RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: VK25/13273
(gemachtigde: mr. H.K. Jap-A-Joe),
en
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw (hierna: een verblijfsdocument EU/EER). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de afwijzing tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, wel of niet terecht is.
De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsdocument EU/EER. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel voor eiseres heeft.
Procesverloop
Eiseres heeft op 19 juni 2024 een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend. Bij besluit van 30 januari 2025 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen.
Met het besluit van 29 mei 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft op 24 juni 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft op 3 april 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
Eiseres stelt van Surinaamse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2001. Eiseres heeft een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend om bij haar minderjarige kind genaamd [referent] (hierna: referent), geboren op [geboortedatum 2] 2016, te verblijven in Nederland. Referent heeft de Franse nationaliteit. Eiseres heeft naast referent nog drie jonge kinderen met de Franse nationaliteit. Alle kinderen van eiseres verblijven in Nederland.
Standpunten partijen
De minister heeft de aanvraag van eiseres inhoudelijk beoordeeld aan de hand van het arrest Zhu en Chen. De minister wijst de aanvraag – kort samengevat - af omdat eiseres niet beschikt over voldoende middelen van bestaan aangezien zij niet voldoet aan de inkomstennorm en daarnaast een aanvullende uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de weigering om een verblijfsdocument EU/EER af te geven, geen schending van artikel 8 van het EVRM oplevert.
Eiseres heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Het arrest Zhu en Chen
Eiseres voert aan dat het feit dat zij een aanvullend beroep doet op de algemene middelen niet zonder meer hoeft te betekenen dat zij geen aanspraak kan maken op een afgeleid verblijfsrecht. Er dient een belangenafweging te worden gemaakt. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat artikel 20 VWEU van toepassing is omdat dit artikel ziet op de rechten van burgers van de Unie. Aangezien de kinderen van eiseres over de Franse nationaliteit beschikken en daarmee Unieburgers zijn, is dit artikel ook op hen van toepassing, aldus eiseres.
De rechtbank overweegt dat een kind als minderjarige Unieburger, op grond van artikel 21 VWEU, onder omstandigheden kan worden aangemerkt als economisch niet-actief gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 7, eerste lid, onder b van Richtlijn 2004/38/EG, omgezet in artikel 8.12, eerste lid, onder b van het Vb, en dat een vreemdeling als verzorgende ouder een afgeleid verblijfsrecht kan hebben. Uit het arrest Zhu en Chen volgt dat een minderjarige burger van de Unie het recht heeft om in een andere lidstaat te verblijven en in dat kader te worden begeleid door de persoon die daadwerkelijk voor hem zorgt. De verzorgende ouder komt een verblijfsrecht toe als zij daadwerkelijk de minderjarige onderdaan verzorgt, er een ziektekostenverzekering voor de minderjarige is afgesloten en de bestaansmiddelen toereikend zijn om te voorkomen dat de minderjarige een last vormt voor de publieke middelen. Op grond van het bepaalde in artikel 3.74, lid 1, sub a, Vb wordt aangenomen dat de vreemdeling voldoende middelen van bestaan heeft, als het inkomen uit het eigen vermogen ten minste gelijk is aan het wettelijk minimumloon.
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiseres haar kinderen daadwerkelijk verzorgt. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geoordeeld dat eiseres niet voldoet aan het bepaalde in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b van het Vb omdat zij niet aan het middelenvereiste voldoet. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat eiseres niet aan de gestelde voorwaarden voldoet, omdat uit de door eiseres overgelegde documenten niet blijkt dat het inkomen uit arbeid boven het normbedrag is vastgesteld. Daarbij doet eiseres een aanhoudend beroep op de bijstand. De rechtbank overweegt verder dat eiseres geen concrete, bijzondere, persoonlijke of individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit strijd met de evenredigheid zou volgen. Het standpunt van eiseres tijdens de zitting dat zij geen onredelijk beroep op bijstand doet, volgt de rechtbank niet. Uit rechtsoverweging 47 van het arrest Zhu en Chen volgt namelijk het volgende:
“Derhalve moet aan de verwijzende rechterlijke instantie worden geantwoord dat artikel 18 EG en richtlijn 90/364, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, de minderjarige van jonge leeftijd die onderdaan is van een lidstaat, die is gedekt door een passende ziektekostenverzekering en ten laste komt van een ouder, die zelf onderdaan is van een derde staat en wiens bestaansmiddelen toereikend zijn om te voorkomen dat genoemde minderjarige ten laste komt van de overheidsfinanciën van de lidstaat van ontvangst , een recht verlenen om voor onbepaalde tijd op het grondgebied van deze laatste staat te verblijven. In dat geval geven deze zelfde bepalingen de ouder die daadwerkelijk voor die onderdaan zorgt het recht, met deze laatste in de lidstaat van ontvangst te verblijven.”
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat het niet uitmaakt of eiseres een redelijk of onredelijk beroep op bijstand doet. Het enkele feit dat eiseres een beroep op bijstand doet, maakt dat zij niet aan de voorwaarden voldoet. Het door eiseres ter zitting naar voren gebrachte standpunt dat de minister aan een lager percentage van de bijstandsnorm had moeten toetsen, kan reeds daarom onbesproken blijven.
De rechtbank overweegt verder dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het beroep van eiseres op artikel 20 VWEU, en daarmee het beoogde beroep op het arrest Chavez-Vilchez niet slaagt, omdat de kinderen van eiseres in het bezit zijn van de Franse nationaliteit en niet de Nederlandse nationaliteit. Tot slot merkt de rechtbank op dat het er vooralsnog op lijkt, dat eiseres wel in Frankrijk een beroep kan doen op het arrest Chavez-Vilchez. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 EVRM
Eiseres voert aan dat de minister in het bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met het gezinsleven van eiseres met haar kinderen. In de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft de minister, volgens eiseres, onvoldoende rekening gehouden met de belangen van haar minderjarige kinderen. Het gaat immers om jonge schoolgaande kinderen die geen binding meer hebben met Suriname.
De rechtbank volgt het standpunt van eiseres, dat er een onjuiste en onvolledige belangenafweging is gemaakt, niet. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van het EVRM er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en haar familie enerzijds, en het algemeen belang van de Staat anderzijds. De rechtbank moet beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij die belangenafweging heeft betrokken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangen van eiseres in het kader van artikel 8 van het EVRM kenbaar afgewogen tegen het belang van de Nederlandse Staat en voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. De minister heeft in het voordeel van eiseres meegewogen dat eiseres en haar kinderen al langere tijd aanwezig zijn in Nederland, zij de Nederlandse taal spreken en twee van haar vier kinderen hier ook naar school gaan. Daartegenover heeft de minister in het nadeel van eiseres mogen betrekken dat het hier gaat om een eerste toelating omdat eiseres nog nooit een verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad. Desondanks zijn eiseres en haar kinderen in Nederland een familieleven gaan uitoefenen zonder dat eiseres rechtmatig verblijf had. Dat het gezinsleven van eiseres en haar kinderen is gestart en geïntensiveerd zonder dat er sprake was van rechtmatig verblijf, komt daarmee voor haar eigen risico. Het recht op familieleven in artikel 8 van het EVRM biedt daarbij geen recht op een vrije woonplaatskeuze. Eiseres kan de keuze maken het familieleven met haar kinderen in Suriname voort te zetten. De aangegeven belemmeringen kunnen volgens de rechtbank niet worden aangemerkt als objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen. De kinderen hebben immers eerder in Suriname gewoond en hebben in Suriname toegang tot onderwijs en zorg. Ook heeft de minister het economisch belang van de Nederlandse Staat niet ten onrechte in het nadeel van eiseres mogen meewegen, omdat eiseres op het moment van het bestreden besluit een inkomen had dat niet aan het inkomstenvereiste voldoet en eiseres aanvullend een beroep doet op de openbare kas om in haar eigen levensonderhoud en in dat van haar kinderen te voorzien.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat de afwijzing van de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER niet in strijd is met artikel 8 EVRM. In het kader van de belangenafweging heeft de minister in het bestreden besluit alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen en in deze belangenafweging voldoende gemotiveerd waarom, in dit geval, de afweging in het nadeel van eiseres uitvalt. De beroepsgrond slaagt niet.
Verblijfsaantekening
Eiseres voert aan dat zij, als familielid van een Unieburger, de verblijfsaantekening ‘gemeenschapsonderdaan’ had moeten krijgen in plaats van de aantekening ‘voorlopige voorziening’ en dat zij door deze aantekening niet meer kan werken.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiseres niet is aan te merken als gemeenschapsonderdaan. Volgens artikel 1, aanhef en onder e, van de Vw, wordt verstaan onder gemeenschapsonderdaan:
‘’1° onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het EG-Verdrag gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven;
2° familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het EG-Verdrag genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.’’
De rechtbank heeft reeds, onder r.o. 5.3 en 5.4, geoordeeld dat eiseres niet onder de reikwijdte van de richtlijn valt en geen afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan het arrest Zhu en Chen. De minister heeft eiseres de aantekening ‘gemeenschapsonderdaan’ daarom mogen weigeren. De stelling van eiseres dat zij door de aantekening niet meer kan werken, volgt de rechtbank niet. Gelet op de ex-tunc toetsing die voor deze procedure geldt, moet de rechtbank het beroep beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het bestreden besluit aanwezig waren. Op dat moment was er nog geen aantekening in het paspoort van eiseres aanwezig en heeft eiseres gewoon kunnen werken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Jongmans, griffier.
De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.