[eiser], eiser,
[eiseres], eiseres,
V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2],
samen genoemd eisers,
(gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. E.E.G.N. van der Meulen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 1 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvragen.
De rechtbank heeft de beroepen, samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening hangende de beroepen, op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, mevrouw E.E.H. Willems als tolk en verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van de besluiten
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland verzocht om eisers terug te nemen. Zwitserland heeft deze verzoeken aanvaard.
Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?
Wat is het betoog van eisers?
5. Eisers stellen zich op het standpunt dat Zwitserland zich niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. In dit verband voeren eisers aan dat de opvang in Zwitserland niet veilig is. Hun klacht over drie mannen die hebben geprobeerd hun kamer binnen te komen, werd namelijk door de ORS gebagatelliseerd. De volgende dag, op 7 oktober 2025, werd eiseres door deze drie mannen verkracht. Volgens eisers waren er in de desbetreffende opvang meerdere meldingen van overlast gedaan en zou eerder ook al een vrouw zijn verkracht. Eisers stellen dat het feit dat zij vervolgens op hun verzoek zijn overgeplaatst naar een andere opvanglocatie niet maakt dat de opvang in Zwitserland veilig is. Als een dergelijk incident in één Zwitserse opvanglocatie kan gebeuren, dan kan dit volgens eisers namelijk ook in andere opvanglocaties plaatsvinden. Eisers stellen dat zij bij de Zwitserse politie geen aangifte, maar enkel een melding, van het incident op 7 oktober 2025 konden doen. Nu eerder niets met hun klachten werd gedaan, heeft verweerder volgens eisers ten onrechte aan hen tegengeworpen dat zij zich hadden kunnen wenden tot een daarvoor bestemde organisatie of ander politiebureau. Verder stelt eiseres dat haar tijdens haar zwangerschap in Zwitserland medische zorg werd onthouden. Ook kreeg zij voor haar depressie weliswaar Mirtazapine voorgeschreven, maar werd haar verdere hulp geweigerd.
Ter onderbouwing van het vorenstaande wijzen eisers op de volgende stukken:
Wat is het standpunt van verweerder?
6. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. Het uitgangspunt is dat ten aanzien van Zwitserland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder er in beginsel op mag vertrouwen dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen uit het Unierecht en de mensenrechtenverdragen zal nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eisers aannemelijk maken of de rechtbank ambtshalve vaststelt dat het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Van een dergelijke schending is pas sprake als de geconstateerde tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo.
In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat ten aanzien van Zwitserland niet (langer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers hebben namelijk hun stelling dat in Zwitserland sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en medische zorg niet met objectieve informatie onderbouwd. Hoewel de rechtbank in voorkomend geval op eigen initiatief rekening houdt met relevante informatie waarvan zij niet onkundig kan zijn met betrekking tot mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, is de rechtbank ook ambtshalve niet bekend met dergelijke informatie.
Eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat Zwitserland in hun specifieke geval de internationale verplichtingen schendt. De rechtbank wil niets afdoen aan de ernst van hetgeen eiseres op 7 oktober 2025 is overkomen, maar uit de door eisers overgelegde documenten volgt niet dat de Zwitserse autoriteiten hier niet adequaat op hebben gereageerd. Zo is zij direct naar het ziekenhuis begeleid, alwaar zij medische hulp heeft gekregen. En ook als uit dit incident zou volgen dat de specifieke opvanglocatie waar eisers op dat moment verbleven onvoldoende veilig was, betekent dit nog niet dat dit voor alle opvanglocaties in Zwitserland geldt, noch betekent dit dat de Zwitserse autoriteiten hier onverschillig tegenover staan.
Verder blijkt uit de door eisers overgelegde stukken – zoals weergegeven onder 5 – dat eiseres tijdens haar zwangerschap wel degelijk medische zorg heeft gekregen. Ook heeft eiseres voor haar psychische klachten medicatie ontvangen. Dat eiseres zorg die voor haar noodzakelijk was in het geheel niet heeft ontvangen, volgt niet uit de overgelegde
documenten.
Daar komt bij dat Zwitserland door middel van het expliciete claimakkoord heeft gegarandeerd de (opvolgende) asielverzoeken van eisers in overeenstemming met de internationale verplichtingen, die voortvloeien uit de verschillende verdragen en Europese richtlijnen, in behandeling te nemen. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook terecht overwogen dat eisers bij toekomstige problemen met betrekking tot de asielprocedure, de opvangvoorzieningen, medische zorg of anderszins in Zwitserland zich moet wenden tot de Zwitserse (hogere) autoriteiten of de daarvoor aangewezen instanties. Uit de overgelegde documenten noch anderszins is gebleken dat zij eisers niet willen of kunnen helpen dan wel dat klagen bij voorbaat zinloos is.
Verweerder heeft daarom kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Zwitserland de internationale verplichtingen nakomt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Getuigt overdracht aan Zwitserland van een onevenredige hardheid?
Wat is het betoog van eisers?
8. Eisers voeren aan dat overdracht aan Zwitserland in hun geval onevenredig hard is vanwege de door hen eerdergenoemde slechte ervaringen en het gebrek aan medische zorg in Zwitserland. Eiseres stelt dat zij naar aanleiding hiervan is getraumatiseerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. De rechtbank overweegt dat een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in deze verordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Hij gebruikt deze bevoegdheid als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Gelet op de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om de hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing van verweerder terughoudend.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de door eisers gestelde eerdere ervaringen voldoende meegewogen in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en heeft verweerder voor de motivering of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht onevenredig hard is, in redelijkheid kunnen verwijzen naar de motivering in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit geldt echter niet voor de aangevoerde medische situatie van eiseres die het gevolg is van de eerdere ervaringen.
De rechtbank is desondanks van oordeel dat verweerder ook ten aanzien van de medische situatie van eiseres zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die de overdracht aan Zwitserland onevenredig hard maken. Hierbij is van belang dat uit het door eiseres overgelegde medische dossier van de GZA niet is gebleken dat zij door de eerder gestelde nare ervaringen in Zwitserland zodanige psychische klachten heeft opgelopen dat die klachten niet (adequaat) in Zwitserland kunnen worden behandeld dan wel dat Nederland het meest aangewezen land is voor deze behandeling. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.