ECLI:NL:RBAMS:2026:8966

ECLI:NL:RBAMS:2026:8966

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 12299217 \ KK EXPL 26-424
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Als gevolg van het concurrentiebeding mag werkneemster (nog) niet in dienst treden bij haar nieuwe werkgever. Ondernemingen zijn concurrenten van elkaar. De belangenafweging valt uit in het voordeel van de (oud-)werkgever. Omdat werkneemster al enige tijd geen toegang meer heeft tot bedrijfsgevoelige informatie en klantencontacten wordt de periode waarin het concurrentiebeding geleding heeft beperkt.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12299217 \ KK EXPL 26-424

Vonnis in kort geding van 21 augustus 2026

in de zaak van

AENERGIE B.V.,

gevestigd te Hilversum,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: Aenergie,

gemachtigde: mr. R. Winters,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [gedaagde],

2. ENERGIELIVE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: EnergieLive,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

gemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 juli 2026, met producties 1 t/m 15,

- de aanvullende producties 16 t/m 17 van Aenergie,

- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties,- de aanvullende producties 18 t/m 24 van Aenergie

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2026. Namens Aenergie is verschenen de heer [naam 1] ([functie 1]), bijgestaan door mr. R. Winters. [gedaagde] heeft via een videoverbinding deelgenomen. Namens EnergieLive is verschenen de heer [naam 2] ([functie 2]), bijgestaan door mr. J.N.A. Dijkman. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van pleitnota.

2. De feiten

Aenergie is een bedrijf dat collectief elektriciteit en gas inkoopt voor woningbouwcorporaties, zorginstellingen en VvE’s. Daarnaast biedt Aenergie haar klanten ook diensten aan zoals tussenlevering, een factuurservice en het plaatsen van slimme meters.

[gedaagde] is op 1 april 2017 bij Aenergie in dienst getreden in de functie van Sales- en Accountmanager. In haar arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is het volgende beding opgenomen (hierna: het concurrentiebeding):

7. Het is de medewerker verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever gedurende 1 jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst direct of indirect in dienst te treden bij of op enigerlei wijze werkzaamheden te verrichten voor een onderneming die gelijke of gelijksoortige diensten aanbiedt, of voor eigen rekening gelijke of gelijksoortige werkzaamheden te verrichten. Met gelijke of gelijksoortige diensten worden bedoeld het via een inkoopvereniging van woningbouwcorporaties en zorginstellingen inkopen van energie en daarnaast het leveren van factuurdienst aan deze organisaties.”

[gedaagde] heeft haar arbeidsovereenkomst met Aenergie op 23 april 2026 opgezegd per 1 september 2026. Ook heeft [gedaagde] aan Aenergie kenbaar gemaakt per 1 september 2026 bij EnergieLive in dienst te willen treden.

EnergieLive is een energieadviesbureau dat zich richt op alle branches in Nederland. EnergieLive werkt met enkele inkoopcollectieven, waarbij woningcorporaties, zorginstellingen en VvE’s ook onderdeel van de klantenportefeuille uitmaken, zij het slechts een klein percentage van de totale klantenportefeuille. Daarnaast is EnergieLive een fullservicebureau, wat betekent dat zij alle energievragen van haar klanten oppakt, waaronder verduurzaming en energiefacturatie.

3. Het geschil

in conventie

Aenergie vordert – samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

primair:

I. het [gedaagde] tot 1 september 2027 te verbieden in dienst te treden bij EnergieLive, onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00, te vermeerderen met € 1.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt,

II. het EnergieLive tot 1 september 2027 te verbieden [gedaagde] in dienst te nemen, onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00, te vermeerderen met € 1.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt,

subsidiair:

III. in goede justitie een zodanige voorziening te treffen als de kantonrechter in de omstandigheden geraden voorkomt,

primair en subsidiair:

IV. EnergieLive en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

[gedaagde] en EnergieLive voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Aenergie, met veroordeling van Aenergie in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

[gedaagde] en EnergieLive vorderen – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair: te verklaren dat het concurrentiebeding niet wordt geschonden door indiensttreding van [gedaagde] bij EnergieLive,

II. subsidiair: het concurrentiebeding te schorsen, althans te matigen, op grond van artikel 7:653 lid 3 sub b BW,

III. meer subsidiair: voor recht te verklaren, althans voorshands te oordelen, dat Aenergie op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten aan het concurrentiebeding kan ontlenen wegens ernstig verwijtbaar handelen van Aenergie als werkgever,

IV. nog meer subsidiair: te bepalen dat Aenergie op grond van artikel 7:653 lid 5 aan [gedaagde] een vergoeding verschuldigd is voor de duur van de beperking, nader op te maken dan wel te begroten naar billijkheid,

V. betaling van buitengerechtelijke kosten,

VI. betaling van de proceskosten in reconventie.

Aenergie voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] en EnergieLive.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

Het spoedeisend belang van partijen vloeit voort uit de aard van de vorderingen en is niet betwist.

In dit kort geding is de vraag aan de orde of voldoende aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure het concurrentiebeding in stand zal houden dan wel zal vernietigen. De kantonrechter zal daarom vooruitlopend op een bodemprocedure een oordeel moeten geven over de vraag of het concurrentiebeding geldend is en/of [gedaagde], indien zij onverkort wordt gehouden aan het concurrentiebeding, onredelijk benadeeld wordt in verhouding tot het te beschermen belang van Aenergie.

Tussen partijen is niet in geschil dat het concurrentiebeding schriftelijk is overeengekomen in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zodat is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653 lid 1 BW.

Zowel Aenergie als EnergieLive zijn ondernemingen die actief zijn op het gebied van de collectieve inkoop van energie voor onder meer woningbouwcorporaties, zorginstellingen en VvE’s. Weliswaar richt EnergieLive zich, anders dan Aenergie, op alle branches en vormen woningbouwcorporaties, zorginstellingen en VvE’s daarbinnen slechts een klein deel van haar klantenportefeuille, maar dit neemt niet weg dat beide ondernemingen op de relevante deelmarkt – de collectieve inkoop van energie ten behoeve van deze specifieke doelgroep – rechtstreeks met elkaar concurreren. De heer [naam 2] ([functie 2] EnergieLive) heeft in een e-mail van 27 mei 2026 aan de heer [naam 1] ([functie 1] Anergie) ook erkend concurrenten te zijn. Daarbij komt dat ook de overige door Aenergie aangeboden diensten, zoals de factuurservice, onderdeel uitmaken van het dienstenpakket van EnergieLive, die immers als fullservicebureau alle energievragen van haar cliënten oppakt, waaronder energiefacturatie.

Gelet op het voorgaande volgt de kantonrechter [gedaagde] en EnergieLive niet in hun betoog dat de feitelijke activiteiten van EnergieLive buiten de reikwijdte van het concurrentiebeding vallen. Uitgangspunt is dan ook dat Aenergie recht en belang heeft bij het handhaven van het concurrentiebeding, en dat het concurrentiebeding in beginsel aan indiensttreding door [gedaagde] bij EnergieLive in de weg staat. De kantonrechter moet daarom beoordelen of in verhouding tot het te beschermen belang van Aenergie als werkgever, [gedaagde] als werknemer, onbillijk wordt benadeeld en er dus op grond van de belangenafweging van artikel 7:653 lid 3 onder b BW reden is om tot (gedeeltelijke) schorsing van het concurrentiebeding over te gaan.

Aenergie heeft ter onderbouwing van haar belang aangevoerd dat [gedaagde] binnen haar onderneming een cruciale rol vervulde op het gebied van klant- en relatiebeheer en de in- en verkoop van energie, en dat zij daarom beschikt over gedetailleerde kennis van onder meer de in- en verkoopvoorwaarden, de prijsopbouw, de marges en de strategie van Aenergie. [gedaagde] heeft met de klanten van Aenergie persoonlijk de banden onderhouden en kent de contracteinddata, de commerciële afspraken en de besluitvormingsprocessen van vrijwel alle klanten. Aenergie heeft verder toegelicht dat haar te beschermen bedrijfsdebiet bestaat uit een combinatie van niet-openbare commerciële, strategische en operationele kennis, waaronder de unieke prijs- en contractvoorwaarden die zij voor energiecollectieven heeft ontwikkeld op basis van eigen marktanalyses, klantraadplegingen en onderhandelingen. Ook beschikt Aenergie over gespecialiseerde dienstverlening en klantprocessen die specifiek zijn ingericht voor woningbouwverenigingen en VvE’s. Volgens Aenergie is dit debiet extra kwetsbaar omdat zij opereert in een sterk afgebakende nichemarkt met een beperkt aantal potentiële afnemers, waarin nieuwe klanten moeilijk te verwerven zijn. Aenergie vreest dat [gedaagde] haar kennis en netwerk zal inzetten om klanten van Aenergie te bewegen over te stappen naar EnergieLive.

[gedaagde] en EnergieLive hebben daartegenover aangevoerd dat de functie die [gedaagde] bij EnergieLive gaat vervullen breder is dan haar functie bij Aenergie: bij Aenergie hield [gedaagde] zich bezig met het werven van nieuwe en het bedienen van bestaande klanten, terwijl zij zich bij EnergieLive zal richten op bestaande klanten en op het volledige energiemanagementpakket. [gedaagde] heeft overigens geen functiebeschrijving overgelegd. [gedaagde] heeft verder gewezen op haar (grond)recht op vrije arbeidskeuze, op de omstandigheid dat zij sinds begin juni 2026 van alle systemen van Aenergie is afgesloten en sindsdien geen toegang meer heeft tot klanten, netwerk of bedrijfsinformatie van Aenergie, en op haar wens om bij een groter bedrijf met meer doorgroeimogelijkheden te gaan werken.

De kantonrechter overweegt als volgt. Voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] in haar functie bij Aenergie beschikte over kennis van prijsstelling, marges, contractvoorwaarden en de commerciële strategie van Aenergie, als ook over persoonlijke, langdurig opgebouwde relaties met vrijwel alle klanten van Aenergie. Dat [gedaagde] sinds een paar maanden geen toegang meer heeft tot de systemen van Aenergie, doet aan het bestaan en de actualiteit van deze kennis niet wezenlijk af. Aenergie wil geen (potentiële) klanten verliezen en dat is een rechtmatig te beschermen belang. Het is niet ondenkbaar dat concurrentiegevoelige informatie bij indiensttreding van [gedaagde] bij EnergieLive, binnen EnergieLive bekend zal worden en zal worden gebruikt om klanten van Aenergie tot een overstap naar EnergieLive te bewegen. Dat risico wordt in dit geval versterkt doordat Aenergie actief is in een nichemarkt met een beperkt aantal potentiële klanten, zodat het overstappen van ook maar een deel van de klanten van Aenergie naar EnergieLive haar onevenredig zwaar zou kunnen treffen.

Het belang van [gedaagde] bij vrije arbeidskeuze en bij het werken bij een groter bedrijf met meer doorgroeimogelijkheden, zijn op zichzelf te respecteren belangen. Deze belangen wegen in dit geval echter niet op tegen het belang van Aenergie. Daarbij is ook van belang dat [gedaagde] er met de overstap naar EnergieLive niet financieel op vooruitgaat, zodat van een aanmerkelijke (financiële) positieverbetering geen sprake is. Verder is van belang dat het concurrentiebeding is beperkt tot een periode van twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter geen onredelijk lange termijn is. Ten slotte heeft Aenergie [gedaagde] aangeboden haar financieel schadeloos te stellen voor de duur van het concurrentiebeding, zodat het beding [gedaagde] weliswaar beperkt in haar keuze om per direct bij EnergieLive in dienst te treden, maar niet zonder meer tot een onaanvaardbare inkomensterugval leidt.

Het voorgaande leidt tot het voorlopig oordeel dat het belang van Aenergie bij handhaving van het concurrentiebeding zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij de overstap naar EnergieLive. Wel is de kantonrechter van oordeel dat nu [gedaagde] vanaf 1 juni 2026 afgesneden is van bedrijfsgevoelige informatie en klantencontacten, de periode waarin het concurrentiebeding gelding heeft kan worden beperkt tot 1 juni 2027. Voor schorsing of matiging van het beding op de voet van artikel 7:653 lid 3 sub b BW bestaat verder geen aanleiding, zodat de vorderingen in reconventie onder I en II worden afgewezen.

Voor toewijzing van het gevorderde verbod jegens EnergieLive is vereist dat voldoende aannemelijk is dat het handelen van EnergieLive jegens Aenergie onrechtmatig is. Volgens de Hoge Raad (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:740 en HR 17 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG5024) is de enkele betrokkenheid van een derde bij wanprestatie in beginsel niet onrechtmatig. Voor het aannemen van onrechtmatigheid is, naast wetenschap van de wanprestatie, ook vereist dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Die doen zich hier voor: EnergieLive was, zoals blijkt uit de e-mail van [naam 2] aan [naam 1], bekend met het concurrentiebeding en de concurrerende activiteiten tussen beide ondernemingen, en neemt [gedaagde] toch in dienst, waardoor EnergieLive zich in de nichemarkt waarin partijen actief zijn een bevoorrechte positie ten opzichte van Aenergie verschaft. Daarnaast geldt dat het niet geheel toevallig is dat [gedaagde] en EnergieLive een arbeidsovereenkomst wensen aan te gaan. Er is al eerder contact geweest tussen [gedaagde] en EngergieLive middels een overlappend netwerk over een toen toekomstige samenwerking. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dit onrechtmatig jegens Aenergie, zodat ook het verbod voor EnergieLive om [gedaagde] in dienst te nemen toewijsbaar is.

[gedaagde] en EnergieLive vorderen meer subsidiair voor recht te verklaren, althans voorshands te oordelen, dat Aenergie op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten aan het concurrentiebeding kan ontlenen wegens ernstig verwijtbaar handelen van Aenergie als werkgever. [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat de heer [naam 1] een aan [gedaagde] opgelegd communicatieverbod heeft geschonden door tijdens haar vakantie collega's en relaties over haar vertrek te informeren, dat hij juridische dreigementen als pressiemiddel heeft ingezet, en dat [gedaagde] tijdens een overdrachtsbespreking door collega’s vijandig en intimiderend is bejegend, met als gevolg dat zij zich op 21 mei 2026 arbeidsongeschikt heeft gemeld. Aenergie heeft deze verwijten betwist en stelt zich daarin niet te herkennen. Tegenover die betwisting heeft [gedaagde] haar stellingen niet nader onderbouwd, zodat in dit kort geding niet kan worden vastgesteld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Aenergie, laat staan dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst daarvan het rechtstreeks gevolg is geweest. Daarbij komt dat de vordering een declaratoir karakter heeft, en een declaratoir vonnis is naar zijn aard niet voorlopig en kan in kort geding niet worden gewezen.

Conclusie van het voorgaande is dat de primaire vorderingen in conventie worden toegewezen, en dat de vorderingen onder I, II, III en V in reconventie worden afgewezen.

Aenergie heeft gevorderd aan de op te leggen verboden een dwangsom te verbinden van € 25.000,00 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt. De kantonrechter ziet aanleiding een andere dwangsom te verbinden aan de veroordeling en gaat daarbij het gevorderde niet te boven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de dwangsom naar haar aard bedoeld is als financiële prikkel om nakoming van het opgelegde verbod te bevorderen, en niet als schadevergoeding. De kantonrechter zal de dwangsom daarom vaststellen op € 35.000,00 ineens bij overtreding van het verbod.

[gedaagde] heeft, voor het geval het concurrentiebeding niet wordt geschorst of gematigd, om toekenning van een vergoeding in de zin van artikel 7:653 lid 5 BW verzocht. Op grond van dat artikel kan de kantonrechter, indien het concurrentiebeding [gedaagde] in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van Aenergie werkzaam te zijn, bepalen dat Aenergie voor de duur van de beperking een vergoeding dient te betalen. [gedaagde] heeft echter niet gesteld of onderbouwd dat van een dergelijke belangrijke belemmering sprake is. Het concurrentiebeding verhindert [gedaagde] niet om, als Sales- en Accountmanager of anderszins, werkzaam te zijn in andere branches of bij andere niet concurrerende werkgevers dan EnergieLive. Daarom is voor toewijzing van een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW in dit kort geding geen plaats. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat Aenergie meermaals en ook ter zitting nog heeft aangeboden [gedaagde] financieel schadeloos te stellen voor de duur van de beperking, waarmee op dit punt aan [gedaagde] tegemoet wordt gekomen.

[gedaagde] en EnergieLive zijn in conventie en in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Aenergie in conventie worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

125,57

- griffierecht

139,00

- salaris gemachtigde

577,00

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

985,57

De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, worden de proceskosten in reconventie begroot op nihil.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

verbiedt het [gedaagde] om tot 1 juni 2027 in dienst te treden bij EnergieLive, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 35.000,00,

verbiedt het EnergieLive om [gedaagde] in dienst te nemen tot 1 juni 2027, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 35.000,00,

veroordeelt [gedaagde] en EnergieLive hoofdelijk in de proceskosten van € 985,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen van [gedaagde] en EnergieLive af,

veroordeelt [gedaagde] en EnergieLive in de proceskosten, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, mr. L.W. Oosthoek, op 21 augustus 2026.

64443

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.H.J. Evers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand