ECLI:NL:PHR:2026:94

ECLI:NL:PHR:2026:94

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 16-01-2026
Zaaknummer 23/04821
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:515

Samenvatting

Conclusie AG. Eenvoudige belediging ambtenaar in functie. Falend middel over bestanddeel "gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening". Ambtshalve opmerking over overschrijding redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot verwerping beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04821

Zitting 20 januari 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 1 december 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-004314-22), wegens "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van “gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het hof die bewezenverklaring ontoereikend dan wel niet begrijpelijk heeft gemotiveerd.

In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat jegens de verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond en evenmin dat sprake was van een staandehouding. Gelet hierop bestond er op grond van art. 55b Sv geen bevoegdheid om de verdachte te fouilleren ter vaststelling van zijn identiteit. De steller van het middel merkt op dat art. 2 Wet op de identificatieplicht ook geen fouilleringsbevoegdheid in het leven roept. Verder zou uit de bewijsvoering niet volgen dat de verdachte weigerde zijn identiteit kenbaar te maken, maar alleen dat hij niet zijn volledige naam noemde en aanzienlijk onder invloed van alcohol verkeerde.

3. De bewezenverklaring en de bewijsvoering

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 25 juni te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent politie Oost-Nederland), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen “kankermongool”.”

Het hof heeft het volgende bewijsmiddel gebezigd:

“Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding verdachte, genummerd PL0600-2022286101-2, gesloten en ondertekend op 25 juni 2022 door [verbalisant 1] , hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland. en [verbalisant 2] , inspecteur bij de Eenheid Oost-Nederland voor zover inhoudende, op pagina 4 en 5 zakelijk weergeven:

Op zaterdag 25 juni 2022 waren wij verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , in dienst voor de incident afhandeling binnen de gemeente [plaats] . Wij waren in uniform gekleed, reden in een als zodanig herkenbaar dienstvoertuig en waren bij het operationeel centrum (OC) te [plaats] gestuurd naar [a-straat] in [plaats] in verband met een agressieve dronken man welke aanstalten maakte om op een scooter te stappen. Tevens was hij zojuist met zijn scooter omgevallen. Ter plaatse zag ik, [verbalisant 1] , een man met een korte broek en een donker shirt zwalken over [a-straat] . Ik zag dat omstanders naar de man wezen. Later bleek dit te zijn: [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] en hierna te noemen verdachte. Ik, [verbalisant 1] , ben met verdachte in gesprek gegaan. Ik zag dat hij onvast ter been was, bloeddoorlopen ogen had. Ik hoorde dat hij met dubbele tong sprak en rook dat hij riekte naar het inwendig gebruik van alcohol. Ik vroeg de man naar zijn naam. Ik hoorde dat hij zei dat hij Pietje Piepelepop heette of iets wat daarop leek. Hierop vroeg ik verdachte of hij mij een geldig legitimatiebewijs kon geven. Ik hoorde dat hij zei dat hij deze niet bij zich had. Hierop heb ik nog drie keer geprobeerd om de naam van verdachte te achterhalen zodat ik deze kon opzoeken in ons systeem. Ik hoorde dat verdachte niet verder kwam dan dat hij [verdachte] heet. Hierop tegen hem gezegd dat ik hem ga fouilleren op grond van de wet ID. Ik voelde aan zijn jaszak en voelde een portemonnee. Deze heb ik eruit gehaald en zag dat hier een geldige identiteitskaart in zat. Hierop zag ik dat verdachte mij aankeek en hoorde dal hij zei: "Kankermongool!" Ik zag dat er diverse omstanders stonden te kijken naar wat er gebeurde. Hierdoor voelde ik mij in mijn goede naam en eer aangetast.”

Met betrekking tot het bewijs heeft het hof overwogen:

“Het hof is anders dan de raadsman van oordeel dat [verbalisant 1] handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt immers dat verdachte, die door de verbalisanten was staande gehouden, weigerde zijn identiteit kenbaar te maken. De verbalisanten hadden daarom op basis van artikel 55b van het Wetboek van Strafrecht de bevoegdheid verdachte aan zijn kleding te onderzoeken ter vaststelling van zijn identiteit. Het hof ziet geen reden om aan de bevindingen van de verbalisanten te twijfelen.”

4. Het juridisch kader

In de onderhavige zaak zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- Art. 27 lid 1 Sv luidt:

“1. Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit.

2.”

- Art. 27a Sv luidt:

“1. De verdachte wordt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats. Het vaststellen van zijn identiteit omvat tevens een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. (…).”

- Art. 52 Sv luidt:

“Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en hem daartoe staande te houden.

- Art. 55b lid 1 Sv luidt:

“1. De bij of krachtens artikel 141 aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.”

5. De bespreking van het middel

Uit de bewijsvoering van het hof komt het volgende naar voren. De opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zijn op zaterdag 25 juni 2022 op een melding afgekomen over een agressieve dronken man die net van een scooter was gevallen en aanstalten maakte om weer op die scooter te stappen. Ter plaatse troffen zij de verdachte, die over een plein zwalkte, onvast ter been was, bloeddoorlopen ogen had, met dubbele tong sprak en rook naar alcoholgebruik. Uit de omstandigheid dat [verbalisant 1] de verdachte, ten aanzien waarvan op dat moment duidelijke aanwijzingen waren dat hij in kennelijke staat van dronkenschap verkeerde (art. 453 Sr), naar zijn naam vroeg heeft het hof kennelijk afgeleid dat de verdachte op dat moment was staande gehouden en dat de verbalisant met het vragen naar zijn naam en een legitimatiebewijs probeerde zijn identiteit vast te stellen overeenkomstig art. 52 Sv. Nadat de verdachte in eerste instantie zei dat hij Pietje Piepelepop heette, desgevraagd mededeelde dat hij geen identiteitsbewijs bij zich had en de verbalisant nog driemaal tevergeefs heeft geprobeerd om de naam van de verdachte te achterhalen, is de verdachte aan zijn kleding onderzocht. Daarbij is in zijn jaszak een portemonnee met identiteitskaart aangetroffen. Het hof kon op basis van deze feiten en omstandigheden oordelen dat de opsporingsambtenaar bevoegd was tot deze identiteitsfouillering overeenkomstig art. 55b Sv en dat daarmee sprake was van een rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en daarnaast toereikend gemotiveerd. Dat de verdachte niet expliciet heeft geweigerd medewerking te verlenen en aanzienlijk onder invloed verkeerde, doet aan het voorgaande niet af.

6. Slotsom

Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie op 8 december 2025 is overschreden. Gelet op de hoogte van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf kan worden volstaan met de constatering dat die redelijke termijn is overschreden. Voor het overige heb ik geen ambtshalve gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand