Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 december 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-169922-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken’ veroordeeld tot een geldboete van € 53.000,00 subsidiair 360 dagen hechtenis. Daarnaast is aan de verdachte opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Ten slotte heeft de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelast van het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 6,50.
Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met verbetering van de gronden (bewijsmiddelen) door uit bewijsmiddel 10 van de kasopstelling weg te laten de passage inhoudende dat sprake zou zijn van een onverklaarbaar vermogen/wederrechtelijk verkregen voordeel van € 65.245,81.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten slotte is een standpunt ingenomen omtrent het onder de verdachte in beslag genomen voorwerp.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met uitzondering van de opgelegde straf omdat de door de rechtbank bepaalde duur van de vervangende hechtenis bij de opgelegde geldboete niet in overeenstemming is met de binnen het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht vastgestelde afspraken, en zal daarom in zoverre opnieuw rechtdoen.
Het hof merkt op dat onder deze vernietiging van de opgelegde straf niet mede wordt begrepen een vernietiging van de beslissing omtrent het onder de verdachte in beslag genomen voorwerp.
Voorts zal het hof:
Hetgeen in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht in het kader van de bepleite vrijspraak, betreft niet meer dan een herhaling van verweren waarop, naar het oordeel van het hof, de rechtbank juist en voldoende gemotiveerd heeft beslist. Die verweren behoeven dan ook geen bespreking en vinden hun weerlegging in de overwegingen van de rechtbank.
Op te leggen straf
De verdediging heeft bepleit dat het hof zal volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat de verdachte door de slechte medische gesteldheid van haar partner hoofdkostwinner is en een blanco justitiële documentatie heeft.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof neemt de gronden (strafoverwegingen) over van de rechtbank uit het vernietigde vonnis, dat aan dit arrest zal worden gehecht, en acht – evenals de rechtbank – oplegging van een geldboete van € 53.000,00 en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof voorts rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Met oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Redelijke termijn
Ten slotte heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden.
De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 29 oktober 2023 met de betekening van de inleidende dagvaarding aan de verdachte in persoon, en geëindigd op 22 december 2023 met het wijzen van het vonnis van de rechtbank. De verdachte is immers niet in verzekering gesteld en naar het oordeel van het hof heeft ook verdachtes verhoor niet te gelden als ‘handeling van de Nederlandse Staat jegens de verdachte waaraan zij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld’. Daarom is in eerste aanleg geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van 24 maanden.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 3 januari 2024 met het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank, en eindigt heden, 29 januari 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee overschreden met bijna 1 maand. Omdat het hof zonder overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, een hogere straf passend en geboden had geacht, mede omdat de opgelegde straf significant lager ligt dan de LOVS-oriëntatiepunten, acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf, gelet op voormelde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, passend en geboden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 53.000,00 (drieënvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 235 (tweehonderdvijfendertig) dagen hechtenis;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J.C. Gillesse, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 29 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.