alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.

Parketnummer 18-248628-23

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 18.317,90, bestaande uit € 6.401,95 aan materiële schade en € 11.916,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.605,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.605,00. Dit is het bedrag dat zij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2021, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De strafrechter kan alleen een vordering toewijzen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het specifieke strafbare feit dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (in dit geval: oplichting).Wat betreft de gevorderde kosten voor het stuken en betegelen van de badkamer is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van verdachte (de oplichting) is veroorzaakt. Door de oplichting is er een aanbetaling gedaan. Dat is schade die rechtstreeks uit de oplichting volgt. De veroordeling voor oplichting betekent niet dat verdachte ook veroordeeld wordt voor bijvoorbeeld vernieling. Daarom kan de strafrechter dergelijke gevolgschade (voor herstelwerkzaamheden) niet toewijzen en kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. Dat hoeft niet te betekenen dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van die schade. Alleen kan de strafrechter die vergoeding in dit geval niet toewijzen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst wel alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof dat de vordering eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.

Parketnummer 18-024748-24

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 750,00, bestaande uit € 500,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 500,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 500,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2023, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof dat de vordering eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.404,90 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 3.404,90. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.404,90. Dit is het bedrag dat hij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2023, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De strafrechter kan alleen een vordering toewijzen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het specifieke strafbare feit dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (in dit geval: oplichting).Wat betreft de gevorderde kosten voor de schade die verdachte aan de woning van de benadeelde partij zou hebben toegebracht is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van verdachte (de oplichting) is veroorzaakt. Door de oplichting is er een aanbetaling gedaan. Dat is schade die rechtstreeks uit de oplichting volgt. De veroordeling voor oplichting betekent niet dat verdachte ook veroordeeld wordt voor bijvoorbeeld vernieling. Daarom kan de strafrechter dergelijke gevolgschade (voor herstelwerkzaamheden) niet toewijzen en kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. Dat hoeft niet te betekenen dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van die schade. Alleen kan de strafrechter die vergoeding in dit geval niet toewijzen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst wel alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.

Parketnummer 18-071833-24

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 15]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding willen indienen, maar geen bedragen ingevuld. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat de vordering wordt gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen op de vordering tot schadevergoeding.

Verdachte heeft ook in hoger beroep geen bedragen ingevuld waar de geleden schade uit zou bestaan. Het hof is van oordeel dat het een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert als aan de benadeelde partij alsnog de gelegenheid wordt geboden om die schade in te vullen en te onderbouwen en daartoe de verdere behandeling van deze strafzaak aan te houden. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van alle vorderingen van de benadeelde partijen

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof ten aanzien van alle vorderingen de schadevergoedingsmaatregel op.

Bij het bepalen van het aantal dagen gijzeling dat bij het niet betalen van de afzonderlijke schadevergoedingsmaatregelen kan worden toegepast zal het hof rekening houden met het wettelijke maximum van 365 dagen voor alle maatregelen samen. Het hof zal dat naar evenredigheid bepalen, zoals opgenomen in het dictum van het arrest.

Verder zal het hof verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen (met uitzondering van die van benadeelde partij [benadeelde 15] ) tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, in alle gevallen tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 en in de zaak met parketnummer 18-086108-23 en in de zaak met parketnummer 18-248628-23 en in de zaak met parketnummer 18-024748-24 en in de zaak met parketnummer 18-071833-24 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 en in de zaak met parketnummer 18-086108-23 en in de zaak met parketnummer 18-248628-23 en in de zaak met parketnummer 18-024748-24 en in de zaak met parketnummer 18-071833-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.300,00 (tweeduizend driehonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.300,00 (tweeduizend driehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 13 (dertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 december 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.040,00 (drieduizend veertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.040,00 (drieduizend veertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 26 februari 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.530,00 (tweeduizend vijfhonderddertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.530,00 (tweeduizend vijfhonderddertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 840,00 (achthonderdveertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst af de door de benadeelde partij gevorderde incassokosten.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 7] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 840,00 (achthonderdveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 december 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.450,00 (negenduizend vierhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.450,00 (negenduizend vierhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 september 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.390,00 (negenduizend driehonderdnegentig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst af de door de benadeelde partij gevorderde invorderingskosten.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 8] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.390,00 (negenduizend driehonderdnegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 januari 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 9] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.800,00 (negenduizend achthonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 9] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.800,00 (negenduizend achthonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 57 (zevenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 december 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 10] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.600,00 (vijfduizend zeshonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 10] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.600,00 (vijfduizend zeshonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 februari 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.245,00 (zevenduizend tweehonderdvijfenveertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.245,00 (zevenduizend tweehonderdvijfenveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 42 (tweeënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 maart 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 11] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-086108-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 714,40 (zevenhonderdveertien euro en veertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 11] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-086108-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 714,40 (zevenhonderdveertien euro en veertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 september 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 12] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-086108-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.670,00 (zesduizend zeshonderdzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 12] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-086108-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.670,00 (zesduizend zeshonderdzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 39 (negenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 november 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 13] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-248628-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.605,00 (duizend zeshonderdvijf euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 13] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-248628-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.605,00 (duizend zeshonderdvijf euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 juli 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 14] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-024748-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 14] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-024748-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 februari 2023.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-024748-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.404,90 (drieduizend vierhonderdvier euro en negentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-024748-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.404,90 (drieduizend vierhonderdvier euro en negentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 september 2023.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 15]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 15] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. J.A.M. Kwakman en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Kiemel en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 2 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand