RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13-173405-25 (zaak A), 13-282331-25 (zaak B), 13-232831-25 (zaak C, 13-167988-26 (zaak D) (ter terechtzitting gevoegd)Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/197142-23 en 13/200818-23
Datum uitspraak: 3 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
nu gedetineerd (uit anderen hoofde) in [detentieadres] ,
hierna te noemen: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 20 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. M.L. van Gaalen, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [benadeelde partij] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de parketnummers 13-173405-25, 13-282331-25, 13-232831-25 en 13-167988-26 zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C en zaak D aangeduid.
De zaak is tegelijk, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] , aangebracht onder de parketnummers 13/173814-25, 16-210032-25, 13-232842-25 en 13-282333-25.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is, samengevat en na een wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting, ten laste gelegd dat zij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A:
1. diefstal met geweld van een geldbedrag van € 420,- en een portemonnee met daarin een betaalpas, die aan [slachtoffer 1] toebehoren, op 3 juni 2025, door twee of meer verenigde personen;
Zaak B:
1. oplichting van [slachtoffer 2] op 24 januari 2025;
Zaak C:
1. poging tot oplichting van [slachtoffer 3] op 29 april 2025;
2. primair: diefstal van een ring, die aan [slachtoffer 4] toebehoort, op 3 mei 2025;
subsidiair tenlastegelegd als verduistering;
3. diefstal van een portemonnee met inhoud, die aan [slachtoffer 5] toebehoort, op 28 mei 2025;
Zaak D:
1. diefstal in een woning van een gouden armband, die aan [benadeelde partij] toebehoort, op 8 juni 2025, waarbij zij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, welke diefstal werd vergezeld van geweld;
2. diefstal in een woning van een sieradendoos en meerdere T-shirts, die aan [benadeelde partij] toebehoren, op 8 juni 2025, waarbij zij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid.
De volledige tenlastelegging is opgenomen als bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, met dien verstande dat ten aanzien van zaak A alleen het medeplegen van een eenvoudige diefstal, en dus niet de geweldscomponent, kan worden bewezen en ten aanzien van feit 2 in zaak B het subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen.
Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten in zaak B, zaak C en zaak D heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat voor een bewezenverklaring gebruik kan worden gemaakt van een schakelbewijsconstructie.
Het standpunt van de verdediging
Zaak A:
De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. De Louis Vuitton-tas, waarvan de aangeefster in haar aanvullende verklaring heeft gezegd dat deze is gestolen, is van verdachte zelf en is naar aanleiding van een klaagschriftprocedure aan verdachte geretourneerd. Daar komt bij dat de aangeefster bij haar aangifte aanvankelijk niets heeft verklaard over de diefstal van een Louis Vuitton-tas.
Zaak B:
De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat zij degene is geweest die bij de aangeefster thuis is geweest. Er heeft een enkelvoudige fotoconfrontatie met de aangeefster plaatsgevonden, terwijl daar volgens de jurisprudentie behoedzaam mee moet worden omgaan. Daarnaast is de aangifte door de schoondochter van [slachtoffer 2] gedaan, waardoor de aangifte een verklaring ‘van horen zeggen’ is.
Zaak C:
Ten aanzien van feit 1:
De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, omdat er naast de aangifte geen steunbewijs en geen herkenning van verdachte zijn.
Ten aanzien van feit 2:
De raadsman heeft primair verzocht om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, omdat er naast de aangifte geen steunbewijs is dat verdachte degene is geweest die de ring heeft gestolen, dan wel verduisterd. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening, waardoor het primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen.
Ten aanzien van feit 3:
De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, omdat de aangeefster heeft verklaard dat het tenlastegelegde zou hebben plaatsgevonden op 28 mei 2025, terwijl de camerabeelden van 29 mei 2025 zijn. Er zijn geen camerabeelden waaruit zou kunnen worden vastgesteld dat verdachte op 28 mei 2025 bij de aangeefster thuis is geweest.
Zaak D:
Ten aanzien van feit 1 en 2:
De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die bij de aangeefster thuis is geweest. Er heeft een enkelvoudige fotoconfrontatie plaatsgevonden, terwijl daar volgens de jurisprudentie behoedzaam mee moet worden omgaan.
De raadsman heeft daarnaast ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het geweldsaspect, omdat er onvoldoende bewijs is dat het toegepaste geweld, als dat er al zou zijn geweest, een handeling is geweest die de diefstal van de armband heeft gefaciliteerd.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is, omdat de aangeefster niet heeft gezien dat haar sieradendoos en T-shirts zijn weggenomen.
Het oordeel van de rechtbank
Zaak A: Vrijspraak diefstal met geweld
[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van diefstal met geweld op 3 juni 2025 in de omgeving van de [straatnaam 1] in Amsterdam. De aangeefster heeft verklaard dat zij in een bestelbus is gestapt, en dat een man en een vrouw vervolgens haar portemonnee, pinpas en een geldbedrag van € 420,- door middel van geweld hebben weggenomen. Op camerabeelden is te zien dat de aangeefster, een man en een vrouw in de bestelbus zijn gestapt, en dat de bestelbus vervolgens is weggereden. De politie heeft de man en de vrouw op de camerabeelden herkend als [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] . In de bestelbus is de volgende dag door de politie een zwartkleurige Louis Vuitton-handtas aangetroffen. De aangeefster heeft in een aanvullende verklaring verklaard dat dit haar weggenomen handtas was. De portemonnee, pinpas en een exact geldbedrag van € 420,- zijn niet aangetroffen.
[verdachte] heeft in haar politieverhoor verklaard dat zij de aangeefster heeft gevraagd om haar zusje met rust te laten, omdat de aangeefster drugs had verkocht aan haar. Zij verklaarde verder dat zij op enig moment wilde dat aangeefster de bus zou verlaten en dat haar vriend (zijnde [medeverdachte] ) de aangeefster toen de bus uit heeft getrokken. Er zijn volgens [verdachte] geen spullen gestolen van de aangeefster. [verdachte] verklaart daarnaast dat de aangetroffen Louis Vuitton-tas in de auto haar eigen tas is.
De rechtbank kan op basis van het dossier vaststellen dat de aangeefster heeft plaatsgenomen in de bestelbus met [medeverdachte] en [verdachte] . Vanaf dat moment lopen de verklaringen tussen de aangeefster en [verdachte] , over wat er heeft plaatsgevonden, sterk uiteen. Aangezien er geen portemonnee, pinpas of exact geldbedrag van € 420,- bij [medeverdachte] of [verdachte] zijn aangetroffen, de omstandigheden waaronder de ontmoeting tussen de aangeefster, [medeverdachte] en [verdachte] heeft plaatsgevonden onduidelijk zijn gebleven, en [medeverdachte] en [verdachte] stellig ontkennen spullen van de aangeefster te hebben gestolen, kan de rechtbank niet vaststellen dat bij de aangeefster een portemonnee met pinpas en een geldbedrag, zijn weggenomen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Zaak B:
Oplichting [slachtoffer 2]
[aangeefster] heeft aangifte gedaan namens haar schoonmoeder [slachtoffer 2] . De aangeefster heeft namens [slachtoffer 2] verklaard dat op 24 januari 2025 tussen omstreeks 14:00 en 15:00 uur een vrouw aan de deur van de woning van [slachtoffer 2] aan de [straatnaam 2] in Amsterdam is geweest. De vrouw zei dat zij van [thuiszorgorganisatie] kwam. De vrouw zei daarnaast dat er na overleg met de huisarts en [thuiszorgorganisatie] is besloten om niet een keer per week, maar twee keer per week bij [slachtoffer 2] langs te komen en dat hierbij ook boodschappen zouden worden gedaan voor [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] gaf vervolgens haar bankpas en pincode aan de vrouw, zodat zij boodschappen voor [slachtoffer 2] kon doen. De vrouw heeft de bankpas hierna niet meer teruggebracht.
Op camerabeelden van het wooncomplex aan de [straatnaam 2] in Amsterdam is te zien dat er op die dag twee vrouwen tussen 14:00 en 15:00 uur het wooncomplex binnen zijn gekomen die voldeden aan het door [slachtoffer 2] opgegeven uiterlijke kenmerk van blond haar. De afbeeldingen van de twee vrouwen op de camerabeelden zijn door middel van een enkelvoudige fotoconfrontatie aan [slachtoffer 2] getoond. [slachtoffer 2] heeft hierbij verklaard dat de vrouw op afbeelding 1 de vrouw van de babbeltruc kon zijn, omdat zij een Vomar-tas en toiletpapier in haar handen had. [slachtoffer 2] had namelijk toiletpapier gekregen van de vrouw, omdat de vrouw daadwerkelijk boodschappen had gedaan voor [slachtoffer 2] . De vrouw die de Vomar-tas en het toiletpapier bij zich had is vervolgens door twee politieagenten herkend als verdachte.
Zaak C:
Feit 1: poging oplichting [slachtoffer 3]
Aangeefster [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er op 29 april 2025 omstreeks 18:00 uur een vrouw heeft aangebeld bij haar voordeur op de [straatnaam 3] in Amsterdam. De woning van de aangeefster maakt deel uit van een complex, dat vrij te betreden is vanuit het naastgelegen bejaardenhuis [bejaardenhuis]. Toen de aangeefster de deur open deed, zag zij dat de vrouw haar woning inliep. De vrouw zei dat zij geld kwam ophalen voor een feest in het bejaardenhuis [bejaardenhuis], en dat de aangeefster hiervoor een bijdrage moest doen en moest opgeven wat zij wilde eten. De aangeefster vertrouwde de vrouw niet en eiste dat de vrouw haar woning zou verlaten. Hierop heeft de vrouw de woning van de aangeefster verlaten. De aangeefster hoorde hierna dat de vrouw met hetzelfde verhaal naar haar buurvrouw is gegaan en dat de vrouw geld van haar buurvrouw had meegenomen. [buurvrouw], de buurvrouw van de aangeefster, heeft verklaard dat de vrouw, nadat ze bij de aangeefster was geweest, ook bij haar langs is geweest om geld in te zamelen voor een feest en dat er toen geld van haar is gestolen. Achteraf bleek dat er helemaal geen feest is geweest in [bejaardenhuis] en dat niemand van het personeel iets afwist van een inzamelingsactie.
Op camerabeelden van het bejaardenhuis is te zien dat een vrouw op diezelfde dag omstreeks 19:26 uur in de hal van het bejaardenhuis loopt. De vrouw op de camerabeelden is door twee politieagenten herkend als verdachte.
Feit 2: diefstal [slachtoffer 4]
Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zijn ring op 3 mei 2025 uit zijn woning is gestolen op de [straatnaam 4] in Amsterdam. Dit betreft een woongroep voor mensen met een verstandelijke beperking. De aangever heeft verklaard dat hij op die dag om 9:45 uur naar beneden is gegaan voor een koffiemoment van de woongroep. Toen de aangever aankwam bij het koffiemoment vroeg een vrouw, die hij nooit eerder had gezien, of hij koffie wilde. De vrouw is hierna meegelopen naar het appartement van de aangever. De vrouw vroeg vervolgens aan de aangever of hij zijn ring wilde afdoen, omdat zij geen geld had om boodschappen te doen. De aangever gaf vervolgens zijn ring aan de vrouw. Deze ring is niet aan de aangever teruggegeven. Toen de vrouw het appartement verliet, liet zij daar een jas met daarin een OV-chipkaart achter.
Getuige [getuige 1] , die werkzaam is als persoonlijk begeleider bij de woongroep, heeft verklaard dat zij op 3 mei 2025 in de koffiezaal een vrouw zag zitten die zij niet eerder had gezien. Deze vrouw vertelde aan haar dat zij een inval-vrijwilligster was van de stichting ‘Cor en Daan’ en dat haar naam ‘Leyla’ was. De getuige hoorde later van collega’s dat er nooit een vrijwillig werkt op de zaterdagochtend.
Op camerabeelden van de woongroep is te zien dat een vrouw zich op 3 mei 2025 tussen 8:57 uur en 9:58 uur in het pand bevindt en op enig moment in gesprek is met een bewoner van de woongroep. De begeleiders van de woongroep hebben de camerabeelden aan de aangever getoond, waarbij de aangever de vrouw op de camerabeelden direct herkende als de vrouw die zijn ring heeft weggenomen. De vrouw op de camerabeelden is door een politieagent herkend als verdachte.
De OV-chipkaart, die in de woning van de aangever is achtergelaten, bleek op naam te staan van [naam 1] . Een verbalisant zag in het politiesysteem dat er twee vrouwen naar voren kwamen met deze voorletter en achternaam, waarvan één vrouw in Amsterdam is geboren. De moeder van deze [naam 1] bleek verdachte te zijn.
Feit 3: diefstal [slachtoffer 5]
Aangeefster [slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij op 28 mei 2025 omstreeks 19:00 uur een vrouw, die zich legitimeerde als een medewerker van Cordaan, heeft binnengelaten in haar woning op de [straatnaam 5] in Amsterdam. De woning van de aangeefster maakt deel uit van het bejaardencentrum [bejaardencentrum]. De vrouw zei tegen de aangeefster dat haar naam ‘Leila’ was. De vrouw gaf aan dat zij iets wilde kopen, maar daar op dat moment geen geld voor had en vroeg aan de aangeefster of zij geld van haar kon lenen. De aangeefster gaf toen aan dat zij geen geld aan haar kon lenen. De vrouw pakte hierna de rollator van de aangeefster, waar ook haar tas met portemonnee in zat en begon met de rollator door de woning te lopen. Doordat de aangeefster, vanwege haar leeftijd, afhankelijk is van haar rollator, kon de aangeefster niet zien waar de vrouw met de rollator naartoe liep. De vrouw heeft vervolgens de woning verlaten. De aangeefster heeft daarnaast verklaard dat zij op 29 mei 2025 omstreeks 19:40 uur contact heeft gezocht met haar zorgmedewerker [naam 2] om te vragen of zij een medewerker kent die ‘Leila’ heet.
Op 30 mei 2025 kwam de aangeefster erachter dat haar portemonnee weg was en dat er was gepind met haar betaalpas. Op camerabeelden van [bejaardencentrum] is te zien dat een vrouw op 29 mei 2025 om 19:14 uur het gebouw van [bejaardencentrum] betreed. De vrouw op de camerabeelden is door een politieagent herkend als verdachte.
Zaak D:
Feit 1 en feit 2: diefstal (met geweld) door middel van een valse hoedanigheid [benadeelde partij]
Aangeefster [benadeelde partij] heeft verklaard dat zij op 8 juni 2026 omstreeks 13:00 uur een vrouw, die zich voordeed als een medewerker van Cordaan, heeft binnengelaten in haar woning op de [adres 2] in Amsterdam. De vrouw zei tegen de aangeefster dat zij was gestuurd door de huisarts. De aangeefster had een wond op haar been en had daarvoor de huisarts gebeld, waardoor het verhaal van de vrouw voor de aangeefster geloofwaardig overkwam. De aangeefster heeft daarnaast verklaard dat zij, vanwege haar leeftijd, verschillende soorten vormen van thuiszorg en huishoudelijke hulp krijgt. Terwijl de vrouw in de woning van de aangeefster was, bevond zich in de woning ook een verzorgster van het bedrijf Zorgselectief.
De vrouw zei tegen de aangeefster dat zij haar handen moest insmeren met vaseline. Dit vond de aangeefster raar, aangezien zij dacht dat de vrouw kwam voor de verzorging van haar been. Terwijl de vrouw de handen van de aangeefster aan het insmeren was, voelde zij veel pijn aan haar linkerpols. Doordat het insmeren pijn deed, schreeuwde de aangeefster dat de vrouw haar woning moest verlaten. De verzorgster van Zorgselectief heeft de vrouw vervolgens uit het huis van de aangeefster gekregen. De aangeefster besefte achteraf dat de vrouw haar pijn had gedaan, omdat de vrouw de armband die de aangeefster om haar pols droeg van haar pols heeft gerukt. De aangeefster is op 10 juni 2026 onderzocht door huisarts waar een medisch rapport van is opgemaakt. Hieruit volgt dat de arts bij de aangeefster flinke blauwe plekken op haar linkerarm heeft geconstateerd.
De aangeefster heeft op 10 juni 2026 in een aanvullende aangifte verklaard dat de vrouw ook in haar woning had rondgesnuffeld. De aangeefster heeft daarnaast verklaard dat zij er op 9 juni 2026 achter kwam dat ook haar sieradendoos met sieraden erin en meerdere T-shirts waren weggenomen, en dat de vrouw deze had meegenomen.
[getuige 2] , de verzorgster van Zorgselectief is als getuige verhoord en heeft verklaard dat de vrouw, die in de woning van de aangeefster is geweest, zich had voorgesteld als een medewerker van Cordaan. Toen [getuige 2] omstreeks 13:40 uur terugkwam in de woning, zag zij dat de aangeefster aan het huilen was, omdat haar armband zojuist was gestolen.
Op camerabeelden van 8 juni 2026 is te zien dat een Ford Fiësta omstreeks 13:11 uur [adres 2] in komt gereden en dat de auto ter hoogte van het adres van de aangeefster, de [adres 2] , wordt geparkeerd. Op de camerabeelden is te zien dat een persoon omstreeks 13:22 uur uit de woning van de [adres 2] komt en in de Ford Fiësta stapt. Op de beelden is ook het kenteken van de Ford Fiësta te zien.
Op 9 juni 2026 kwam er een ANPR-hit binnen met het kenteken van de Ford Fiësta. De vrouw die als bijrijder in de auto zat bleek verdachte [verdachte] te zijn. [verdachte] werd vervolgens aangehouden, omdat zij nagenoeg volledig overeenkwam met het door de getuige opgegeven signalement van de vrouw die in de woning van aangeefster is geweest.
Een dag na de aangifte is aan getuige [getuige 2] door middel van een enkelvoudige fotoconfrontatie een foto getoond van verdachte. [getuige 2] herkende verdachte hierbij direct als de vrouw die in de woning van de aangeefster is geweest.
Bewijsoverwegingen
Enkelvoudige fotoconfrontaties
Mevrouw [slachtoffer 2] (zaak B) en getuige [getuige 2] (zaak D) hebben verdachte herkend naar aanleiding van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Evenals de raadsman is de rechtbank van oordeel dat terughoudend moet worden omgegaan met het gebruik van de resultaten van deze opsporingsmethode als bewijs. De rechtbank is zich bewust van de beperkte bewijswaarde van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Echter, niet kan worden gesteld dat iedere bewijswaarde van herkenningen naar aanleiding van dit soort confrontaties ontbreekt. Gelet hierop kan de rechtbank deze herkenningen voor het bewijs gebruiken.
Ten aanzien van de herkenning door [slachtoffer 2] overweegt de rechtbank in het bijzonder dat [slachtoffer 2] weliswaar heeft aangegeven dat de afbeelding wazig was en het incident van een tijd geleden, maar dat zij naast uiterlijke kenmerken ook heeft gewezen op de combinatie van de meegevoerde voorwerpen, zoals de Vomar-tas, die afkomstig zou zijn uit de woning van [slachtoffer 2] , en het toiletpapier. Hierbij is bovendien geen sprake van een herkenning van verdachte, maar van een herkenning van de vrouw die bij [slachtoffer 2] aan de deur is geweest uit een selectie van camerabeelden van bezoekers aan haar wooncomplex in een bepaalde tijdspanne op basis van het opgegeven signalement, zodat een meervoudige fotoconfrontatie in dit geval niet mogelijk zou zijn geweest. Daarnaast is van belang dat twee verbalisanten vervolgens aan de hand van het beeldfragment een herkenning hebben gedaan van verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat deze herkenningen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.
In combinatie met een of meer andere bewijsmiddelen die de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde ondersteunen acht de rechtbank de herkenningen op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie voldoende voor een bewezenverklaring.
Verweer met betrekking tot doen van aangifte namens benadeelde
In zaak B heeft de verdediging aangevoerd dat mevrouw [slachtoffer 2] niet zelf aangifte heeft gedaan, maar een familielid namens haar. De aangifte is daarom een de-auditu-verklaring en kan niet zonder meer gebruikt worden als bewijs, aldus de verdediging.
De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 2] een kwetsbaar slachtoffer betreft, die ten tijde van het feit in een zorginstelling woonde en een leeftijd had van 80 jaar. De rechtbank acht het dan ook begrijpelijk dat er namens haar door een familielid aangifte is gedaan en heeft geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [aangeefster] te twijfelen. Bovendien staat de aangifte niet op zichzelf, maar is er het nodige andere bewijs, waarbij ook direct contact is geweest door opsporingsambtenaren met [slachtoffer 2] .
Verweren in zaak C
Ten aanzien van feit 2:
In tegenstelling tot de officier van justitie en de raadsman, is de rechtbank ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat diefstal bewezen kan worden verklaard. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:676, volgt dat
het ‘zich verschaffen van feitelijke heerschappij’ als wegneming ook gelegen kan zijn in het overhandigd krijgen van een goed. In deze zaak is de verdachte, nadat hij geld overhandigd had gekregen, met het geld weggerend. Het Gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat de verdachte zich hiermee de feitelijke heerschappij over het geld heeft verschaft en dat sprake was van 'wegneming' in de zin van art. 310 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens de Hoge Raad geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Mede gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het feit, dat de ring door de aangever vrijwillig aan verdachte is overhandigd waardoor er dus enige vorm van medewerking van de aangever is geweest, niet aan kwalificatie van deze gedraging als ‘wegneming’ in de weg staat. Verdachte is immers, nadat zij de ring van de aangever overhandigd had gekregen, vertrokken en daarmee niet terug gekeerd. De rechtbank acht daarom het primair tenlastegelegde bewezen.
Ten aanzien van feit 3:
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde in zaak C aangevoerd dat de datum, die in de aangifte wordt genoemd, niet overeenkomt met de datum van de beelden. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De aangeefster heeft verklaard dat de diefstal heeft plaatsgevonden op 28 mei 2025, terwijl de camerabeelden waarop verdachte door de politie is herkend van 29 mei 2025 zijn. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat de aangeefster zich heeft vergist in de datum en dat de diefstal heeft plaatsgevonden op 29 mei 2025, gelet op het feit dat de aangeefster destijds een leeftijd had van 99 jaar en zij pas op 31 mei 2025, dus een paar dagen na de diefstal, aangifte heeft gedaan. Mede gelet op de inhoud van de verklaring van de aangeefster, waaruit volgt dat zij na het voorval contact opneemt met een zorgmedewerker, acht de rechtbank het aannemelijk dat de diefstal heeft plaatsgevonden op dezelfde dag dat de aangeefster contact heeft opgenomen met de zorgmedewerker, te weten 29 mei 2025. De aangegeven tijd op de camerabeelden op 29 mei 2025 komt bovendien overeen met de tijd van de diefstal die aangeefster in haar aangifte heeft genoemd.
De rechtbank is van oordeel dat de overige verweren van de raadsman worden weerlegd door de bewijsmiddelen, zoals uit de inhoud van dit vonnis naar voren komt.
Schakelbewijs
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het gebruik van aan andere bewezen verklaarde soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend schakelbewijs toegelaten. Het moet daarbij gaan om bewijsmateriaal dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van de te bewijzen feiten en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van de verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden zijnde bewijsmiddelen. In eenvoudige taal betekent dit dat het bewijsmateriaal in de ene zaak als ondersteunend bewijs kan dienen in een andere soortgelijke zaak, maar alleen als erop belangrijke punten overeenkomsten bestaan tussen beide zaken.
Uit het dossier blijkt het volgende. Een aantal mensen heeft aangifte gedaan van oplichting en diefstal. Uit de aangiftes blijkt dat het signalement en de werkwijze van de dader in veel gevallen sterk overeenkomt. Zo zijn de aangevers steeds aangesproken door een vrouw die zich voordeed als een thuiszorgmedewerker van [thuiszorgorganisatie] of een zorgmedewerker van Cordaan of “Cor en Daan”. De vrouw heeft zich daarnaast in meerdere gevallen voorgesteld als “Leyla” of “Leila”. De vrouw wist vervolgens, door het aannemen van een valse hoedanigheid, de aangevers tot afgifte van een goed of betaalpas te bewegen. In het geval van [slachtoffer 5] en [benadeelde partij] zijn hun goederen weggenomen nadat de vrouw in hun woning is geweest. In alle gevallen zijn steeds slachtoffers uitgekozen die vanwege hun oudere leeftijd of verstandelijke vermogens kwetsbare slachtoffers zijn.
In geen van de gevallen heeft de vrouw de weggenomen goederen teruggegeven aan de aangevers. Hoewel de aangiftes niet op alle onderdelen overeenkomen, komen wel in vrijwel alle aangiftes meerdere van de hiervoor beschreven specifieke details terug. De rechtbank is dus van oordeel dat sprake is van een voldoende herkenbare, specifieke en gelijksoortige modus operandi, die bovendien voldoende uniek en onderscheidend is. In dit geval kan dan ook gebruik worden gemaakt van een schakelbewijsconstructie ten aanzien van het tenlastegelegde in zaak B, het onder 2 en 3 tenlastegelegde in zaak C en het onder 1 en 2 tenlastegelegde in zaak D. Daar waar voor sommige feiten onvoldoende directe ondersteuning voor de aangifte beschikbaar is, kan het steunbewijs voor die feiten ook worden afgeleid uit de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de andere feiten. Dit brengt met zich dat de rechtbank van oordeel is dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de oplichting en de diefstallen door middel van babbeltrucs telkens door dezelfde dader, zijnde verdachte, zijn gepleegd.
Conclusie
De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde in zaak B, het tenlastegelegde onder feit 1 (primair), 2 en 3 in zaak C en het tenlastegelegde onder feit 1 en 2 in zaak D.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde:
op 24 januari 2025 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een bankpas en bijbehorende pincode, door zich voor te doen als thuiszorgmedewerker;
ten aanzien van het onder 1 in zaak C tenlastegelegde:
op 29 april 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag, bij de woning van die [slachtoffer 3] naar binnen is gegaan en een geldbedrag heeft gevraagd van die [slachtoffer 3] en heeft verzonnen dat er een buurtfeest was waarvoor die [slachtoffer 3] een bijdrage moest leveren terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van het onder 2 in zaak C tenlastegelegde:
op 3 mei 2025 te Amsterdam een ring, in elk geval enig goed, die aan [slachtoffer 4] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van het onder 3 in zaak C tenlastegelegde:
omstreeks 28 mei 2025 te Amsterdam een portemonnee met inhoud, die geheel aan [slachtoffer 5] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van het onder 1 in zaak D tenlastegelegde:
op 8 juni 2026 te Amsterdam, in een woning, te weten [adres 2] , alwaar zij, verdachte, zich tegen de wil van de rechthebbende bevond, een gouden armband, die aan [benadeelde partij] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, door zich voor te doen als medewerker van Cordaan en in die hoedanigheid die [benadeelde partij] kwam verzorgen, welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door de armband met geweld van de pols/arm van die [benadeelde partij] te trekken/rukken;
ten aanzien van het onder 2 in zaak D tenlastegelegde:
op 8 juni 2026 te Amsterdam, in een woning, te weten [adres 2] , alwaar zij, verdachte, zich tegen de wil van de rechthebbende bevond, een sieradendoos met inhoud en meerdere T-shirts, die aan [benadeelde partij] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl zij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van valse hoedanigheid, door zich voor te doen als medewerker van Cordaan en in die hoedanigheid die [benadeelde partij] kwam verzorgen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal de rechtbank
deze verbeterd lezen. Verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur
van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, wordt opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijk deel van de straf de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte, als de rechtbank tot een veroordeling komt, een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke straf of een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals
daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, een poging daartoe en meerdere diefstallen, waarvan één diefstal met geweld. Het is extra kwalijk dat in deze zaken meerdere personen op hoge leeftijd tot slachtoffer zijn gemaakt, vanwege hun grotere kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Door zich in meerdere zaken voor te doen als een thuiszorgmedewerker heeft verdachte de slachtoffers goederen, waaronder een betaalpas, afhandig weten te maken. Daarvoor heeft verdachte zich ook bij slachtoffers de woning in weten te praten.
In het geval van aangeefster [benadeelde partij] geldt dat verdachte haar gouden armband met geweld heeft afgenomen door de armband, terwijl zij de arm van [benadeelde partij] insmeerde met vaseline, van haar arm te rukken. Het slachtoffer heeft hier blauwe plekken en veel pijn aan overgehouden. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.
Door de geraffineerde wijze van de oplichting, een poging daartoe, en de diefstallen zoals hiervoor is beschreven, heeft verdachte niet alleen goederen van haar slachtoffers afgenomen, maar ook hun gevoel van vertrouwen en veiligheidsgevoel, zoals ook blijkt uit meerdere aangiftes van de slachtoffers. Verdachte heeft met haar handelen blijkbaar dan ook enkel oog gehad voor haar eigen financieel gewin. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij op deze wijze misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van haar kwetsbare slachtoffers.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 14 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke feiten en vermogensdelicten.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 15 augustus 2026 en het voortgangsverslag van de reclassering van 12 augustus 2026, waarin het verloop van het schorsingstoezicht in zaak A wordt beschreven.
Uit deze verslagen blijkt dat de reclassering zorgen ziet op het gebied van financiën en psychosociaal functioneren van verdachte. In gesprekken met de reclassering heeft verdachte aangegeven dat zij nooit meer in aanraking wil komen met justitie en nooit meer in detentie wil, omdat zij veel te verliezen heeft, te weten haar baan, haar huurwoning en haar twee thuiswonende, meerderjarige dochters. Verdachte blijft desondanks in aanraking komen met politie en justitie. Volgens de reclassering lijkt verdachte, ondanks haar vriendelijke opstelling en het verbeterde contact met de reclassering, niet volledig openheid van zaken te geven.
Het recidiverisico wordt op basis van het voortgangsverslag door de reclassering als hoog ingeschat. Door de reclassering wordt geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, contactverbod met [slachtoffer 1] en ambulante behandeling. De rechtbank zal dit advies van de reclassering overnemen, met uitzondering van het contactverbod, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde in zaak A.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf beoogt de rechtbank recht te doen aan de ernst van
de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank vindt het strafverzwarend dat uit het strafblad blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke vermogensdelicten. De rechtbank vindt het daarnaast ook strafverzwarend dat verdachte de strafbare feiten heeft begaan jegens kwetsbare slachtoffers. Verdachte heeft daarnaast geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor haar gedrag. Ten tijde van het plegen van dit feit liep verdachte bovendien in twee proeftijden. Deze omstandigheid heeft haar er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod en met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Hoewel de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat het zwaartepunt van de feiten ligt bij de (poging tot) oplichting en diefstallen door middel van babbeltrucs, en brengt de ernst daarvan in de straftoemeting naar voren.
8. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerp in beslag genomen:
ten aanzien van zaak A:
- Samsung telefoon (6665480);
ten aanzien van zaak C:
- OV-chipkaart (6653582);
ten aanzien van zaak D: - vaseline (6824791); - autosleutels (6825114);
- ketting (6825387);
- armband (6825390);
- ketting (6825392);
- ketting (6825393);
- ketting (6825394);
- sieradendoosje (6825395);
- munten (6825399);
- armband (6825402);
- sieradendoosje (6825405).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen telefoon moeten worden teruggegeven aan verdachte en dat de overige in beslag genomen goederen moeten worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen vaseline, OV-chipkaart en autosleutels moeten worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, en dat de in beslag genomen sieraden moeten worden teruggegeven aan verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de in beslag genomen telefoon. De rechtbank zal de bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen autosleutels, kettingen, armbanden en sieradendoosjes. De rechtbank zal de in beslag genomen vaseline verbeurdverklaren, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het bewezenverklaarde is begaan.
9. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij, [benadeelde partij] , vordert een materiële-schadevergoeding van € 2.750,- met toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit de weggenomen gouden slavenarmband.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij in haar schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het verzoek tot schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de materiële-schadevergoeding toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft de waarde van de gestolen armband in haar vordering tot vergoeding van materiële schade niet onderbouwd en deze is gemotiveerd betwist door verdachte, zodat niet zonder meer van deze waarde kan worden uitgegaan. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten om de waarde van de armband zelf te kunnen schatten en zal de benadeelde partij daarom in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.
10. De vorderingen tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling
Ten aanzien van 13-197142-23:
Bij de stukken bevindt zich de vordering van 14 juli 2026 van de officier van justitie in
het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13-197142-23, betreffende
het onherroepelijk geworden vonnis van 29 november 2023 van de rechtbank Amsterdam,
waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis met bevel dat van deze straf een gedeelte, te weten 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bij de stukken zit ook een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel
366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Ten aanzien van 13-200818-23:
Bij de stukken bevindt zich de vordering van 14 juli 2026 van de officier van justitie in
het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13-200818-23, betreffende
het onherroepelijk geworden vonnis van 18 oktober 2024 van de rechtbank Amsterdam,
waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bij de stukken zit ook een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel
366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie toewijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat niet is gebleken dat verdachte op de terechtzitting van 29 november 2023 en 18 oktober 2024 is verschenen en de vorderingen tot tenuitvoerlegging niet in persoon zijn betekend. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de proeftijden te verlengen en de gevangenisstraf ten aanzien van 13-200818-23 om te zetten in een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Uit de aantekening van de mondelinge vonnissen op 29 november 2023 en 18 oktober 2024 blijkt dat deze vonnissen op tegenspraak zijn gewezen en dat er geen sprake is van een situatie waarbij het vonnis op tegenspraak is gewezen vanwege een daartoe gemachtigde advocaat als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering. Het is de rechtbank immers ambtshalve bekend dat van een dergelijke situatie melding wordt gemaakt in de aantekening mondeling vonnis achter de vermelding ‘tegenspraak’. De rechtbank is daarom van oordeel dat ervan uit kan worden gegaan dat verdachte bij de behandeling van de strafzaken aanwezig is geweest. Daarbij is ondersteunend dat uit de aantekening van het mondeling vonnis op 29 november 2023 blijkt dat er door verdachte afstand is gedaan van de rechtsmiddelen, terwijl een gemachtigd advocaat daartoe niet zonder meer bevoegd is.
De rechtbank overweegt dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan
strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit
vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerleggingen van de voorwaardelijke
strafdelen te bevelen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33a, 33b, 36f, 45, 57, 310, 311, 312 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
12. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte in zaak A is ten laste gelegd en spreekt
verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is
bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde:
oplichting
ten aanzien van het onder 1 in zaak C tenlastegelegde:
poging tot oplichting
ten aanzien van het onder 2 en 3 in zaak C tenlastegelegde:
telkens: diefstal
ten aanzien van het onder 1 in zaak D tenlastegelegde:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar tegen de wil van de rechthebbende bevindt, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse hoedanigheid
ten aanzien van het onder 2 in zaak D tenlastegelegde:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse hoedanigheid
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf, niet ten
uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de
hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
Meldplicht bij reclassering
De veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij de Reclassering Leger des Heils op het adres [adres 3] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
De veroordeelde neemt actief deel aan de gedragsinterventie Cognitieve vaardigheden individueel (Solo) bij de Reclassering Leger des Heils in Amsterdam. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
Ambulante behandeling
De veroordeelde werkt mee aan diagnostiek en indien nodig een behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Beslag
Gelast de teruggave aan [verdachte] van het volgende voorwerp:
- Samsung telefoon (6665480);
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
- OV-chipkaart (6653582);
- autosleutels (6825114);
- ketting (6825387);
- armband (6825390);
- ketting (6825392);
- ketting (6825393);
- ketting (6825394);
- sieraad (6825395);
- munten (6825399);
- armband (6825402);
- sieradendoosje (6825405);
Verklaart verbeurd:
- vaseline (6824791).
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijk veroordeling (13-197142-23)
Gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 29 november 2023 is opgelegd in de
zaak onder parketnummer 13-197142-23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijk veroordeling (13-200818-23):
Gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 18 oktober 2024 is opgelegd in de
zaak onder parketnummer 13-200818-23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Ten aanzien van zaak A:
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. B. van Galen en M.P.N. Gommers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen en J.M. Gratama, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.
[…]