RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/786588 / HA ZA 26-363
Vonnis in incident van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.
tevens handelend onder de naam [bedrijf],
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.D. de Wit,
tegen
1. M.O.V.E. CONSULTANTS B.V.,
gevestigd te Hattem,
hierna te noemen: Consultants,
niet verschenen,2. M.O.V.E. MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Hattem,
hierna te noemen: Management,
niet verschenen,3. NEWDEAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: Newdeal,
advocaat: mr. C.J. Berghout,
allen gedaagde partijen in de hoofdzaak,
Newdeal eisende partij in het incident.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de gelijkluidende dagvaardingen van 13 april 2026, met producties;
de conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van Newdeal;
de aan [eiser] verleende akte niet dienen voor conclusie van antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten, voor zover van belang in het incident
[eiser] is een accountants- en (belasting)adviesbureau.
Consultants, Management en Newdeal zijn aan elkaar gelieerd. Consultants houdt zich volgens de Kamer van Koophandel bezig met projectontwikkeling. De bestuurders van Consultants zijn Management en de heer [naam 1] (hierna: de heer [naam 1] ). Management is ook de bestuurder van Newdeal. Enig bestuurder van Management is mevrouw [naam 2] .
In 2011 heeft de heer [naam 1] [eiser] benaderd met het verzoek de jaarrekeningen van Consultants, Management en Newdeal op te stellen, de aangifte vennootschapsbelasting en BTW te verzorgen en eventuele daaruit voortvloeiende aanvullende werkzaamheden te verrichten.
[eiser] heeft tot mei 2015 werkzaamheden verrichten voor Consultants, Management en Newdeal. [eiser] heeft voor haar werkzaamheden steeds facturen verstuurd. Vanaf eind 2012 werden facturen van [eiser] niet meer betaald.
3. De vordering in de hoofdzaak
[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:
Management te veroordelen aan [eiser] te betalen de somma van € 28.394,60, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW daarover vanaf 1 februari 2026;
Consultants te veroordelen aan [eiser] te betalen de somma van € 37.512,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW daarover vanaf 1 februari 2026;
Newdeal te veroordelen aan [eiser] te betalen de somma van € 6.564,58, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW daarover vanaf 1 februari 2026;
Management, Consultants en Newdeal hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.
[eiser] baseert haar vorderingen op de overeenkomsten van opdracht die tussen haar en de gedaagden tot stand zijn gekomen. [eiser] heeft de overeengekomen werkzaamheden voor Consultants, Management en Newdeal verricht, maar zij hebben de facturen onbetaald gelaten. De heer [naam 1] heeft namens gedaagden om uitstel van betaling gevraagd, omdat er in het kader van een procedure tegen hem beslag was gelegd op de gelden/bezittingen van hem en de gedaagden. [eiser] heeft hiermee ingestemd en heeft sindsdien regelmatig bijgewerkte openstaande postenlijsten aan gedaagden toegezonden en verzocht om betaling, maar tot betaling is het niet gekomen.
4. Het geschil in incident
Newdeal vordert dat de rechtbank:
zich onbevoegd verklaart ten aanzien van de vordering jegens Newdeal;
de zaak, voor zover betrekking heeft op Newdeal, verwijst in de stand van het geding naar de bevoegde kantonrechter van de rechtbank Amsterdam;
[eiser] veroordeelt in de kosten van het incident.
Newdeal vordert verwijzing van haar zaak naar de kantonrechter op grond van artikel 93, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
5. De beoordeling
In geschil is de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam, sector civiel, in de zaak tussen [eiser] en Newdeal.
Volgens [eiser] is de rechtbank Amsterdam, sector civiel, bevoegd kennis te nemen van de vorderingen jegens alle gedaagden, omdat de vorderingen voortvloeien uit één en hetzelfde feitencomplex en berusten op een identieke rechtsgrond. Alle gedaagden hebben – ieder voor zich, maar in onderlinge samenhang – opdracht verstrekt aan [eiser] tot het verrichten van werkzaamheden, waaronder het opstellen van jaarstukken. In dat kader heeft [eiser] werkzaamheden verricht en heeft zij aan ieder van de gedaagden afzonderlijk facturen verzonden. Daarnaast bestaat tussen gedaagden een nauwe feitelijke en organisatorische verwevenheid. Gedaagden maken deel uit van een gelieerde groep vennootschappen, hebben (deels) dezelfde (indirecte) bestuurders. Gelet hierop is sprake van zodanige samenhang tussen de vorderingen dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen als bedoeld in artikel 107 Rv, aldus [eiser] .
Volgens Newdeal is de rechtbank Amsterdam, sector civiel, alleen bevoegd in de zaken tegen Consultants en Management, maar is in haar zaak de kantonrechter bevoegd. De gestelde vordering jegens haar bedraagt inclusief rente en incassokosten € 6.564,58 en valt daarmee binnen de competentiegrens van de kantonrechter.
De rechtbank oordeelt dat in de zaak van Newdeal de kantonrechter bevoegd is. Zij komt als volgt tot dit oordeel.
In de dagvaarding heeft [eiser] vorderingen ingesteld tegen de drie gedaagden. Daarmee is sprake van zogeheten subjectieve cumulatie van rechtsvorderingen. Voor elk van die drie vorderingen moet afzonderlijk worden beoordeeld of de sector civiel of de kantonrechter bevoegd is.
Op grond van artikel 93, aanhef en onder a Rv worden door de kantonrechter behandeld en beslist, voor zover hier van belang: zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000, de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente daarbij inbegrepen. De hoogte van de door [eiser] ingestelde vordering tegen Newdeal bedraagt minder dan de grens van € 25.000,-, zodat [eiser] op grond van dit artikel Newdeal voor de kantonrechter had moeten dagvaarden. Artikel 107 Rv waarop [eiser] zich beroept, gaat over relatieve competentie en biedt, zoals Newdeal terecht betoogt, geen grondslag om af te wijken van de regels van competentieverdeling tussen de kantonrechter en de civiele kamer van de rechtbank. De goede procesorde verzet zich in dit geval ook niet tegen het verwijzen van de zaak tegen Newdeal naar de kantonrechter. Niet gebleken is dat de feitelijke of juridische geschilpunten in de zaken identiek zijn of zodanige samenhang vertonen dat consistentie van uitspraken wenselijk is. Integendeel, er is sprake van zelfstandige vorderingen per rechtspersoon: er is afzonderlijk opdracht verstrekt en er is afzonderlijk gefactureerd.
De conclusie is dat, gelet op artikel 93, aanhef en onder a Rv, de kantonrechter bevoegd is om de zaak tussen [eiser] en Newdeal te behandelen en om daarover te beslissen. De rechtbank is op grond van artikel 71 lid 2 Rv gehouden de zaak van [eiser] en Newdeal te verwijzen naar de kantonrechter. Die verwijzing gebeurt op de in de beslissing vermelde wijze (artikel 71 lid 4 Rv).
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Newdeal betalen. De proceskosten worden begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 (1 punt x € 653,00)
- nakosten € 189,00
totaal € 842,00
De hoofdzaak tussen [eiser] enerzijds en Management en Consultants anderzijds
Gelet op de hoogte van de tegen Management en Consultants ingestelde vorderingen is de sector civiel (handelskamer) van deze rechtbank bevoegd om van die vorderingen kennis te nemen. Management en Consultants zijn niet in de procedure verschenen en tegen hen is verstek verleend. Om die reden worden deze zaken verwezen naar de rol voor vonnis.
6. De beslissing
In het incident
wijst de vordering toe;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van Newdeal begroot op € 842,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
In de hoofdzaak
In de zaak tussen [eiser] en Newdeal
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank op vrijdag 4 september 2026 om 10:00 uur, waarbij de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort;
In de zaak tussen [eiser] en Management en Consultants
verwijst de zaak naar de rol van 16 september 2026 voor vonnis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. M. Sahin, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.