RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/784850 / HA ZA 26-251
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
beiden wonend te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] te noemen en samen [eisers] ,
advocaat: mr. F. Wijnveld,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
beiden wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te noemen en samen [gedaagden] ,
advocaat: mr. M.C. Molenaar.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de (gelijkluidende) dagvaardingen van 9 maart 2026, met producties,
- de conclusie van antwoord van 29 april 2026,
- het tussenvonnis van 1 juli 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 juli 2026 en de daarin genoemde stukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen zijn buren.
[eisers] zijn sinds september 2023 eigenaar van de woning aan de [adres 1] . De woning heeft een begane grond en een eerste verdieping met een plat dak. Zij hebben de woning na aankoop laten renoveren. In dat kader hebben zij in januari 2024 het dak laten isoleren en nieuwe bitumen dakbedekking laten aanbrengen.
[gedaagden] zijn sinds september 2022 eigenaar van de naastgelegen woning aan de [adres 2] . De vorige eigenaar heeft in 2017 een houten opbouw gerealiseerd op (het platte dak van) de eerste verdieping van de woning aan de [adres 2] .
De opbouw op de woning van [gedaagden] overschrijdt de erfgrens tussen de woningen van partijen. Aan de straatzijde is de overschrijding van de erfgrens (hierna: de overbouw) 18 centimeter en aan de achterzijde is de overbouw 15 centimeter.
In juni 2024 hebben [eiser 1] en [gedaagde 1] samen het dak van [eisers] en de opbouw op de woning van [gedaagden] bekeken.
Op 18 augustus 2024 heeft [eiser 1] via WhatsApp aan de broer van [gedaagde 1] , die ook in de woning aan de [adres 2] woont, het volgende bericht gestuurd:
“Hi buurman, mijn dakdekker heeft je de offerte opnieuw gemaild. Kan je op zijn email reageren aub. (…)”
Op 22 augustus 2024 heeft [eiser 1] via WhatsApp aan de broer van [gedaagde 1] geschreven:
“Wij hebben elkaar net telefonisch gesproken en jij hebt aangegeven dat je de offerte gaat doornemen en per email gaat reageren op de offerte door een mail.te sturen naar de dakdekker (…).”
Op 25 augustus 2024 heeft [eiser 1] via WhatsApp aan de broer van [gedaagde 1] geschreven:
“(…) ik heb je net de volgende e-mail gestuurd.
Beste buurman,
In aanvulling op ons telefoongesprek van afgelopen donderdag jl. mail ik jou het volgende.
Wij hebben -ondanks meerdere reparatieverzoeken van mij bij jou – sinds medio april 2024 contact over de waterlekkage problemen die wij ervaren in ons slaapkamer als gevolg van een lekkend dak (lekkage na regen). Wij hebben ons dak begin januari 2024 volledig laten renoveren (…). Onze dakdekker heeft het dak verschillende malen, met inschakeling van een andere expert, onderzocht.
Uit dit onderzoek blijkt:
dat er reeds waterlekkage (bij ons) was in het verleden. De vorige bewoonster heeft last gehad van waterlekkage waar zij jullie ook op gewezen heeft. Dit is bekend bij jullie (bevestigd door jou en jouw broer);
(…)
dat er nog steeds plekken zijn op jouw dak, met name in en rondom de dakafvoer en de dakranden (geheel linkerzijde), die op dit moment bij regenbui nog steeds regenwater doorlaten;
dat een noodreparatie van enkele plekken op jouw dak door de onze dakdekker al geleid heeft tot evident minder waterlekkage bij ons;
dat jouw dak over de kadastrale erfgrens heen is gebouwd.
Om ervoor te zorgen dat er op korte termijn een oplossing komt (…) stel ik de volgende oplossingen voor.
Jij geeft uiterlijk 31 augustus 2024 akkoord op de offerte (…) die (…) naar jou is gemaild. (…)
Jij repareert jouw dak uiterlijk 8 september 2024 via een andere dakdekker. Indien jij gebruik maakt van deze optie, dan ontvang ik graag de reparatiegegevens (…)”
Op 9 september 2024 heeft [eiser 1] per WhatsApp aan de broer van [gedaagde 1] laten weten dat hij geen reactie op zijn e-mail van 25 augustus 2024 heeft ontvangen. Ook heeft [eiser 1] daarbij aangekondigd dat op korte termijn een expert een onderzoek zal verrichten en dat het kadaster een erfgrensreconstructie zal maken.
In opdracht van [eisers] heeft een medewerker van het Kadaster op 3 juli 2025 een erfgrensreconstructie uitgevoerd van de percelen 9307 en 9308. Dit zijn de percelen van respectievelijk [gedaagden] en [eisers]
In opdracht van [eisers] heeft A. Korbijn van BIJNA.nl Bouwtechnische keuring, op 16 april 2025 een bouwkundige inspectie uitgevoerd. In het daarover opgemaakte rapport van 17 juli 2025 (hierna: het rapport van Korbijn) staat als conclusie onder meer dat de aansluitingen van de dakopbouw van [adres 2] te wensen overlaten en dat hierdoor lekkage ontstaat bij [adres 1] . Die conclusie is gebaseerd op onder meer de volgende in het rapport opgenomen bevindingen:
Als bijlage bij het rapport van Korbijn is een raming gevoegd, waarin een omschrijving is gegeven van herstelwerkzaamheden en de geraamde kosten daarvan. Die kostenraming komt uit op een totaalbedrag van € 7.716,85.
In opdracht van [eisers] heeft ing. K. Timmer van De 7 Provinciën B.V. het rapport van Korbijn geanalyseerd. De bevindingen van Timmer zijn neergelegd in een rapport van 14 juli 2026 (hierna: het rapport van Timmer), waarin voor zover van belang het volgende staat:
“(…) Uit de (foto)rapportage van [het rapport van Korbijn] blijkt duidelijk dat er sinds jaren sprake is van een hardnekkige lekkage met alle gevolgen van dien door o.a.:
• Structurele bouwfouten: Er zijn significante bouwfouten geconstateerd in de aansluitingen van de wanden van de dakopbouw op het dak. Dergelijke aansluitingen dienen d.m.v. een deugdelijke waterkerende lood of zink constructie in combinatie met de dakbedekking te worden uitgevoerd. Het toepassen van pasta’s ed. kan slechts als een tijdelijke oplossing dienen, want pasta’s drogen uit en geven op den duur haarscheuren waardoor lekkages gaan ontstaan.
Aansluitingen van wanden of schuine daken bij schoorstenen moeten worden uitgevoerd door zgn. loodloketten (…) in de voegen van de schoorstenen in te brengen, zodat een goede waterkerende afsluiting gerealiseerd wordt. Op de foto’s blijkt dat hiervan geen sprake is.
(…)
• Onderhoud dak: de dakopbouw van [adres 2] is gedeeltelijk over de gemeenschappelijke erfgrens gebouwd. Hierdoor kan normaal onderhoud van de dakbedekking en hemelwaterafvoeren van de [adres 1] maar ten dele worden uitgevoerd.
(…)”
3. Het geschil
Na wijziging van eis vorderen [eisers] , samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
PRIMAIR
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen dertig dagen na betekening van het vonnis het deel van de houten opbouw dat rust op en is gebouwd over het eigendom van [eisers] volledig te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 100.000,-;
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om hun volledige medewerking te verlenen aan
noodzakelijke onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan het dak van de woning van eisers, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 50.000,-;
III. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [eisers] geleden schade van € 1.962,99 te vermeerderen met wettelijke rente;
IV. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de nog aan het dak van de woning van [eisers] uit te voeren onderhouds- en herstelwerkzaamheden, begroot op € 7.716,85;
SUBSIDIAIR
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om te gedogen dat [eisers] het deel van de houten opbouw dat rust op en is gebouwd over het eigendom van [eisers] op kosten van [gedaagden] , laten verwijderen ten behoeve van de noodzakelijke onderhouds- en herstelwerkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 100.000,-;
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om hun volledige medewerking te verlenen aan
noodzakelijke onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan het dak van de woning van [eisers] , op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 50.000,-;
III. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [eisers] geleden schade van € 1.962,99 te vermeerderen met wettelijke rente;
IV. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de nog aan het dak van de woning van [eisers] uit te voeren onderhouds- en herstelwerkzaamheden, begroot op € 7.716,85;
MEER SUBSIDIAIR
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eisers] van een schadeloosstelling van € 50.000,-;
PRIMAIR, SUBSIDIAR EN MEER SUBSIDIAIR
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over alle toegewezen bedragen vanaf het moment van ontstaan van de schade, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van volledige voldoening;
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten en in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten.
Aan hun vorderingen leggen [eisers] ten grondslag dat de overbouw inbreuk maakt op hun eigendomsrecht, dat de aanwezigheid van de overbouw verhindert dat [eisers] onderhoud aan een deel van hun dak kunnen verrichten en dat gebreken aan de dakopbouw vocht en lekkages veroorzaken in de woning van [eisers]
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. [gedaagden] brengen onder meer naar voren dat de dakopbouw door hun rechtsvoorganger is geplaatst met toestemming van de rechtsvoorganger van [eisers] , dat [gedaagden] onevenredig zwaar worden benadeeld als zij de overbouw zouden moeten verwijderen en dat de dakopbouw niet de oorzaak is van de lekkages bij [eisers]
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[gedaagden] maken inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers]
De uitkomst van het kadastraal erfgrensonderzoek staat tussen partijen niet ter discussie. Daarmee staat vast dat de opbouw op het dak van de woning van [gedaagden] de erfgrens met het perceel en de woning van [eisers] overschrijdt. Dat betekent dat deze overschrijding (de overbouw) een inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [eisers] De omstandigheid dat de opbouw niet door [gedaagden] is geplaatst, maar door een vorige eigenaar, is hierbij niet van belang. [gedaagden] zijn in hun hoedanigheid van huidige eigenaren verantwoordelijk voor het voortduren van de inbreuk op het eigendom van [eisers] en kunnen worden aangesproken om die inbreuk te beëindigen.
Geen toestemming
Of de rechtsvoorganger van [eisers] toestemming heeft gegeven voor de opbouw aan de rechtsvoorganger van [gedaagden] kan in het midden blijven. Ten eerste is niet concreet gesteld dat die toestemming ook betrekking had op specifiek de overschrijding van de erfgrens (de overbouw). Ten tweede, ook als een dergelijke toestemming door de rechtsvoorganger van [eisers] zou zijn gegeven, zijn [eisers] daar niet zomaar aan gebonden. Daarvoor is dan nodig dat [eisers] de verplichting om de aanwezigheid van de overbouw te dulden, uitdrukkelijk hebben overgenomen van hun rechtsvoorganger. Dat dat is gebeurd, is niet gesteld of gebleken. Het beroep van [gedaagden] op een door de rechtsvoorganger van [eisers] gegeven toestemming slaagt daarom niet.
Uitgangspunt: het recht om verwijdering te vorderen
[eisers] hoeven als eigenaar van hun perceel en woning de aanwezigheid van de overbouw niet te dulden. Dat volgt uit de artikelen 5:1 en 5:21 Burgerlijk Wetboek (BW). [eisers] hebben in beginsel het recht om verwijdering van de overbouw te vorderen. Dat is, voor zover hier van belang, alleen anders als [gedaagden] een geslaagd beroep kunnen doen op artikel 5:54 BW (legalisering van een onrechtmatige toestand) of artikel 3:13 BW (misbruik van bevoegdheid). De stelplicht en bewijslast voor dat beroep en de daarvoor relevante feiten en omstandigheden rust op [gedaagden]
Hoewel [gedaagden] een beroep hebben gedaan op artikel 5:54 BW is voor een dergelijk beroep vereist dat ook een daartoe strekkende vordering wordt ingesteld. Dat hebben [gedaagden] niet gedaan. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling op basis van artikel 5:54 BW.
De rechtbank begrijpt hetgeen [gedaagden] hebben aangevoerd als een beroep op artikel 3:13 BW. Misbruik van bevoegdheid doet zich onder meer voor in het geval [eisers] naar redelijkheid niet tot het uitoefenen van hun vordering tot verwijdering kunnen komen. Daarvoor moet sprake zijn van een onevenredigheid tussen het belang van [eisers] bij de uitoefening van hun bevoegdheid om verwijdering te vorderen en het belang van [gedaagden] dat door de verwijdering wordt geschaad. Deze in het kader van artikel 3:13 BW te maken belangenafweging vertoont veel gelijkenis met de in het kader van artikel 5:54 BW te maken belangenafweging, zodat het in zoverre materieel weinig verschil maakt dat een (afzonderlijke) toetsing aan artikel 5:54 BW achterwege blijft.
Geen misbruik van bevoegdheid
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] in dit geval verwijdering van de overbouw mogen vorderen. [gedaagden] hebben onvoldoende onderbouwd dat [eisers] misbruik van bevoegdheid maken. Van een situatie, waarbij een zodanige onevenredigheid tussen de over en weer betrokken belangen bestaat dat [eisers] naar redelijkheid hun bevoegdheid om verwijdering te vorderen niet zouden mogen uitoefenen, is geen sprake. De rechtbank licht dat oordeel hierna toe.
[eisers] hebben een legitiem belang bij verwijdering van de overbouw. Die overbouw maakt niet alleen inbreuk op hun eigendomsrecht maar de aanwezigheid van de overbouw verhindert ook dat [eisers] onderhoud aan dat deel van hun dak dat zich onder de overbouw bevindt, kunnen verrichten. Ook als dat oude bitumen niet nu al (mede) de oorzaak vormt van de vocht- en lekkageproblemen in de woning van [eisers] , geldt dat dergelijk onderhoud noodzakelijk is om problemen in de toekomst te voorkomen.
Het belang van [gedaagden] bij handhaving van de overbouw weegt niet (aanzienlijk) zwaarder.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] aangevoerd dat het om een relatief geringe overschrijding van de erfgrens gaat (van 15 tot 18 cm) en dat daarmee de totale oppervlakte van de overbouw, gemeten over de lengte van het pand, slechts ongeveer 1,5 m² bedraagt. Die relatief geringe overschrijding neemt echter niet weg dat [eisers] worden belemmerd in het uitvoeren van (in elk geval op termijn) noodzakelijk onderhoud aan een deel van hun dak.
Verder hebben [gedaagden] onvoldoende onderbouwd dat verwijdering van de overbouw ingrijpend is. De door [gedaagden] tijdens de mondelinge behandeling genoemde geschatte kosten voor aanpassing (€ 10.000,- tot € 15.000,-) zijn niet onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] toegelicht dat bij de bouw van de opbouw (die van hout is) er rekening mee is gehouden dat op het dak van [adres 1] in de toekomst mogelijk ook een opbouw zou worden gerealiseerd, dat de rabatdelen die de zijkant van de opbouw vormen, eenvoudig zijn te verwijderen en dat zich daarachter een dikke laag isolatie bevindt. Gelet hierop kan ervan uit worden gegaan dat aanpassing van de opbouw en het terugbrengen daarvan binnen de erfgrens van het eigen perceel/dak van [gedaagden] relatief eenvoudig te realiseren is.
In het nadeel van [gedaagden] weegt ten slotte nog mee dat zij de door [eisers] in 2024 aangekaarte vocht- en lekkageproblemen en de erfgrensoverschrijding destijds niet serieus hebben genomen, een gesprek daarover uit de weg zijn gegaan en niet hebben gereageerd op redelijke verzoeken van [eisers] (zie 2.6-2.8). [gedaagde 1] heeft hierover op de mondelinge behandeling gezegd dat zijn broer de berichten van [eiser 1] dwingend en bedreigend vond en daarom tot het blokkeren van het telefoonnummer en e-mailadres van [eiser 1] is overgegaan. De rechtbank ziet in de overgelegde berichten (zie 2.6-2.8) geen dwingende of bedreigende toon. Dat destijds in het geheel niet is gereageerd en elke communicatie uit de weg is gegaan, komt voor rekening van [gedaagden]
Nu uit het voorgaande al volgt dat geen sprake is van een duidelijke onevenredigheid in de over en weer in aanmerking te nemen belangen, kan in dit kader in het midden blijven of de opbouw van [gedaagden] de oorzaak is van de bij [eisers] geconstateerde vochtproblemen.
De vordering tot verwijdering (vordering I)
Nu het door [gedaagden] gedane beroep op misbruik van bevoegdheid niet slaagt, is de primair onder I door [eisers] gevorderde verwijdering van de overbouw toewijsbaar. Tegen de termijn waarbinnen de overbouw moet worden verwijderd (dertig dagen na betekening van het vonnis) en de mede gevorderde dwangsom is geen verweer gevoerd. Die onderdelen zullen dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de rechtbank de dwangsom ambtshalve zal maximeren zoals weergegeven in de beslissing.
Medewerking aan onderhouds- en herstelwerkzaamheden (vordering II)
[eisers] vorderen ook dat [gedaagden] hun volledige medewerking verlenen aan noodzakelijke onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan het dak van de woning van [eisers] Uit de tijdens de mondelinge behandeling door [eisers] gegeven toelichting blijkt dat op dit moment geen onderhouds- of herstelkwesties van hun dak aan de orde zijn waarbij voor de uitvoering daarvan de medewerking van [gedaagden] nodig is. [eisers] vorderen dit, zo is toegelicht, indien een dergelijke situatie zich in de toekomst mocht voordoen.
Nu geen sprake is van een actuele situatie waarvoor deze vordering dienstig is, terwijl indien van toepassing een eventuele verplichting tot medewerking bovendien volgt uit de wet, bestaat op dit moment onvoldoende belang bij deze vordering. Vordering II (zowel primair als subsidiair) wordt daarom afgewezen.
Onderhouds- en herstelkosten van € 7.716,82 (vordering IV)
[eisers] vorderen vergoeding van onderhoudskosten en herstelkosten. Zij hebben toegelicht dat die onderhoudskosten bestaan uit onder meer de (extra) kosten die moeten worden gemaakt om alsnog nieuwe dakbedekking aan te brengen onder de overbouw, omdat dat in het kader van de werkzaamheden in januari 2024 nog niet kon. De herstelkosten hebben betrekking op herstel van vochtschade in de woning van [eisers] Volgens [eisers] zijn de na januari 2024 geconstateerde vochtproblemen het gevolg van i) de gebrekkige staat van de opbouw en ii) de gebrekkige aansluitingen van de wanden van de opbouw op het dak van [eisers]
[gedaagden] betwisten dat zij verantwoordelijk zijn voor de vochtschade. Zij bestrijden dat de opbouw gebreken vertoont. Voor de aansluitingen van de wanden van de opbouw op de nieuwe dakbedekking zijn [eisers] zelf verantwoordelijk, aldus [gedaagden]
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] voldoende hebben onderbouwd dat zij extra kosten moeten maken om het resterende deel van de dakbedekking te vernieuwen. De aanwezigheid van de overbouw heeft verhinderd dat [eisers] de strook dakbedekking onder de overbouw in januari 2024 hebben kunnen vernieuwen. Nu dat alsnog afzonderlijk moet gebeuren, is aannemelijk dat daar extra kosten aan zijn verbonden. Hoe hoog die extra kosten zijn, is niet helemaal duidelijk. De kostenraming van Korbijn, waarnaar [eisers] verwijzen, lijkt de kosten voor de resterende vervanging van de dakbedekking te begroten zonder dat een vergelijking is gemaakt tussen wat het zou hebben gekost als het in januari 2024 had kunnen worden meegenomen en wat de extra kosten zijn nu het afzonderlijk moet plaatsvinden. De rechtbank begroot de extra kosten daarom schattenderwijs op € 1.000,-.
Als het gaat om de herstelkosten van de vochtschade zal eerst moeten worden beoordeeld wat de oorzaak is van die schade. Met het rapport van Korbijn en het rapport van Timmer is voldoende onderbouwd dat sommige onderdelen van de opbouw van [gedaagden] niet voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Het gaat dan om de aansluitingen van de wanden en het schuine dak van de opbouw bij de schoorsteen, die niet voorzien zijn van loodloketten. De waterkerende afsluiting op die plaatsen is daardoor gebrekkig en aannemelijk is dat dat mede de vochtschade in de woning van [eisers] heeft veroorzaakt.
Voor de gebrekkige aansluitingen van de wanden van de opbouw op het nieuwe dak van [eisers] zijn [eisers] daarentegen zelf verantwoordelijk, omdat hun aannemer die aansluitingen heeft aangebracht. Aannemelijk is dat die gebrekkige aansluitingen de vochtschade mede hebben veroorzaakt. Een deel van de herstelkosten voor de vochtschade blijft daarom voor rekening van [eisers] De rechtbank begroot de voor vergoeding in aanmerking komende herstelkosten schattenderwijs op € 1.000,-.
Vordering IV is dus toewijsbaar tot een bedrag van € 2.000,-. Aangezien [eisers] de betreffende werkzaamheden nog niet hebben laten uitvoeren, is de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.
Onderzoekskosten van € 1.962,99 (vordering III)
[gedaagden] moeten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW de door [eisers] gemaakte kadastrale kosten voor de erfgrensreconstructie vergoeden, omdat dit redelijke kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid in verband met de inbreuk op het eigendomsrecht. De kosten van het onderzoek door Korbijn, met inbegrip van de kosten voor het opmaken van de kostenraming, komen ook voor vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking, omdat dit redelijke kosten zijn en deze zijn gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De over deze bedragen gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag van de dagvaarding.
Schadeloosstelling van € 50.000,- (meer subsidiaire vordering)
De meer subsidiaire vordering is blijkens de toelichting tijdens de mondelinge behandeling door [eisers] uitsluitend ingesteld voor het geval zowel de primaire vordering onder I als de subsidiaire vordering onder I wordt afgewezen. Die situatie doet zich niet voor, omdat de primaire vordering I wordt toegewezen. Daarmee behoeft de meer subsidiaire vordering geen bespreking.
Buitengerechtelijke kosten
[eisers] vorderen – overigens zonder een concreet bedrag te noemen – een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Deze vordering moet worden afgewezen, omdat [eisers] niet hebben gesteld dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht.
Proceskosten
[gedaagden] zijn hoofdzakelijk in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van dagvaardingsexploot
€
303,88
- griffierecht
€
1.414,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,-)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.212,88
Hoofdelijkheid en uitvoerbaarheid bij voorraad
Tegen de gevorderde hoofdelijke veroordeling is geen verweer gevoerd, zodat dit als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar is. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn namelijk als gezamenlijke eigenaren van de woning aan de [adres 2] hoofdelijk aansprakelijk voor de verwijdering van de overbouw en de te betalen schade- en proceskostenvergoedingen. Al die veroordelingen zullen daarom hoofdelijk worden uitgesproken.
[eisers] willen dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat het vonnis ook moet worden uitgevoerd als hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist. [gedaagden] hebben hier geen verweer tegen gevoerd. De in dit vonnis uit te spreken veroordelingen zullen daarom uitvoer bij voorraad worden verklaard.
5. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis het deel van de houten opbouw dat rust op en is gebouwd over het eigendom van [eisers] volledig te (doen) verwijderen en verwijderd te houden,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.1 voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van € 1.962,99, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 9 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van € 2.000,- voor de kosten van nog uit te voeren onderhouds- en herstelwerkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.212,88, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.