RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
1. de stichting Stichting PME Pensioenfonds
2. de stichting Stichting Achmea Dutch Residental Fund
[gedaagde]
Verloop van de procedure
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12324984 CV EXPL 26-9558
vonnis van: 25 augustus 2026
fno.: 506
I n z a k e
gevestigd te Den Haag
gevestigd te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: mr. E.A.J.M. van de Wijngaard
t e g e n
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.
Gronden van de beslissing
Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
1. Eisende partij vordert in deze zaak onder andere ontbinding van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Voor toewijzing van een dergelijke vordering moet er zijn voldaan aan het bepaalde in artikel 2 van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
2. Ten aanzien van de vraag of is voldaan aan het bepaalde in artikel 2 van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening overweegt de kantonrechter het volgende. De overgelegde aanmelding bij de gemeente dateert van 24 maart 2025, terwijl de onderhavige dagvaarding is uitgebracht op 16 juli 2026. Dat is meer als 15 maanden later dan de aanmelding. Een nadere toelichting van eisende partij waarom niet eerder tot dagvaarden is overgaan dan wel waarom zij niet later een nieuwe melding bij de gemeente heeft gedaan ontbreekt. Gelet op het voorgaande wordt eisende partij eenmaal in de gelegenheid gesteld om bij akte de nadere toelichting alsnog te geven, danwel een nieuwe aanmelding bij de gemeente te doen en een afschrift daarvan in het geding te brengen.
3. Tevens stelt de kantonrechter vast dat eisende partij in de dagvaarding geen standpunt heeft ingenomen omtrent de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn c.q. kunnen worden gelegd. Daartoe zal zij, bij wijze van uitzondering, nog eenmaal in de gelegenheid voor worden gesteld.
4. De zaak wordt hiervoor verwezen naar de rol over vier weken.
5. Eisende partij dient een kopie van haar akte, inclusief dit vonnis, ten minste twee weken vóór de hierna te bepalen rolzitting aan de gedaagde partij toe te sturen. Daarbij dient eisende partij aan gedaagde partij mee te delen dat gedaagde partij op die akte mag reageren of daarvoor uitstel mag vragen, en op welke wijze dat kan: mondeling door verschijning op de rolzitting of schriftelijk, in welk geval dit stuk uiterlijk op de laatste werkdag voorafgaand aan de rolzitting door de rechtbank moet zijn ontvangen. Eisende partij dient in dat kader niet alleen de akte, maar ook de hiervoor bedoelde mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze akte in beginsel buiten beschouwing gelaten.
Beslissing
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 22 september 2026 om 10:00 uur voor het nemen van een akte door eisende partij als hierboven omschreven;
bepaalt dat eisende partij de akte tenminste twee weken vóór deze rolzitting aan gedaagde partij moet sturen, zoals hiervoor is bepaald;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kraak, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.