ECLI:NL:GHDHA:2026:2827

ECLI:NL:GHDHA:2026:2827

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 22-003680-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Afleveren en voorhanden hebben van valse Belgische reisdocumenten en valse Belgische verblijfsdocumenten. Een Belgisch verblijfsdocument is geen reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in art. 231 Sr. Wetenschap verdachte. Mede in verband met groot tijdsverloop geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

PROMIS

Rolnummer: 22-003680-20

Parketnummer: 09-857362-16

Datum uitspraak: 9 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 december 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Burundi) op [geboortedatum 1] 1977,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde medeplegen en ter zake van de eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde valse Belgische verblijfsdocumenten vrijgesproken en voor het overige veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 6 november 2015 en 7 november 2015 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer reisdocument(en) en/of identiteitsbewij(s)(zen) als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten 11 (elf), althans een of meer Belgische documenten, te weten

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 1] t.n.v. [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1964 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 2] t.n.v. [naam 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1976 en/of

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 3] t.n.v. [naam 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2007 en/of

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 4] t.n.v. [naam 4] , geboren op [geboortedatum 5] 2005 en/of

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 5] t.n.v. [naam 5] , geboren op [geboortedatum 6] 2009 en/of

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 6] t.n.v. [naam 6] , geboren op [geboortedatum 7] 2013 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 7] t.n.v. [naam 7] , geboren op [geboortedatum 8] 1990 en/of

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 8] t.n.v. [naam 8] , geboren op [geboortedatum 9] 2014 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 9] t.n.v. [naam 9] , geboren op [geboortedatum 10] 1993 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 10] t.n.v. [naam 10] , geboren op [geboortedatum 11] 1989 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 11] t.n.v. [naam 11] , geboren op [geboortedatum 12] 1982

waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad

en/of

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 6 november 2015 en 7 november 2015 te `s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer valse en/of vervalste geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, te weten 6 (zes), althans een of meer Belgische documenten, te weten

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 1] t. n.v. [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1964 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 2] t.n.v. [naam 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1976 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 7] t.n.v. [naam 7] , geboren op [geboortedatum 8] 1990 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 9] t.n.v. [naam 9] , geboren op [geboortedatum 10] 1993 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 10] t.n.v. [naam 10] , geboren op [geboortedatum 11] 1989 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 11] ,t.n.v. [naam 11] , geboren op [geboortedatum 12] 1982

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en,) dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die geschriften bestemd zijn/waren voor het gebruik als ware die geschriften echt en onvervalst.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1] onbetrouwbaar is en het ontbreekt aan zelfstandig en overtuigend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde.

Het hof acht op grond van het navolgende wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op de bewezenverklaarde wijze – kort gezegd – schuldig heeft gemaakt aan het afleveren en voorhanden hebben van valse reisdocumenten en valse verblijfsdocumenten.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Indien en voor zover relevant, zal het hof hieronder – en grotendeels in navolging van de bewijsoverwegingen van rechtbank – nader op het betoog van de verdediging ingaan.

De feiten

Aanleiding

Op 9 november 2015 heeft een DHL-medewerker op de luchthaven Schiphol een pakket geopend en geïnspecteerd, omdat de verzender een onbekende klant was die middels contante betaling de verzendkosten had voldaan. De DHL-medewerker was hiertoe gerechtigd op grond van de algemene vervoersvoorwaarden van DHL. Omdat de DHL-medewerker twijfels had over de echtheid van de in het pakket aangetroffen documenten, werd het pakket doorgestuurd naar de ID-desk van Schiphol.

Een documentdeskundige van de ID-desk, onderdeel van de Koninklijke Marechaussee, heeft onderzoek gedaan naar de inhoud van het pakket. Uit dit onderzoek is gebleken dat het pakket 6 valse Belgische verblijfsdocumenten en 5 valse Belgische identiteitsdocumenten bevatte. Het ging om de volgende valse documenten:

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 3] t.n.v. [naam 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2007;

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 4] t.n.v. [naam 4] , geboren op [geboortedatum 5] 2005;

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 5] t.n.v. [naam 5] , geboren op [geboortedatum 6] 2009;

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 6] t.n.v. [naam 6] , geboren op [geboortedatum 7] 2013;

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 7] t.n.v. [naam 7] , geboren op [geboortedatum 8] 1990;

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 8] t.n.v. [naam 8] , geboren op [geboortedatum 9] 2014;

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 9] t.n.v. [naam 9] , geboren op [geboortedatum 10] 1993;

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 10] t.n.v. [naam 10] , geboren op [geboortedatum 11] 1989;

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 11] t.n.v. [naam 11] , geboren op [geboortedatum 12] 1982.

Daarnaast bevatte het pakket een creditcard van VIABUY met nummer [creditcardnummer] , ten name van “ [naam 7] ”. Verder stond als afzender op het pakket vermeld:

“ [naam afzender hierna getuige 1] , [adres 1] te [nummer] ”, “ [telefoonnummer 1] ” en als ontvanger: [naam ontvanger] , [adres 2] [plaats 1] .

Verklaring [getuige 1]

is gehoord door de federale gerechtelijke politie van de provincie

Antwerpen in België. Hij heeft verklaard dat de verdachte hem op 6 of 7 november 2015 een envelop met documenten bracht en dat die envelop naar [naam ontvanger] gestuurd moest worden. Hij kreeg € 100,- in contanten van de verdachte om de verzendkosten te betalen. [getuige 1] wist niet wat de inhoud van de envelop was. De verdachte was wel op de hoogte van de afkomst van de documenten. [getuige 1] heeft de envelop vervolgens op 7 november 2015 verstuurd via DHL en vernam daarna dat de envelop in beslag was genomen, omdat er valse documenten in zaten. [getuige 1] is daarom op 13 november 2015 met de verdachte naar DHL gegaan. Daar heeft de verdachte aan de DHL-medewerker bevestigd dat de verdachte de opdrachtgever van de verzending was. De enveloppe had [getuige 1] op 6 of 7 november 2015 van de verdachte ontvangen.

Op verzoek van een opsporingsambtenaar heeft DHL Express Benelux informatie verstrekt,

inhoudende dat [getuige 1] op 13 november 2015 aanwezig was op de locatie DHL Express

Den Haag en dat hij daar vertelde dat hij de zending uit naam van de verdachte had

verstuurd en dat hij niet wist wat er in de zending zat.

Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank verklaard dat hij op 13 november 2015 samen met onder meer [getuige 1] aanwezig was bij de DHL Express-locatie in Den Haag.

De creditcard van VIABUY

De creditcard bleek echt en onvervalst en betrof een prepaid creditcard. Deze

creditcard was dus geen traditionele creditcard waar een krediet op staat. De gebruiker moet

zelf een bedrag op de creditcard zetten, welk bedrag op een ander moment opgenomen kan

worden.

Het bedrijf PPRO, dat de betreffende creditcard heeft uitgegeven, heeft hierover informatie verstrekt. Daaruit volgt dat deze prepaid creditcard online kan worden aangevraagd door het

invoeren van de persoonlijke gegevens van de aanvrager. De aanvraag kan alleen worden

afgerond door een code in te voeren die de aanvrager ontvangt op het opgegeven

telefoonnummer. De creditcard was op 3 november 2015 aangevraagd met de volgende gegevens:

Name: [naam 7]

Address : [adres 3] , [plaats 2] , NL

Birth date : [geboortedatum 13] -1974

Email: [e-mailadres]

Mobile: [telefoonnummer 2]

Tijdens zijn politieverhoor op 30 oktober 2018 heeft de verdachte verklaard dat zijn vrouw

woont op de [adres 3] en dat hij daar meestal verblijft, ondanks het feit dat zijn

hoofdadres in Leiden is. Voorts heeft hij ter terechtzitting verklaard dat het nummer

[telefoonnummer 2] toen bij hem in gebruik was.

Verklaring [getuige 2] en contact met [betrokkene]

[getuige 2] is, in het kader van het Belgische strafrechtelijke onderzoek “Catalogue”, dat

was gericht op (leden van) een criminele organisatie die onder andere op grote schaal reis-,

identiteits- en verblijfsdocumenten vervalste en verspreidde, gehoord door de federale

gerechtelijke politie van het arrondissement Brussel. Zij heeft verklaard dat een week voor

31 augustus 2015, de verdachte, waarmee zij in die periode een relatie had, haar vertelde dat

op de betreffende datum iemand bij haar zou komen om een envelop te overhandigen en dat

zij in ruil daarvoor aan die persoon een bedrag van ongeveer € 2.000,- moest geven. Op 31 augustus 2015 heeft een man van Arabische afkomst haar bezocht op haar woonadres aan de [adres 4] in [plaats 3] (België). Tijdens de ontmoeting belde de man naar de verdachte, die vroeg om te bevestigen dat [getuige 2] daadwerkelijk de envelop van die man had ontvangen. Nadat [getuige 2] via een WhatsAppfoto de ontvangst van de envelop had

bevestigd, moest zij het geldbedrag aan de man overhan digen. De verdachte nam na de

uitwisseling met de man van Arabische afkomst contact met haar op, om te vertellen dat een

vriend van de verdachte uit Nederland de envelop zou komen ophalen om naar hem toe te

sturen, nu de verdachte zich op dat moment in Rwanda of Kenia bevond.

Op de door de politie getoonde foto's van [betrokkene] heeft [getuige 2] hem herkend

als de man van Arabische afkomst, aan wie zij het geldbedrag overhandigde in ruil voor de

envelop.

Voorts is in het kader van het onderzoek “Catalogue” een tap geplaatst op het

telefoonnummer + [telefoonnummer 3] , dat ten tijde van het onderzoek bij [betrokkene] in gebruik

was. Uit die tapgesprekken blijkt dat op 31 augustus 2015 een man (“ [1] ”), die op dat moment nog niet geïdentificeerd was, met nummer [telefoonnummer 4] naar het nummer van [betrokkene] (“ [2] ”), belt en hem vraagt om naar de [adres 4] te gaan:

[1] : is het al klaar?

[2] : ja, het is goed

[1] : [adres 5] , daar is mevrouw ( ... )

[2] : (...) ik ben met haar

(...)

[1] : ( ... ) ja geef even om te kijken of zij het is en voor de opgestuurde foto’s. 14

Een dag later, op 1 september 2015 om 16:43 uur, vindt er wederom een gesprek plaats

tussen [betrokkene] en de man die belt met nummer [telefoonnummer 4] :

[1] : ik ben hier met hem met het geld, stuur me nu meteen een mail (...) en dan geeft

hij het geld ( ... )

[2] : ja, ik snapje, geen punt (...) stuur me een e-mail, okay?

Op 1 september 2015 om 16:47 uur ontving het nummer + [telefoonnummer 3] van het nummer

[telefoonnummer 4] de SMS-tekst: [e-mailadres] .

Op 13 april 2017 heeft de Koninklijke Marechaussee de handbagage van de verdachte

heimelijk in beslag genomen. Daarbij is het paspoort van de verdachte gecontroleerd.

Daaruit bleek dat op pagina 8 van het paspoort een inreisstempel stond voor Nairobi, Kenia,

evenals een visum dat geldig was voor Kenia, Rwanda en Uganda voor de periode van

31 augustus 2015 tot 30 november 2015.

Oordeel van het hof

Algemeen

Gelet op het vorenstaande stelt het hof vast dat op 7 november 2015 een pakket is verstuurd met valse Belgische verblijfsdocumenten, valse Belgische identiteitskaarten en een creditcard op naam van [naam 7] . Dit pakket is door [getuige 1] op 7 november 2015 vanaf zijn toenmalige adres in Den Haag via DHL verstuurd.

Anders dan de verdediging, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de

juistheid van de hiervoor weergegeven verklaring van [getuige 1] , inhoudende

dat hij de inhoud van het pakket van de verdachte heeft ontvangen en in opdracht van de verdachte heeft verzonden. Dat de verklaring van [getuige 1] met betrekking tot hetgeen hierover bij DHL zou zijn gezegd, niet volledig overeenkomt met de informatie van de DHL-medewerker, maakt zijn verklaring in de ogen van het hof niet onbetrouwbaar. Zowel [getuige 1] als de DHL-medewerker verklaren op het essentiële punt hetzelfde, namelijk dat ter plaatse is aangegeven dat de verdachte de opdracht tot verzending had gegeven. Bovendien vindt de verklaring van [getuige 1] dat de verdachte de valse documenten en de tegelijk daarmee verzonden creditcard voorafgaand aan de aflevering bij [getuige 1] voorhanden had, steun in de overige bewijsmiddelen.

Daarbij overweegt het hof nog dat [getuige 1] op verzoek van de verdediging nader bij de raadsheer-commissaris is gehoord en daarbij is gebleven bij zijn eerder afgelegde verklaringen. Voor zover al sprake zou zijn van inconsistenties, zijn deze reeds door het grote tijdsverloop verklaarbaar en raken deze niet aan de kern van zijn verklaring, te weten dat hij de inhoud van het pakket van de verdachte heeft ontvangen en het pakket op verzoek van de verdachte via DHL heeft verzonden.

Ook de eerst in hoger beroep, meer dan 10 jaar na het ten laste gelegde feit, afgelegde verklaring, inhoudende dat [getuige 1] vanwege een financieel conflict over een niet terug betaald geldbedrag reden zou hebben gehad om de verdachte ten onrechte te belasten, leidt niet tot een ander oordeel. Deze verklaring van de verdachte vindt naar het oordeel van het hof geen enkele steun in het dossier. Gelet op een en ander is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is dat [getuige 1] om de door de verdachte gesuggereerde reden dan wel anderszins niet naar waarheid heeft verklaard.

Het hof zal de verklaring van [getuige 1] dan ook voor het bewijs gebruiken. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Nu het hof – mede gelet op de daarvoor bestaande steun in ander bewijs – uitgaat van de juistheid van [getuige 1] ’s verklaringen, gaat het hof er ook van uit dat [getuige 1] – zoals hij verklaart – niet wist dat er valse documenten in het pakket zaten. Dat betekent dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde

medeplegen.

Creditcard

Met verwijzing naar wat hiervoor is vermeld met betrekking tot de creditcard van ViaBuy overweegt het hof het volgende.

De verdachte heeft ontkend dat de bij de valse documenten aangetroffen creditcard door hem is aangevraagd dan wel bij hem in bezit is geweest. Zoals reeds overwogen is het adres dat is gebruikt bij de aanvraag van de creditcard het toenmalige adres van de partner van de verdachte, waar de verdachte naar eigen zeggen regelmatig verbleef.

De verdachte heeft ter terechtzitting bij de rechtbank voorts erkend dat het nummer [telefoonnummer 2] dat is gebruikt voor de aanvraag van de creditcard bij hem in gebruik was. Dit telefoonnummer is naar het oordeel van het hof essentieel voor het daadwerkelijk verkrijgen van de creditcard omdat, zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven brief van PPRO, de aanvraag alleen kan worden afgerond als een code wordt ingevoerd die de aanvrager op het opgegeven telefoonnummer ontvangt. De betreffende creditcard is aangetroffen in het pakket en dat betekent dat de aanvraag succesvol is afgerond nu de creditcard feitelijk is verstuurd en ontvangen.

Met betrekking tot het aan de creditcard gekoppelde e-mailadres overweegt het hof dat uit de verklaring van [getuige 2] , de aangehaalde tapgesprekken met [betrokkene] en de reisgeschiedenis, zoals die blijkt uit het paspoort van de verdachte, het de verdachte moet zijn geweest die op 31 augustus 2015 en 1 september 2015 contact had met [betrokkene] en hem het e-mailadres “ [e-mailadres] ” via een SMS toezond.

Kortom, de creditcard is aangevraagd met het e-mailadres en het telefoonnummer die bij de

verdachte in gebruik waren en is verstuurd naar het adres waar de verdachte ten tijde van de

aanvraag feitelijk verbleef. Het hof is, gelet hierop, van oordeel dat het de verdachte is

geweest die – onder een valse naam – de creditcard heeft aangevraagd.

Tussenconclusie

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof

van oordeel dat de verdachte de ten laste gelegde valse documenten voorhanden heeft

gehad, dat hij deze (samen met de creditcard) als één pakket in een envelop heeft afgeleverd

bij [getuige 1] en dat hij [getuige 1] de opdracht heeft gegeven om het pakket te versturen

naar een adres in Burundi.

Pleegdatum

Vaststaat dat de verdachte de creditcard en de valse documenten aan [getuige 1] heeft

gegeven en dat [getuige 1] het pakket op 7 november 2015 heeft verstuurd. Uit de

informatie van PPRO blijkt dat de creditcard op 3 november 2015 is aangevraagd. Het is een

feit van algemene bekendheid dat de levering van online bestelde producten doorgaans

enkele dagen op zich laat wachten, zeker wanneer het, zoals deze creditcard, een product is

dat vanuit het buitenland wordt geleverd. Het hof gaat er daarom vanuit dat de verdachte enkele dagen ná de aanvraag op 3 november 2015 – dus omstreeks de periode tussen 6 en 7 november 2015 – de creditcard heeft ontvangen. Vervolgens heeft de verdachte op 6 of 7 november 2015 de creditcard met de valse documenten als één pakket afgeleverd bij [getuige 1] . Dit betekent dat de verdachte omstreeks 6 en 7 november 2015 – de valse documenten voorhanden had.

Belgisch verblijfsdocument

Het hof overweegt dat artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht – voor zover hier

relevant – strafbaar stelt het voorhanden hebben en/of afleveren van een reisdocument, een

identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang.

Artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht bepaalt in dit verband – kort gezegd – dat als identiteitsdocument worden aangewezen een geldig reisdocument van het Koninkrijk der

Nederlanden, een paspoort, een rijbewijs, of een document waarover een vreemdeling

ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit,

nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. De vaststelling van die laatste categorie heeft

plaatsgevonden in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit.

Een Belgisch verblijfsdocument valt naar het oordeel van het hof niet onder de

hiervoor genoemde categorieën van wettelijk aangewezen identiteitsdocumenten. Wel kwalificeert een Belgisch verblijfsdocument als een geschrift dat is bestemd om te

dienen tot bewijs van enig feit (vgl. Gerechtshof Amsterdam 28 oktober 2019,

ECLI:NL:GHAMS:2019:4049). Het voorhanden hebben of afleveren van een vals Belgisch

verblijfsdocument is dan ook strafbaar gesteld onder artikel 225 van het Wetboek van

Strafrecht.

Het voorgaande brengt – geheel overeenkomstig het oordeel van de rechtbank – met zich dat de verdachte met betrekking tot de valse Belgische verblijfsdocumenten zal worden vrijgesproken van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde.

Wetenschap en opzet

In opdracht van de verdachte zijn elf valse documenten in één pakket door een derde en onder diens naam ter verzending naar Burundi aangeboden. Het ging om valse Belgische verblijfs- en identificatiedocumenten op andermans naam, waarvan het bezit door een particulier (zeker gelet op het aantal) zeer ongebruikelijk is. Daarnaast bevatte het pakket een prepaid creditcard die door de verdachte onder een valse naam is aangevraagd. De naam waaronder de creditcard is aangevraagd, te weten [naam 7] , komt tevens voor op één van de valse documenten. Op dat document staat echter een andere geboortedatum dan de geboortedatum die (door de verdachte) bij de aanvraag van de creditcard is gebruikt.

De verdachte heeft voor al deze hem belastende feiten en omstandigheden (waaronder hij de in de bewezenverklaring genoemde documenten voorhanden heeft gehad) geen aannemelijke, hem ontlastende, verklaring gegeven. Gelet op het vorenstaande, en bij gebrek aan contra-indicaties, gaat het hof er derhalve van uit dat de verdachte wist dat de documenten die hij liet versturen, vals of vervalst waren.

Het verweer van de raadsvrouw wordt ook op dit onderdeel verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 6 november 2015 en 7 november 2015 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer reisdocument(en) en/of identiteitsbewij(s)(zen) als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten 11 (elf), althans een of meer Belgische documenten, te weten

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 1] t.n.v. [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1964 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 2] t.n.v. [naam 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1976 en/of

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 3] t.n.v. [naam 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2007 en/of

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 4] t.n.v. [naam 4] , geboren op [geboortedatum 5] 2005 en/of

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 5] t.n.v. [naam 5] , geboren op [geboortedatum 6] 2009 en/of

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 6] t.n.v. [naam 6] , geboren op [geboortedatum 7] 2013 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 7] t.n.v. [naam 7] , geboren op [geboortedatum 8] 1990 en/of

- een Belgische nationale identiteitskaart met nummer [documentnummer 8] t.n.v. [naam 8] , geboren op [geboortedatum 9] 2014 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 9] t.n.v. [naam 9] , geboren op [geboortedatum 10] 1993 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 10] t.n.v. [naam 10] , geboren op [geboortedatum 11] 1989 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 11] t.n.v. [naam 11] , geboren op [geboortedatum 12] 1982

waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad

en/of

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 6 november 2015 en 7 november 2015 te `s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer valse en/of vervalste geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, te weten 6 (zes), althans een of meer Belgische documenten, te weten

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 1] t. n.v. [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1964 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 2] t.n.v. [naam 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1976 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 7] t.n.v. [naam 7] , geboren op [geboortedatum 8] 1990 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 9] t.n.v. [naam 9] , geboren op [geboortedatum 10] 1993 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 10] t.n.v. [naam 10] , geboren op [geboortedatum 11] 1989 en/of

- een Belgisch verblijfsdocument F met nummer [documentnummer 11] ,t.n.v. [naam 11] , geboren op [geboortedatum 12] 1982

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en,) dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die geschriften bestemd zijn/waren voor het gebruik als ware die geschriften echt en onvervalst.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

een reisdocument afleveren en voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is, meermalen gepleegd.

en

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en afleveren van een grote hoeveelheid Belgische reisdocumenten en verblijfsdocumenten, waarvan hij wist dat

deze vals waren.

Valse reis- en verblijfsdocumenten kunnen personen op een niet-legale manier toegang of

verblijf verschaffen tot landen die daardoor ernstig in hun vreemdelingenbeleid worden

gefrustreerd. Door aldus te handelen heeft de verdachte ook misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming als de onderhavige. Bovendien bevorderen dergelijke feiten het plegen van andere misdrijven.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte na onderhavige feiten onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Aangezien de verdachte ten tijde van de in deze zaak bewezen verklaarde feiten nog niet was veroordeeld, zal het hof in dit geval het strafblad van de verdachte niet in zijn nadeel mee laten wegen.

Er is voorts sprake van een groot tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde, dat niet alleen wordt verklaard door de lange duur van de procedure in eerste aanleg, maar ook voor een voornaam deel is toe te schrijven aan het feit dat de zaak in hoger beroep pas meer dan vijf jaar na het instellen van daarvan inhoudelijk is behandeld.

Gelet op het voorgaande is het hof – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat, hoewel gelet op de ernst van de feiten in beginsel passend, thans aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Dat zou immers betekenen dat de verdachte 8 jaar na zijn vrijlating in deze zaak opnieuw gedetineerd raakt. Hierbij is de verdachte noch de samenleving gebaat, waarbij het hof ook oog heeft gehad voor het relatief beperkte strafblad van de verdachte. Het hof heeft hierbij ook in beschouwing genomen de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals de zorg voor zijn zieke ex-partner en zijn gezin en het werk en inkomen van de verdachte, waardoor de verdachte in staat is zijn schulden af te lossen. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal aan de verdachte gelet op dit alles een taakstraf van aanzienlijke duur worden opgelegd en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf. Laatstgenoemde straf dient er mede toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een (soortgelijk) strafbaar feit te plegen, maar dient er ook toe de ernst van de feiten tot uitdrukking te laten komen.

Redelijke termijn

Het hof heeft geconstateerd dat eerdergenoemd tijdsverloop heeft geleid tot een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 lid 1, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het hof overweegt in dat verband dat bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake strafvervolging zou worden ingesteld. In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 30 oktober 2018, de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte.

In eerste aanleg zijn meer dan twee jaren verstreken tussen het aanvangen van de te beoordelen termijn en het eindvonnis, dat is gewezen op 18 december 2020. De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden met bijna twee maanden. In de appelfase zijn meer dan vijf jaren verstreken tussen het namens de verdachte instellen van het hoger beroep, te weten op 22 december 2020, en het eindarrest van 9 september 2026. De totale overschrijding van de redelijke termijn bedraagt daarmee in twee instanties bijna vier jaar. Aangezien de eerste zitting in hoger beroep pas na meer dan twee jaar na het instellen van het hoger beroep plaatsvond en gelet op het tijdsverloop tussen de verwijzing naar de raadsheer-commissaris in november 2023 en het horen van de getuige in december 2025, is het hof – ondanks de gedane aanhoudingsverzoeken en anders dan de advocaat-generaal –van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het tijdsverloop in appel mede aan de verdediging kan worden toegerekend.

Het hof heeft bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening gehouden met deze overschrijding(en) van de redelijke termijn, door aan de verdachte in plaats van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uur, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, een taakstraf voor de duur van 200 uren, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden voorwaardelijk, op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 225 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Hendriks, als voorzitter, en mr. E.C. van Veen en mr. B.P. de Boer, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Karsters.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand