ECLI:NL:GHARL:2026:5719

ECLI:NL:GHARL:2026:5719

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer 200.334.958/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBOVE:2023:1068

Samenvatting

Burenrecht. Vordering tot verwijdering van bomen en heesters omdat het verboden is om bomen binnen twee meter en heesters binnen een halve meter van de erfgrens met de buren te hebben (artikel 5:42 BW). Verweer verjaring slaagt ten aanzien van de heesters en de meeste bomen. Geen misbruik van bevoegdheid en geen onrechtmatige hinder. Wel komen appellanten terecht op tegen de begrenzing van het snoeien van overhangende takken tot vijf meter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.334.958/01

zaaknummer rechtbank Overijssel 8820505

arrest van 1 september 2026

in de zaak van

1. [appellant]

2. [appellante]

die wonen in [woonplaats]

die hoger beroep hebben ingesteld

en bij de kantonrechter optraden als eisers in conventie, verweerders in reconventie

hierna samen: [appellanten] en ieder afzonderlijk [appellant] en [appellante]

advocaat: mr. R.A. van Elst te Groningen

tegen

1. [geïntimeerde1]

2. [geïntimeerde2]

die wonen in [woonplaats]

en bij de kantonrechter optraden als gedaagden in conventie, eisers in reconventie

hierna samen: [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]

advocaat: mr. I.M. Hidding te Diever

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Na het arrest van 21 mei 2024 heeft op 6 maart 2025 een bezichtiging en aansluitend een enkelvoudige mondelinge behandeling ter plaatse plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat aan het procesdossier is toegevoegd. Na een schorsing aan het slot van de mondelinge behandeling lieten partijen weten dat zij elkaar dicht waren genaderd en aanhouding van de zaak wensten om met hun deskundigen te overleggen en de afspraken schriftelijk vast te leggen. Op verzoek van partijen is de zaak naar de rol verwezen en voor enige tijd aangehouden.

Het verdere onderlinge overleg heeft niet tot overeenstemming geleid, waarna op 25 juni 2025 de mondelinge behandeling met instemming van partijen digitaal is voortgezet om te bezien of een minnelijke regeling alsnog mogelijk was. Een schikking is niet tot stand gekomen. Ook van deze voortgezette mondelinge behandeling is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat aan het procesdossier is toegevoegd.

Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2. De kern van de zaak

Partijen zijn buren van elkaar. Langs de erfgrens staan op het perceel van [geïntimeerden] bomen en heggen. [appellanten] willen dat de bomen die binnen twee meter van de erfgrens staan en de heggen die binnen een halve meter van de erfgrens staan (de zogeheten verboden zone) worden verwijderd. Ook enkele bomen en andere beplantingen die buiten de genoemde zone staan, zouden verwijderd moeten worden. Verder moeten volgens [appellanten] de op hun perceel overhangende takken tijdig worden gesnoeid. [geïntimeerden] zijn van mening dat [appellanten] door verjaring geen verwijdering van de bomen en heesters kunnen vorderen. Voor zover de vordering niet is verjaard, is volgens [geïntimeerden] sprake van misbruik van recht. Er is volgens [geïntimeerden] ook geen sprake van onrechtmatige hinder.

[appellanten] hebben bij de kantonrechter - in conventie - gevorderd dat de bomen en heesters die binnen de verboden zone staan worden verwijderd en dat de over hun perceel hangende takken worden gesnoeid.

[geïntimeerden] hebben bij de kantonrechter - in reconventie - ook vorderingen ingesteld.

De kantonrechter heeft (in conventie) [geïntimeerden] alleen veroordeeld om tweemaal per jaar (in de periode maart/april en in de periode september/oktober) de beplanting langs de erfgrens zodanig te snoeien dat er tot een hoogte van 5 meter geen takken meer aanwezig zijn die aan de zijde van [appellanten] de erfgrens overschrijden. Bij het snoeien moeten de op de mondelinge behandeling gemaakte afspraken, die in rechtsoverweging 5.14 van het vonnis zijn opgenomen, in acht worden genomen. De overige vorderingen van [appellanten] zijn afgewezen.

De kantonrechter heeft (in reconventie) bepaald dat [appellanten] moeten dulden dat de schutting wordt opgehoogd tot een hoogte van twee meter gemeten vanaf het peil van de woning van [appellanten] De andere vorderingen van [geïntimeerden] heeft de kantonrechter afgewezen.

[appellanten] willen dat hun in hoger beroep gewijzigde eis tot het verwijderen/verplaatsen van beplantingen en tot het snoeien van de bomen en heesters wordt toegewezen.

Het hof zal oordelen dat de vordering van [appellanten] om op grond van artikel 5:42 BW verwijdering van de beplanting van [geïntimeerden] binnen de verboden zone te vorderen, ten aanzien van de heesters en de meeste bomen is verjaard. Voor twee bomen zal het hof de vordering tot verwijdering toewijzen. Het verweer van misbruik van bevoegdheid wordt afgewezen. Verder zal het hof oordelen dat geen sprake is van onrechtmatige hinder. [appellanten] komen terecht op tegen de begrenzing van het snoeien van de overhangende takken tot 5 meter. Dit alles wordt hierna uitgelegd.

3. Feiten

[geïntimeerden] zijn sinds 2007/2008 de eigenaren en bewoners van het perceel met woning aan de [adres1] in [woonplaats] .

[appellant] is sinds 2005 eigenaar en [appellanten] zijn sinds 2013 bewoners van het perceel met woning aan de [adres2] in [woonplaats] . [appellanten] hebben de woning die er stond laten slopen en hebben er een nieuwe woning laten bouwen.

De woningen van partijen staan vrij op hun percelen en hun tuinen grenzen aan elkaar. Dit is te zien op de luchtfoto hieronder, waarop het hof ter verduidelijking de namen van partijen en de huisnummers van hun woningen heeft gezet. De luchtfoto en de nummering van de op het perceel van [geïntimeerden] aanwezige beplanting, is van [naam1] Bosbouw & Landschapsverzorging, de partijdeskundige van [geïntimeerden]

Op het perceel van [geïntimeerden] staan langs de erfgrens met [nummer2] veel hoge bomen en heesters. Deze beplanting langs de erfgrens met [nummer2] was (in elk geval goeddeels) al aanwezig toen [geïntimeerden] hun woning kochten. Op het perceel van [appellanten] staan langs de erfgrens met [nummer1] geen bomen en/of heesters.

4. De toelichting op de beslissing van het hof

Vordering van [appellanten] in hoger beroep en grieven

[appellanten] hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd en vorderen:

primair:

(I) op straffe van een dwangsom [geïntimeerden] te veroordelen om alle beplanting - in ieder geval de beplanting die in de memorie van grieven is aangeduid met de letters A t/m G en I t/m K - die binnen de verboden zone staat (als bedoeld in artikel 5:42 BW en artikel 4:11.11 APV [woonplaats] ) te verwijderen;

(II) op straffe van een dwangsom [geïntimeerden] te veroordelen om de overige beplanting die nabij de perceelgrens staat maar die wel buiten de ‘verboden zone’ staat - in ieder geval de beplanting die in de memorie van grieven is aangeduid met de letter H - te verwijderen, dit op grond van artikel 5:37 BW jo. artikel 6:162 BW, althans [geïntimeerden] te veroordelen om de onrechtmatige situatie op te heffen op de wijze die door het hof zal worden bepaald;

subsidiair:

- op straffe van een dwangsom [geïntimeerden] te veroordelen om alle beplanting op, over en/of in de nabijheid van de perceelsgrens - in ieder geval de beplanting die in de memorie van grieven is aangeduid met A t/m K - te verwijderen, dit op grond van artikel 5:37 BW jo. artikel 6:162 BW, althans [geïntimeerden] te veroordelen de onrechtmatige situatie op te heffen op de wijze die door het hof zal worden bepaald;

meer subsidiair:

- op straffe van een dwangsom [geïntimeerden] te veroordelen tot het snoeien en teruggesnoeid houden van alle overhangende takken die boven het perceel van [appellanten] hangen;

meest subsidiair:

- een beslissing te nemen zoals het hof in goede justitie juist acht;

primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair:

(I) op straffe van een dwangsom [geïntimeerden] te veroordelen om periodiek ieder jaar alle overhangende beplanting die boven het perceel van [appellanten] hangt te verwijderen;

(II) [geïntimeerden] te veroordelen in de proceskosten en in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

Deze eiswijziging is in het eerste processtuk in hoger beroep gedaan. [geïntimeerden] hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt en het hof acht de eiswijziging ook niet in strijd met de goede procesorde, zodat op de gewijzigde eis zal worden beslist.

[appellanten] hebben negen grieven tegen het vonnis van de kantonrechter geformuleerd. Na de beschrijving van de bomen en heesters bij de erfgrens, zal het hof de grieven en de vorderingen thematisch behandelen.

Beschrijving van de bomen en heesters

Zowel [geïntimeerden] als [appellanten] hebben (partij)deskundigen gevraagd advies uit te brengen. [geïntimeerden] hebben [naam1] (hierna: [naam1] ) ingeschakeld en [appellanten] hebben advies ingewonnen bij [naam2] (hierna: [naam2] ) en [naam3] (hierna: [naam3] ). In hun rapporten zijn de bomen en heesters omschreven en genummerd. De partijdeskundigen hanteren ieder een eigen nummering. In hoger beroep hebben [appellanten] in hun processtukken, waaronder de vorderingen - zoals hiervoor weergegeven - , de afzonderlijke bomen en heesters voorzien van een letter.

Het hof zal de bomen en heesters op het perceel van [geïntimeerden] kort beschrijven en verwijzen naar de nummeringen van de partijdeskundigen: in Arabische nummering de nummering van [naam1] in haar rapport van 5 juni 2024 en in Romeinse cijfers de nummering van [naam3] in het rapport van 21 december 2023. Tot slot worden de letters vermeld die [appellanten] in hun processtukken gebruiken.

Vanaf de straat bezien worden in de deskundigenrapporten de volgende (aantallen) bomen en heesters genoemd, die langs de erfgrens op het perceel van [geïntimeerden] staan:

een Koreaanse Spar (13/XII/K)

twee Venijnbomen (12/XI/J)

een vierstammige Californische cipres (11/X/I)

zes Californische cipressen (10/IX/H)

twee Venijnbomen (9/VIII/G)

een Laurierkers van negen strekkende meter (8/VII/F)

een Venijnboom (7)

vier Californische cipressen (6/VI/E)

een Laurierkers van zes strekkende meter (5/V/D)

twee Westersche Hemlocksparren (4/IV/C)

een Gewone Hulst (3/III/B)

drie Gelderse Roos en Liguster (2/II)

vier Westersche Hemlocksparren (1/I/A).

Het hof stelt vast dat de door [naam1] genoemde Venijnboom, genummerd 7, niet (expliciet) genoemd wordt in het rapport van [naam3] en evenmin in de processtukken van [appellanten] Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat deze boom niet ter discussie staat. Deze boom staat volgens [appellanten] achter de Laurierkers. Het hof leidt hieruit af dat [appellanten] van oordeel zijn dat deze Venijnboom buiten de verboden zone staat en geen onrechtmatige hinder veroorzaakt, zodat die boom niet onder de primaire en subsidiaire vorderingen van [appellanten] tot verwijdering van de bomen en heesters valt.

Maatstaf verwijdering van beplantingen

Aan de primaire vordering sub I hebben [appellanten] artikel 5:42 leden 1 en 2 BW en artikel 4.11.11 APV [woonplaats] ten grondslag gelegd. Op grond van de wettelijke bepaling is het in beginsel niet geoorloofd om binnen een zekere afstand van de erfgrens met de buren bomen, heesters of heggen te hebben. Voor bomen bedraagt de afstand twee meter en voor heesters en heggen een halve meter (de ‘verboden zone’). Een vergelijkbare regeling is opgenomen in artikel 4.11.11 APV [woonplaats] .

In een aantal gevallen is, zo volgt uit artikel 5:42 BW, een uitzondering toegestaan. Dat is het geval als de eigenaar van het aangrenzende perceel toestemming heeft gegeven, of als de beplanting vanwege een verordening of een plaatselijke gewoonte is toegestaan. Deze uitzonderingen doen zich hier echter niet voor. [appellanten] hebben geen toestemming gegeven. Verder is er, zoals partijen ook aannemen, geen gemeentelijke verordening die dat toestaat. Integendeel, artikel 4.11.11 APV [woonplaats] bevat een vergelijkbare regeling als artikel 5:42 BW. Er kan ook niet worden aangenomen dat in afwijking van deze regelingen, het hebben van beplanting in de verboden zone vanwege een plaatselijke gewoonte is toegestaan. Dat er, zoals [geïntimeerden] hebben opgemerkt, in de omgeving veel hoge bomen staan, is onvoldoende voor het aannemen van zo’n plaatselijke gewoonte. Zo dient voor een geslaagd beroep op die uitzondering (onder meer) sprake te zijn van een gewoonte die tot op zekere hoogte als bindend wordt ervaren. Dat laatste blijkt echter nergens uit en van het toegestaan zijn van beplanting in de verboden zone vanwege een plaatselijke gewoonte is dan ook geen sprake.

Uit de systematiek van de wet volgt echter niet dat, als geen sprake is van één van de hiervoor besproken uitzonderingen, een vordering tot verwijdering van bomen, heesters en/of heggen binnen de verbonden zone zonder meer moet worden toegewezen. Zo voeren [geïntimeerden] het verweer dat de op artikel 5:42 BW gebaseerde vordering van [appellanten] is verjaard. Voor zover de vordering niet is verjaard, maken [appellanten] volgens [geïntimeerden] misbruik van hun bevoegdheid door verwijdering te vorderen.

Het hof zal hierna eerst vaststellen welke bomen en heesters binnen de verboden zone staan en vervolgens het verjaringsverweer van [geïntimeerden] beoordelen. Nadat de vraag is beantwoord of de bomen en/of heesters onrechtmatige hinder veroorzaken zal het hof het verweer van misbruik van bevoegdheid beoordelen.

Staan bomen en heesters binnen de verboden zone?

Uit onder meer de primaire vordering sub I blijkt dat [appellanten] zich op het standpunt stellen dat, behoudens de zes Californische cipressen (10/IX/H), de hiervoor genoemde bomen en heesters binnen de verboden zone staan. Behalve de Laurierkersen (8/VII/F en 5/V/D) hebben [geïntimeerden] dit niet gemotiveerd bestreden.

Ten aanzien van de Laurierkersen gaan beide partijen ervan uit dat dit een heester is, zodat de breedte van de verboden zone 50 cm is. Ter gelegenheid van de plaatsopneming van het hof is gebleken dat de Laurierkers van zes strekkende meter (5/V/D) binnen de verboden zone staat. Ten aanzien van de andere Laurierkers (8/VII/F) hebben partijen in aanwezigheid van de raadsheer-commissaris de afstand tot de erfgrens gemeten. [geïntimeerden] hebben gemeten dat de Laurierkers (8/VII/F) op 50 centimeter van de erfgrens staat en [appellanten] hebben gemeten dat de ene stam van deze Laurierkers op 48 centimeter van de erfgrens staat en de andere stam op 54 centimeter van de erfgrens. Op basis van deze metingen en de feitelijke waarneming door de raadsheer-commissaris gaat het hof ervan uit dat de Laurierkers (8/VII/F) voor een klein deel binnen de verboden zone staat.

Naast de specifieke aanduiding van de bomen en heesters hebben [appellanten] ook in algemene zin verwijdering van alle beplanting binnen de verboden zone gevorderd. Uit de processtukken leidt het hof af dat het [appellanten] gaat om de specifiek in hun vordering genoemde bomen en heesters, zodat het hof daarvan ook uit zal gaan. Dit betekent dat het hof tot uitgangspunt neemt dat – behalve de zes Californische cipressen (10/IX/H) en een deel van de Laurierkers (8/VII/F) - de door [appellanten] in hun vordering genoemde bomen en heesters binnen de verboden zone staan.

Verjaring

Voor wat betreft het verweer van [geïntimeerden] dat de vordering tot verwijdering van de bomen en heesters is verjaard, geldt dat het aan [geïntimeerden] is om de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die nodig zijn om te kunnen concluderen dat sprake is van verjaring.

De vordering van [appellanten] is een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand. De termijn van verjaring van een dergelijke vordering vangt aan op de dag nadat onmiddellijke opheffing daarvan kan worden gevorderd (artikel 3:314 lid 1 BW). Op grond van artikel 5:42 lid 3 BW kan een nabuur zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters of heggen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven. Als een scheidsmuur aanwezig is vangt de verjaringstermijn daardoor pas aan op de dag volgend op die waarop de onmiddellijke opheffing van de onrechtmatige toestand kan worden gevorderd. Ontbreekt een scheidsmuur en heeft de nabuur zicht op de bomen, dan vangt de aanvangstermijn aan op de dag volgend op de aanplant. De verjaringstermijn bedraagt twintig jaar (artikel 3:306 BW).

[geïntimeerden] stellen dat de situatie bij de erfgrens ten tijde van de aanplant van de bomen en heesters in 1984-1989 zo was dat er alleen een gazen afscheiding stond ter hoogte van een grenspaal (van 0,5 à 1,0 meter hoog, zo begrijpt het hof). Ter onderbouwing wijzen [geïntimeerden] op de door hen overgelegde schriftelijke verklaringen van hun achterburen, die daar in 1977 en 1986 zijn komen wonen. De achterburen hebben niet alleen ieder voor zich schriftelijk verklaard dat tussen de percelen van partijen al veel hoge bomen en heesters stonden toen zij er kwamen wonen, maar ook dat de perceelafbakening tussen de percelen van partijen bestond uit betonnen grenspalen die door ijzerdraden met elkaar waren verbonden. De ene achterburen hebben verklaard dat dit zo was in 1986 en de andere dat dit in 1977 al zo was. Door die afscheiding konden de aangeplante bomen en heesters vanaf het naburige perceel dat thans eigendom is van [appellant] worden gezien.

Verder stellen [geïntimeerden] dat de bomen ongeveer een meter per jaar groeien en dat de laatste geplante bomen dus in 1991 al een hoogte hadden bereikt van twee meter. Ter onderbouwing wijzen [geïntimeerden] op een door hen overgelegd e-mailbericht van [naam1] van 4 maart 2024 aan hen waarin dat wordt verklaard. Voorts hebben zij verwezen naar de rapporten van [naam1] . In het rapport van 29 november 2014 wordt de leeftijd van ca. 20 bomen geschat op tussen de 25 en 30 jaar. Die schatting spoort met de aanplant in de periode 1984-1989. In het 5 jaar later opgemaakte rapport van 22 oktober 2019 wordt de leeftijd van die ca. 20 bomen in lijn met de eerdere bevindingen gesteld op 30 tot 35 jaar. In het rapport van 5 juni 2024 is een nauwkeurige inventarisatie van de bomen en heesters opgenomen en is per boom of bomengroep de (minimale) leeftijd genoemd, te weten:

Aantallen en boom/heester

Aangeduid als

Leeftijd

een Koreaanse spar

13/XII/K

20+ jaren oud

twee Venijnbomen

12/XI/J

25+ jaren oud

een vierstammige Californische cipres

11/X/I

25+ jaren oud

zes Californische cipressen

10/IX/H

25+ jaren oud

tweeVenijnbomen

9/VIII/G

25+ jaren oud

een Laurierkers

8/VII/F

20+ jaren oud

een Venijnboom

7

25+ jaren oud

vier Californische cipressen

6/VI/E

25+ jaren oud

een Laurierkers

5/V/D

20+ jaren oud

twee Westersche Hemlocksparren

4/IV/C

25+ jaren oud

een Gewone Hulst

3/III/B

20+ jaren oud

een Gelderse Roos en Liguster

2/II

20+ jaren oud

vier Westersche Hemlocksparren

1/I/A

25+ jaren oud

In het licht van de twee eerdere rapporten van [naam1] kan onder de schatting van bijvoorbeeld 25+ mede worden gedoeld op bijvoorbeeld 35 tot 40 jaar. Het hof weegt mee dat voor de schatting van de leeftijd van de bomen en heesters geen gebruik is gemaakt van een aanwasboor, om schade aan de bomen te voorkomen. De schatting is vooral gedaan op basis van de stamomtrek en de soort boom of heester. Ook de door [appellanten] ingeschakelde deskundige is van deze methodiek uitgegaan.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is volgens [geïntimeerden] de verjaringstermijn uiterlijk in 1992 gaan lopen (uiterlijk 1989 plus 2 jaar na aanplant). Daardoor is in ieder geval op 1 januari 2012 de vordering tot verwijdering verjaard, aldus [geïntimeerden]

[appellanten] hebben niet gemotiveerd betwist dat in 1977/1986 er een doorzichtige afscheiding tussen beide percelen bestond, bestaande uit grenspalen en ijzerdraad. Ook de groei van een boom in een jaar na aanplant is niet gemotiveerd bestreden. [appellanten] betwisten de geschatte leeftijd van de Koreaanse Spar (13/XII/K) en de Gewone Hulst (3/III/B). Hun partijdeskundige [naam3] schat in 2023 de leeftijd van beide bomen op 15 jaar. Voorts hebben [appellanten] niet gesteld, terwijl dat evenmin is gebleken, dat zij vóór 1 januari 2012 de verjaring hebben gestuit.

Het hof oordeelt als volgt. De leeftijd van het merendeel van de bomen en heesters is door de partijdeskundigen in 2024 gerekend op meer dan 25 jaar. Dat betekent dat in ieder geval al voor 1999 in de verboden zone langs de erfgrens een rij bomen en heesters stond. Uit de overgelegde verklaringen van de achterburen, die op zichzelf consistent zijn en hun waarneming koppelen aan het moment dat zij er zijn komen wonen, blijkt dat in 1977 en 1986 al langs de erfgrens bomen en heesters stonden. In de eerste twee rapporten van de partijdeskundige van [geïntimeerden] is de leeftijd van de bomen en heesters ook geschat op een leeftijd die past bij een aanplant in de periode 1984-1989. De schatting van de minimale leeftijd in het laatste rapport is kennelijk aan de voorzichtige kant gedaan. Verder hebben [geïntimeerden] toegelicht dat in de periode 1984-1989 de nodige aanplant – maar passend in de al aanwezige rij bomen en heesters - door hun rechtsvoorganger heeft plaatsgevonden. Het hof acht daarmee – behalve voor wat betreft de hierna te noemen Gewone Hulst en Koreaanse Spar – bewezen dat de huidige bomen en andere beplantingen in elk geval vanaf 1991 al aanwezig waren en uitkwamen boven een eventueel aanwezige schutting of andere (ondoorzichtige) erfafscheiding. De verjaringstermijn is daarmee uiterlijk op 1 januari 1992 aangevangen en op 1 januari 2012 voltooid.

Deze conclusie kan het hof niet trekken voor wat betreft de Gewone Hulst (3/III/B) en de Koreaanse Spar (13/XII/K), die volgens de met een rapport van [naam3] (van 21 december 2023) onderbouwde stelling van [appellanten] een leeftijd hebben van circa 15 jaar en kennelijk (ruim) na 1989 zijn geplant. In de rapporten van [naam1] van 29 november 2014 en 22 oktober 2019 wordt in algemene zin gesproken over een leeftijd van alle bomen en beplantingen in de verboden zone. In de memorie van grieven van 6 februari 2024, waarbij het rapport van [naam3] is overgelegd, is voor deze twee bomen expliciet die door [naam1] in algemene zin geschatte leeftijd betwist. Het lag daardoor op de weg van [geïntimeerden] om hun beroep op verjaring van ook deze bomen nader te onderbouwen. Dat is nagelaten. In het rapport van [naam1] van 5 juni 2024 wordt slechts opgemerkt dat deze twee bomen meer dan 20 jaar oud zijn. In het rapport en de kort daarvoor genomen memorie van antwoord wordt niet toegelicht, waarom ten opzichte van de eerdere algemene rapporten tot deze kortere levensduur wordt gekomen en waarom de inschatting van [naam3] onjuist zou zijn. Dat de verjaringstermijn ook voor wat betreft die Gewone Hulst en Koreaanse Spar al verstreken is, is dan ook onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Naar het oordeel van het hof kan verjaring voor die twee bomen/heesters niet worden aangenomen.

Het beroep op onrechtmatige hinder

[appellanten] stellen dat zij als gevolg van de beplanting van [geïntimeerden] hinder ondervinden door onverteerbare naalden die vallen in het grind, in de beplanting op hun erf en op het dak van de woning; door groene aanslag op het huis, op het terras en de trapopgang bij de zijdeur; door mos en slecht groeiend gras; door het ontnemen van licht op hun perceel en door het risico van omvallende bomen en/of uitvallende grote takken.

Op grond van artikel 5:37 BW mag een eigenaar van een erf niet aan de eigenaar van een ander erf hinder toebrengen op een wijze of in een mate die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval waaronder de plaatselijke omstandigheden. Daarbij is mede van belang of degene die zich beklaagt over hinder, zich ter plaatse heeft gevestigd vóór of na het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. De vraag of sprake is van onrechtmatige hinder moet verder zo veel mogelijk worden beantwoord aan de hand van objectieve maatstaven.

De bomen en heesters van [geïntimeerden] staan aan de westkant van het perceel van [appellanten] Naast de erfgrens hebben [appellanten] op hun perceel een border met beplanting gerealiseerd en een grindpad aangelegd, waarnaast de zijgevel van de nieuwe woning van [appellanten] is opgetrokken met aan die westzijde drie wat kleinere ramen.

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen moet het ervoor worden gehouden dat al vanaf 1992 langs de gehele erfgrens aan de zijde van [geïntimeerden] bomen en heesters stonden. Toen [appellanten] het perceel in 2005 kochten waren die bomen en heesters verder gegroeid en was die beplanting ook voor hen zichtbaar. [appellanten] wisten, althans konden weten, wat de gebruikelijke gevolgen van bomen en heesters – beperking zonlicht, mogelijk uitval van naalden, schaduw, groene aanslag en beperking grasgroei – kunnen zijn. Omdat [appellanten] er zelf voor hebben gekozen het perceel met een lange bomenrij langs de gehele erfgrens aan te kopen, hebben zij in elk geval enige gebruikelijke hinder van de bomen en heesters te dulden. Daartoe behoort ook, in elk geval tot op zekere hoogte, hinder van mos, naaldafval, groene aanslag en incidenteel (mogelijke) takbreuk.

De schaduwhinder op het perceel van [appellanten] beperkt zich vooral tot de border, het grindpad en die zijgevel. Daar staat tegenover dat het perceel van [appellanten] 1.200 m² groot is, zodat een groot deel van het perceel niet in de schaduw van de bomen staat. Zo is er in ruime mate zonlicht in een groot deel van de voor- en achtertuin en is ook sprake van zonlicht toetreding door de grote ramen aan de voor- en achterzijde van de woning van [appellanten] Ook als het zo is dat [appellanten] op een bepaald moment van de dag in een bepaald deel van het jaar in een deel van hun tuin geen zon(licht) hebben, dan nog is er naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. [appellanten] konden weten dat de bomen enige beperking van het zonlicht op (een deel van) hun perceel konden geven, ook al waren de bomen toen (wat) lager dan ze nu zijn.

De omstandigheid dat één keer tijdens een grote storm in 2014 een (deel van een) boom, althans een zeer grote tak is om-/afgewaaid en over de schutting in de tuin en tegen de woning van [appellanten] is gevallen, maakt nog niet dat nu sprake is van onrechtmatige hinder. [geïntimeerden] betwisten dat zich daarnaast nog incidenten hebben voorgedaan. Tegen door [appellanten] overlegde foto’s van omvallende bomen, brengen [geïntimeerden] in dat dit bomen zijn die niet op het perceel van [appellanten] zijn gevallen maar bomen die zij uit voorzorg door een hovenier van hun perceel hebben laten verwijderen. Tegen een door [appellanten] overgelegde foto van een omgevallen boom, brengen [geïntimeerden] in dat dit geen boom is maar een kluwen Hedera die op een oude berkenstam groeide, welke kluwen tijdens een storm van de stam is afgewaaid en over de schutting is gevallen. [appellanten] hebben dit onvoldoende weersproken. Verder hebben [geïntimeerden] gewezen op de bevindingen van hun deskundige [naam1] van 5 juni 2024 dat [geïntimeerden] (nog steeds) een gezond bomenstand hebben met weinig risico’s. Het hof tekent hierbij aan dat deze algemene conclusie is gemaakt na het advies bij een van de zes Californische cypressen (10/IX/H) - op welk advies [geïntimeerden] acht hebben te slaan - een dynamisch kroonanker te plaatsen.

Op zichzelf is begrijpelijk dat [appellanten] de naaldafval, groene aanslag en de invloed op de groei van gras als hinderlijk ervaren, maar [appellanten] hebben niet voldoende gesteld en onderbouwd dat die hinder bovenmatig is ten opzichte wat [appellanten] mochten verwachten en dat die nadelige gevolgen met relatief eenvoudige onderhoudsmaatregelen niet voor een belangrijk deel kunnen worden beperkt of kunnen worden weggenomen.

Na afweging van alle omstandigheden van dit geval is het hof van oordeel dat wel sprake is van hinder, maar niet van hinder in die mate dat gezegd kan worden dat dit onrechtmatig is. De primaire vordering onder II en de subsidiaire vordering van [appellanten] worden afgewezen.

Is sprake van misbruik van bevoegdheid?

De Gewone Hulst (3/III/B) en de Koreaanse Spar (13/XII/K) staan in strijd met artikel 5:42 BW binnen twee meter vanaf de erfgrens op het perceel van [geïntimeerden] [appellanten] verlangen dat aan deze in strijd met de wet bestaande onrechtmatige situatie een einde wordt gemaakt. De twee bomen moeten volgens hen uit de verboden zone worden verwijderd. Hiervoor is gebleken dat ten aanzien van deze bomen de vordering van [appellanten] tot verwijdering niet is verjaard. Toch moet volgens [geïntimeerden] de vordering tot verwijdering van deze twee bomen worden afgewezen, omdat [appellanten] misbruik maken van hun bevoegdheid.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 3:13 BW degene die een bevoegdheid, waaronder een recht, toekomt haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt. Op grond van artikel 3:13 lid 2 BW kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen.

In de procedure bij de kantonrechter hebben [geïntimeerden] niet expliciet een beroep op misbruik van bevoegdheid gedaan. De kantonrechter heeft dit verweer in de stellingen van [geïntimeerden] gelezen en vervolgens geoordeeld dat dit verweer slaagt (r.ov. 5.2, 5.5 t/m 5.8 van het vonnis). In hoger beroep sluiten [geïntimeerden] zich bij de redenering van de kantonrechter aan en wijzen in het bijzonder op hun belang hun erf naar eigen believen in te delen, het esthetisch belang van een (min of meer) aaneengesloten rij bomen en heesters en de aantasting van de privacy bij verwijdering van de bomen.

Het hof overweegt als volgt. De twee bomen staan nagenoeg aan de uiterste einden van de erfgrens, de Koreaanse Spar nabij de straat en de Gewone Hulst nabij de erfgrens met de achterburen. Bovendien staat tussen de beide erven een afscheiding - die volgens de beslissing van de kantonrechter kan worden opgehoogd tot 2 meter gemeten vanaf het peil van de woning van [appellanten] -. Dit alles betekent dat verwijdering van deze twee bomen niet tot nauwelijks een aantasting van de privacy zal opleveren. Zeker niet als [geïntimeerden] deze twee bomen op hun erf verplaatsen tot voor de verboden zone.

Op zichzelf hebben [geïntimeerden] er terecht op gewezen dat naar verwachting verwijdering van deze twee bomen – gelet op alle bomen die er al staan – wellicht niet meteen merkbare vermindering zal opleveren van de substantiële hinder die [appellanten] naar hun zeggen nu al ondervinden als gevolg van de bomen die mogen blijven staan. Het hof acht evenwel aannemelijk dat [appellanten] in elk geval enig redelijk belang hebben bij de verwijdering van de Koreaanse Spar en de Gewone Hulst. Zo geldt dat de twee bomen, als zij ouder en groter worden, wel degelijk wezenlijke extra hinder kunnen opleveren. [appellanten] hebben er daarnaast ook belang bij om discussie over bijvoorbeeld hinder of overhangende takken van die twee bomen, zoveel mogelijk voor te zijn.

Aldus afwegende is geen sprake van een zodanige situatie dat er een onevenredigheid is tussen het belang van [appellanten] bij de uitoefening van hun recht tot verwijdering en het belang van [geïntimeerden] dat daardoor wordt geschaad, zodat [appellanten] naar redelijkheid niet tot die uitoefening kunnen komen.

Dit betekent dat de vordering van [appellanten] met betrekking tot deze twee bomen wordt toegewezen. [appellanten] vorderen een verwijdering binnen drie maanden na dagtekening van het arrest. Deze termijn acht het hof te kort voor het geval, zoals [geïntimeerden] hebben aangekondigd, zij de beide bomen op hun erf maar buiten de verboden zijde willen plaatsen. Bij het bepalen van de termijn weegt het hof ook mee dat de huidige situatie al vele jaren bestaat en [appellanten] op zichzelf op dit moment van deze twee specifieke bomen weinig (extra) hinder ondervinden. Het hof zal bepalen een termijn van 10 maanden na betekening van het arrest. Voorts zal het hof de gevorderde dwangsom toewijzen.

Snoeien overhangende takken

De kantonrechter heeft [geïntimeerden] veroordeeld om tweemaal per jaar (in de periode maart/april en in de periode september/oktober) de beplanting langs de erfgrens zodanig te snoeien dat er tot een hoogte van 5 meter geen takken meer aanwezig zijn die de erfgrens overschrijden. [appellanten] komen op tegen de begrenzing in hoogte van 5 meter en willen dat [geïntimeerden] over de gehele hoogte van de bomen overhangende takken verwijderen.

Het hof stelt voorop dat in geval van overhangende takken over eens anders erf op grond van artikel 5:44 lid 1 BW de eigenaar van dit erf de overhangende takken eigenmachtig mag wegsnijden indien de nabuur dat verwijderen ondanks aanmaning nalaat. In deze wettelijke bepaling is geen begrenzing in hoogte opgenomen.

Een uitzondering op het verwijderen van overhangende takken is als dat onevenredig grote schade voor de eigenaar van de beplanting oplevert waardoor sprake is van misbruik van recht.

[appellanten] vorderen dat allereerst [geïntimeerden] zorgdragen voor het verwijderen van de overhangende takken. Voor zover zij daartoe gehouden zijn, willen [geïntimeerden] dat ook en zullen zij – naar zij verklaard hebben – aan een veroordeling uitvoering geven. De vraag moet daardoor worden beantwoord in welke mate [geïntimeerden] tot het verwijderen van overhangende takken gehouden zijn.

Niet ter discussie staat dat de overhangende takken een inbreuk op het eigendomsrecht van [appellanten] opleveren. Verder hebben [appellanten] op zichzelf toereikend onderbouwd dat (ook) de overhangende takken tot naaldafval in border, grindpad en op het dak van de woning leidt en enige schaduw oplevert. Die hinder is er ook nog – zij het in mindere mate – als de overhangende takken tot 5 meter worden gesnoeid. Dat deze hinder geen onrechtmatige hinder oplevert doet op zichzelf aan de voor [appellanten] nadelige gevolgen van de overhangende takken niet af.

[geïntimeerden] hebben in hoger beroep niet bestreden dat zij gehouden zijn tot 5 meter hoogte de overhangende takken te snoeien. Tot een verdere hoogte achten zij zich niet verplicht omdat zij vrezen dat dit tot aftopping van bomen zal leiden waardoor die bomen mogelijk afsterven en verwijderd moeten worden. Ook het aangezicht van de bomen zou volgens [geïntimeerden] worden aangetast door het volledig snoeien aan één zijde. Verder voeren [geïntimeerden] aan dat zij bij snoeien op grotere hoogte dan 5 meter niet meer zelf met bevriende derden voor verwijdering van overhangende takken kunnen zorgdragen en dat zij dan daarvoor ook (professionele) derden hebben in te schakelen.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] onvoldoende hebben onderbouwd dat het snoeien van overhangende takken zal leiden tot het afsterven van bomen. Zo concludeert de eigen deskundige [naam1] van [geïntimeerden] in het rapport van 5 juni 2024 dat drie getopte coniferen een nieuwe top hebben gevormd en een goede takaanzet hebben. Ook een andere conifeer heeft na getopt te zijn een nieuwe top gekregen. Weliswaar heeft dezelfde deskundige in kort daarvoor verzonden e-mail van 4 april 2024 geschreven “het lijkt erop dat de buren tot bovenkant boom willen snoeien en dat de bomen ten dode zijn opgeschreven”. Deze algemene stelling is niet toegelicht. Zo is niet duidelijk gemaakt hoe deze stelling zich verhoudt tot de bevindingen in het kort daarna opgemaakte rapport dat het toppen van coniferen tot een nieuwe top heeft geleid. Ook is niet toegelicht waarom snoeien van alle overhangende takken zonder beperking in hoogte ertoe leidt dat de “bomen ten dode zijn opgeschreven”. Ook is niet duidelijk of dit voor alle bomen die gesnoeid worden geldt of slechts voor een enkele boom. Dat de bomen zullen afsterven hebben [geïntimeerden] derhalve onvoldoende onderbouwd. Voorts weegt het hof mee dat voorzover een of meer bomen bij het terugsnoeien tot de erfgrens niet meer levensvatbaar is/zijn, dit komt doordat de bomen dicht bij de erfgrens staan. Ook al is de vordering tot verwijdering van een groot aantal bomen en heesters verjaard, kan dat - gelet op het ontbreken van een nadere toelichting en onderbouwing van de zijde van [geïntimeerden] , - niet met succes aan [appellanten] worden tegengeworpen.

Ongetwijfeld wordt het aangezicht van de bomen met het snoeien aan één zijde (enigszins) aangetast, maar ook dat is eerst en vooral het gevolg van het te dicht bij de erfgrens staan van het merendeel van de bomen en heggen. Een naburig eigenaar hoeft overhangende takken niet te dulden.

Verder betekent het niet meer zelf door [geïntimeerden] kunnen snoeien van de bomen op een hoogte van meer dan 5 meter, waardoor zij professionele derden hebben in te schakelen, niet dat [appellanten] geen verwijdering van de overhangende takken op grotere hoogte kunnen verlangen. Dat [geïntimeerden] voor het snoeien van hoge bomen bij de erfgrens (extra) kosten moeten maken, is – in elk geval in deze situatie – het gebruikelijke gevolg van bomen nabij een erfgrens en op zichzelf en ook in dit geval redelijk.

Dit betekent dat de grief tegen de begrenzing van 5 meter slaagt. De vordering van [appellanten] om [geïntimeerden] te veroordelen periodiek ieder jaar alle overhangende beplanting te snoeien die boven het perceel van [appellanten] hangt, wordt toegewezen. Het hof merkt volledigheidshalve op dat [geïntimeerden] uiteraard ten aanzien van de bomen hun zorgplicht in acht hebben te nemen. Het hof zal in het dictum de afspraken opnemen die partijen op de mondelinge behandeling van 6 februari 2023 bij de kantonrechter over het snoeien hebben gemaakt, waarbij het hof alleen de in de een na laatste bullet de zinsnede “, met inachtneming van de door de kantonrechter bepaalde hoogte” heeft verwijderd. Het staat partijen uiteraard vrij om in onderling overleg andere afspraken te maken.

Partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerden] tweemaal per jaar (in de periode maart/april en in de periode september/oktober) de beplanting langs de erfgrens snoeien. Het hof ziet aanleiding om [geïntimeerden] voor het voor de eerste keer terugsnoeien van de overhangende beplanting boven vijf meter hoogte een termijn van (bijna) een jaar te geven. Het is het hof onduidelijk in welke tijd van het jaar de bomen met deze hoogten het best gesnoeid kunnen worden. Daarbij komt het hof een termijn voor dat snoeiwerk over 1 à 2 maanden (want in september/oktober) te kort voor.

Aan [geïntimeerden] zal geen veroordeling onder dwangsom worden opgelegd omdat de snoeiafspraken minnelijk zijn overeengekomen en [geïntimeerden] altijd bereid zijn geweest om het noodzakelijke snoeiwerk uit te voeren. Mochten [geïntimeerden] daartoe toch niet overgaan, dan kunnen [appellanten] (in kort geding) alsnog vorderen om aan de nakoming een dwangsom te verbinden.

De conclusie

Het hoger beroep slaagt deels.

Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels gelijk en deels ongelijk hebben gekregen.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 14 maart 2023, behalve de beslissing onder 6.1. die hierbij wordt vernietigd en beslist:

veroordeelt [geïntimeerden] om binnen tien maanden na betekening van dit arrest de Gewone Hulst (3/III/B) en de Koreaanse Spar (13/XII/K) uit de verboden zone te (doen) verwijderen – al dan niet door elders op het eigen erf te plaatsen - , zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-;

veroordeelt [geïntimeerden] om tweemaal per jaar (in de periode maart/april en in de periode september/oktober) de beplanting langs de erfgrens aan de zijde van [appellanten] tot en met augustus 2027 tot vijf meter en vanaf september 2027 ook hoger dan vijf meter zodanig te snoeien dat er geen takken meer aanwezig zijn die de erfgrens aan de zijde van [appellanten] overschrijden met inachtneming van de volgende afspraken:

Het snoeiwerk zal twee maal per jaar door [geïntimeerde1] worden uitgevoerd: elk jaar in de maanden maart april en daarna in de maanden september oktober zal [geïntimeerde1] zorgen voor snoeien van overhangende takken en afvoer van snoei afval.

Dit snoeien zal niet meer dan twee opvolgende dagen in beslag nemen, zowel in het voorjaar als in het najaar. [geïntimeerde1] zal het snoeiwerk zelf op bekwame wijze uitvoeren met hulp van meerderjarige personen.

Als het gaat om de periode in het voorjaar en het najaar is [geïntimeerde1] vrij om te bepalen wanneer het snoeien plaatsvindt. Hij zal uiterlijk een maand van te voeren per e-mail [appellant] hiervan op de hoogte stellen. [appellant] zal de ontvangst van de e-mail binnen 48 uur bevestigen. Indien de voorgestelde datum [appellant] niet schikt zal hij uiterlijk twee weken voor de door [geïntimeerde1] voorgestelde datum dit per e-mail berichten aan [geïntimeerde1] onder opgave van eventuele overige verhinderdagen voor de gehele betreffende snoeiperiode. [geïntimeerde1] zal dan binnen 48 uur na ontvangst van die mail aan [appellant] laten weten wat de nieuw datum voor het snoeien wordt, waarbij met de verhinderdata van [appellant] rekening wordt gehouden.

[appellant] geeft [geïntimeerde1] voor het snoeien bij voorbaat toestemming om zijn erf te betreden

Voor elk jaar geldt: indien op 1 mei de snoeiwerkzaamheden voor het voorjaar niet zijn verricht, dan wel op 1 november de snoeiwerkzaamheden voor het najaar niet zijn verricht, is [appellant] gerechtigd hiertoe zelf over te gaan dan wel dit te laten doen. Voor de kosten hiervan, mits niet excessief, is [geïntimeerde1] dan aansprakelijk.

Er zal worden teruggesnoeid tot circa 20 cm voor de erfgrens, bezien vanaf het perceel van [geïntimeerde1] .

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het hoger beroep;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.H. de Witte, A.A.J. Smelt, C.P. Lunter, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand