GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.362.579/01 en 200.363.083/01
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 598535 en 602267
arrest in kort geding van 1 september 2026
in de gevoegde zaken:
200.362.579 (verder ook: zaak 1) van
1. Casarca Holding B.V. (Casarca)
die is gevestigd in Almere
2. Papillion Bewindvoering B.V. (Papillion)
die is gevestigd in Almere
advocaat: mr. R. Kuizenga
en
1. [geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats1] ,
2. [geïntimeerde2] B.V. ( [geïntimeerde2] )
die is gevestigd in [vestiginsplaats]
advocaat: mr. J.A.J. van Leusden-van de Ven
en 200.363.083 (verder ook: zaak 2) van
1. Casarca Holding B.V (Casarca)
2. Papillion Bewindvoering B.V. (Papillion)
3. [appellante] ( [appellante] )
die is gevestigd in Almere
die is gevestigd in Almere
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. R. Kuizenga (die zich heeft onttrokken als advocaat van Papillion),
en
1. [geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats1]
2. [geïntimeerde2] B.V. ( [geïntimeerde2] )
die is gevestigd in [vestiginsplaats]
advocaat: mr. J.A.J. van Leusden-van de Ven
1. Het verloop van de procedures in hoger beroep
Na het arrest van 12 mei 2026 heeft op 13 juli 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling in de gevoegde zaken plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) opgemaakt dat aan het procesdossier is toegevoegd. Daarin is vastgelegd dat mr. Kuizenga tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd akte heeft gevraagd van vermindering van de vordering van Papillion tot nihil, welke akte is verleend.
Vervolgens hebben partijen het hof gevraagd om in beide zaken opnieuw arrest te wijzen.
2. De kern van zaak
Casarca heeft haar aandelen in Papillion eind 2024 verkocht aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde2] . De koopovereenkomst is neergelegd in een intentieverklaring die op 17 december 2024 digitaal is ondertekend door Casarca, vertegenwoordigd door haar bestuurder [appellante] . De vraag ligt voor of [appellante] ook in persoon gebonden is aan de intentieverklaring. Die vraag ligt voor omdat in de intentieverklaring bepalingen zijn opgenomen over door [appellante] persoonlijk te verrichten werkzaamheden na de overname.
In zaak 1 heeft de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 3 oktober 2025 Casarca veroordeeld tot nakoming van de intentieverklaring door Casarca te bevelen om binnen 21 dagen na betekening van dat vonnis de leveringsakte bij de notaris te ondertekenen. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.
In zaak 2 heeft de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 28 november 2025 aan die eerder gegeven veroordeling (met uitzondering van artikel 9 van de intentieverklaring) een dwangsom verbonden. Verder heeft de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 28 november 2025 [appellante] veroordeeld tot nakoming van de werkzaamheden zoals verwoord in de intentieverklaring onder de paragraaf “Betrokkenheid [appellante] ”. Aan die veroordeling heeft de voorzieningenrechter een dwangsom verbonden van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [appellante] niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000, -. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.
De bedoeling van het hoger beroep in beide zaken is dat de in de kortgedingvonnissen toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
Het hof zal Casarca en Papillion in hun hoger beroep tegen het kortgedingvonnis van 3 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaren en het kortgedingvonnis van 28 november 2025 grotendeels in stand laten. Het hof zal beslissen dat alleen ten aanzien van bepaalde door [appellante] te verrichten werkzaamheden een dwangsom wordt verbeurd. Het hof licht dit oordeel hieronder toe.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
De feiten
Papillion voert een onderneming die zich bezig houdt met curatele, bewindvoering, mentorschap en budgetbeheer. Casarca was enig aandeelhouder en bestuurder van Papillion. [appellante] is bestuurder van Casarca.
In december 2024 hebben Casarca, vertegenwoordigd door [appellante] , als verkoper en [geïntimeerde] en [geïntimeerde2] in oprichting als kopers een document met de titel “intentieverklaring” ondertekend. In een bijlage bij de intentieverklaring is het volgende opgenomen:
“Betrokkenheid [appellante]
Mevrouw [appellante] is beschikbaar voor de periode na de leveringsdatum om de overname soepel te laten verlopen en voor de cliënten van Papillion op het gebied van curatele en mentorschap waarvoor zij bevoegd is
Mevrouw [appellante] introduceert de heer [geïntimeerde] bij haar netwerk in [plaats] en daarbuiten, de heer [geïntimeerde] bouwt hiermee zijn eigen netwerk op en neemt de contacten over. Mevrouw [appellante] stimuleert de overdracht van de contacten en trekt zich na een geslaagde overdracht van de contacten terug. De heer [geïntimeerde] maakt bij de opbouw van zijn netwerk en contacten gebruik van het advies van mevrouw [appellante] hierin en spant zich in om dit goed te laten verlopen.
De gewenste inzet van mevrouw [appellante] wordt periodiek besproken en gezamenlijk gepland, de betrokkenheid eindigt niet eerder dan dat volledige betaling van de koopprijs heeft plaatsgevonden of eerder als dat door koper en verkoper schriftelijk wordt overeengekomen. Inzet in de vorm van arbeid is betaald en kan alleen in gezamenlijk overleg worden gepland. Betrokkenheid is onbetaald. Betrokkenheid houdt in:
o Elk kwartaal bespreking, onderwerpen
Ontwikkeling cliëntenportefeuille (nieuw, weg, bijzonderheden)
Personeel
Netwerk, welke instantie levert nog cliënten aan, contacten, problemen
Overige
In overleg kan mevrouw [appellante] ingezet worden voor een gesprek met een cliënt, personeelslid, netwerkinstelling. Tenzij anders afgesproken staat hier geen vergoeding tegenover.
Duur: zo lang de financiering nog niet is afgelost, daarna kan ook maar dan uitsluitend op initiatief van de heer [geïntimeerde] .
- Het tarief van mevrouw [appellante] is € 40 per uur exclusief BTW”
Op 5 december 2025 heeft Casarca haar aandelen in Papillion overgedragen aan [geïntimeerde2] .
Ontvankelijkheid Casarca en Papillion in hun hoger beroep in zaak 1
Casarca en Papillion zijn in dit hoger beroep niet-ontvankelijk omdat zij geen grieven hebben gericht tegen het kortgedingvonnis van 3 oktober 2025. Het hof gaat daarom hierna bij de beoordeling alleen verder in op zaak 2.
Het spoedeisend belang
In een kort geding procedure, zoals hier aan de orde, moet het hof, zo nodig ambtshalve, eerst vaststellen of degene die om een voorlopige voorziening vraagt (in dit geval [geïntimeerde] en [geïntimeerde2] ) ten tijde van de beoordeling door het hof in hoger beroep nog altijd een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering(en). Als er geen spoedeisend belang is bij een vordering, moet die worden afgewezen.
Het hof is van oordeel dat dit het geval is, gezien de aard van het conflict tussen partijen en hun beider belangen.
Toetsingskader
De vorderingen van [geïntimeerde] en [geïntimeerde2] zijn in deze procedure in kort geding alleen toewijsbaar wanneer in voldoende mate aannemelijk is dat deze in een eventuele bodemprocedure toewijsbaar zouden zijn. Daarbij geldt als uitgangspunt dat, gezien de aard van de kortgedingprocedure, bewijslevering door getuigen niet aan de orde is. Het hof moet de vraag of voldoende aannemelijk is dat de vorderingen in een eventuele bodemprocedure worden toegewezen, beoordelen op basis van de stellingen van partijen in de processtukken en bij de mondelinge behandeling en de onderbouwing daarvan (waaronder de producties en de verklaringen van partijen).
[appellante] moet de werkzaamheden in de intentieverklaring nakomen
Vaststaat dat [appellante] en [geïntimeerde] beiden betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de intentieverklaring. Ter beantwoording ligt de vraag voor of [appellante] bij die gesprekken en het aangaan van de overeenkomst niet alleen heeft gesproken/gehandeld als vertegenwoordiger van Casarca, maar ook zelf bepaalde verplichtingen op zich heeft genomen.
Het antwoord op die vraag is afhankelijk van wat [appellante] en [geïntimeerde] jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaar verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
Het hof stelt vast dat [appellante] in de intentieverklaring niet als partij is aangewezen en dat [appellante] ook niet degene is te wiens behoeve de ondertekenaar van de akte zich volgens de tekst daarvan heeft verbonden. [appellante] heeft de intentieverklaring immers ondertekend als vertegenwoordiger van Casarca. Daar staat tegenover dat in de intentieverklaring expliciet de betrokkenheid van [appellante] in persoon na de overname is opgenomen. Niet in geschil is dat dit het resultaat is van wat [appellante] en [geïntimeerde] voorafgaand aan de ondertekening van de intentieverklaring (de verkoop van de aandelen in Papillion) met elkaar hebben besproken. Verder neemt het hof bij de beoordeling in aanmerking dat de overeenkomst is gesloten in het kader van de overname van Papillion door [geïntimeerde2] en dat vast is komen te staan dat [appellante] in persoon uitvoering heeft gegeven aan een aantal verplichtingen, bijvoorbeeld door [geïntimeerde] en het personeel van Papillion aan elkaar voor te stellen. Tegen dat oordeel van de voorzieningenrechter is namelijk geen grief gericht en niet in geschil is dat [appellante] nog steeds mentor en curator is voor cliënten van Papillion. Gelet op de specifieke inhoud van de intentieverklaring over de betrokkenheid van [appellante] , de context waarin de overeenkomst werd gesloten en het handelen van [appellante] na de totstandkoming van de intentieverklaring, vindt het hof, net als de voorzieningenrechter, voldoende aannemelijk dat [appellante] heeft moeten begrijpen dat zij, naast Casarca, ook zichzelf aan de intentieverklaring zou binden.
Op dit onderdeel is het hof het eens met de voorzieningenrechter zodat het vonnis in zoverre wordt bekrachtigd.
dwangsom
Het hof stelt in dit kader voorop dat als de rechter in eerste aanleg een dwangsom heeft opgelegd en de hoofdvordering waaraan de dwangsom is verbonden in hoger beroep door een behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grief opnieuw aan de orde is gesteld, het aan het hof vrijstaat het bedrag en de modaliteiten van die dwangsom in zijn beoordeling te betrekken, ook zonder dat in hoger beroep daartegen een specifieke grief is gericht.
In de intentieverklaring zijn meerdere verplichtingen voor [appellante] opgenomen, maar niet overal in de intentieverklaring is omschreven welke concrete handelingen of gedragingen van [appellante] precies worden gevergd, in plaats van een algemene inspanning. Zo moet [appellante] onder andere de overname ‘soepel’ laten verlopen en de overdracht van contacten ‘stimuleren’. Onduidelijk is wat onder die termen wordt verstaan respectievelijk hoe [appellante] dat moet doen. Verder moet [appellante] op grond van de intentieverklaring [geïntimeerde] bij haar netwerk in [plaats] en daarbuiten introduceren, maar is onduidelijk waar het netwerk van [appellante] uit bestaat en hoe dat introduceren zou moeten geschieden. Een duidelijk, voldoende objectief bepaalbare prestatie ontbreekt op deze punten. De aan [appellante] opgelegde veroordeling is op die punten daarom niet voldoende concreet en meetbaar om daaraan een dwangsom te verbinden. In zoverre zal het kortgedingvonnis van 28 november 2025 worden vernietigd.
De intentieverklaring omschrijft daarentegen wel voldoende duidelijk dat elk kwartaal een – in gezamenlijk overleg in te plannen – bespreking plaatsvindt inzake de betrokkenheid van [appellante] aan de hand van een vijftal door partijen geformuleerde bulletpunten/onderwerpen. Ook de duur van die betrokkenheid – zo lang de financiering nog niet is afgelost of zoveel eerder als schriftelijk door partijen wordt overeengekomen - is voldoende duidelijk omschreven. Aan dit onderdeel van de aan [appellante] opgelegde veroordeling zal het hof een dwangsom verbinden zoals in de beslissing is vermeld.
De conclusie
Het hoger beroep van Casarca en Papillion in zaak 1 slaagt niet. Het hoger beroep van Casarca, Papillion en [appellante] in zaak 2 slaagt grotendeels niet. Omdat zij (hoofdzakelijk) in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. In het feit dat Papillion is overgenomen door [geïntimeerde2] vindt het hof aanleiding om de door Papillion te betalen proceskosten te stellen op nihil. Omdat de zaken vanaf de memorie van grieven gevoegd zijn behandeld en de partijen die hoger beroep hebben ingesteld door dezelfde advocaat worden bijgestaan, zal het hof de door Casarca (in zaak 1) en door Casarca en [appellante] (in zaak 2) te betalen proceskosten van [geïntimeerde] en [geïntimeerde2] voor salaris van de advocaat in beide zaken op de helft van het toepasselijke liquidatietarief stellen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
In zaak 200.362.579
verklaart Casarca en Papillion niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het kortgedingvonnis van 3 oktober 2025;
veroordeelt Papillion in de proceskosten van de procedure bij het hof en stelt deze kosten vast op nihil;
veroordeelt Casarca tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] en [geïntimeerde2] :
€ 827, - aan griffierecht
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] en [geïntimeerde2] (½ x 2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
In zaak 200.363.083
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad van 3 oktober 2025, behalve de beslissing:
“veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt;”
die hierbij wordt vernietigd en beslist:
veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 500, - voor iedere dag dat zij zich niet houdt aan de in de intentieverklaring opgenomen verplichting, als hiervoor omschreven in rov. 3.14, tot een maximum van € 25.000, -;
veroordeelt Papillion in de proceskosten van de procedure bij het hof en stelt deze kosten vast op nihil;
veroordeelt Casarca en [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] en [geïntimeerde2] :
€ 827, - aan griffierecht
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] en [geïntimeerde2] (½x 2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
In zaak 200.362.579 en in zaak 200.363.083
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, M.E.L. Fikkers en M. Willemse, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.