[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan Opvang asielzoekers (COa),
(verweerder).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker van 25 augustus 2026 tegen de brief van verweerder van 25 augustus 2026 waarbij door verweerder aan verzoeker is meegedeeld dat – nu verzoeker op 27 maart 2026 een negatieve beschikking heeft ontvangen – de opvang en de daarbij behorende verstrekkingen op grond van de Rva 2005 per 2 september 2026 zullen worden beëindigd. Verzoeker vraagt om verweerder te gelasten de opvang niet te beëindigen. Bij brief van gelijke datum heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de brief van 25 augustus 2026. De rechtbank heeft verweerder tot tweemaal toe de gelegenheid gegeven om te reageren op het beroepschrift en het verzoekschrift, een reactie van verweerder is echter uitgebleven.
Omdat de voorzieningenrechter tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoeker daartegen. Artikel 8:86 van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter laat een zitting achterwege, gelet op artikel 8:54 van de Awb en artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
2. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Dit is – gelet op de aangekondigde beëindiging van verzoekers opvang en de daarbij behorende verstrekkingen op 2 september 2026 – het geval.
Is de voorzieningenrechter bevoegd van het verzoek kennis te nemen?
De voorzieningenrechter moet ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. In dit verband wordt het volgende overwogen.
Uit het procesdossier én hetgeen bij de voorzieningenrechter ambtshalve bekend is volgt dat de Minister van Veiligheid en Justitie (MinV&J) een door verzoeker op 26 januari 2026 ingediend asielverzoek bij besluit van 27 maart 2026 kennelijk ongegrond heeft verklaard op grond van artikel 31, eerste lid, Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Dit besluit heeft tot gevolg dat verzoekers recht op opvang vier weken later eindigt. Dit volgt uit artikel 45 van de Vreemdelingenwet (Vw) en artikel 7 van de Rva. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat nog niet is beslist op het door verzoeker ingediende beroep en daaraan connexe verzoekschrift tegen het afwijzende asielbesluit van 27 maart 2026.
Verzoeker verwijst naar een recente uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:18454), waarin is geoordeeld dat de COA-brief zelfstandig rechtsgevolg had, omdat is gebleken dat geen sprake was van een terugkeerbesluit op grond waarvan de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar was, zodat het bepaalde in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva niet van toepassing was. De rechtbank oordeelde in die uitspraak daarom dat de COa-brief zelfstandige rechtsgevolgen in het leven roept en daarmee als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb moet worden aangemerkt. Volgens verzoeker is deze uitspraak ook op hem van toepassing.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog. Anders dan in de zaak in de uitspraak van de rechtbank Arnhem het geval was, is in het geval van verzoeker wel sprake van een terugkeerbesluit. . Dit betekent dat de feitelijke beëindiging van de opvang volgt uit de meeromvattende beslissing van 27 maart 2026, gelezen in samenhang met artikel 45, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. De opvang wordt dus beëindigd, omdat verzoeker niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. De brief van verweerder van 25 augustus 2026 is er dus niet op gericht enig rechtsgevolg tot stand te brengen. Van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is dan ook geen sprake. Het is ook geen handeling van verweerder in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COA. De feitelijke beëindiging van de opvang strekt alleen tot uitvoering van het rechtsgevolg van het afwijzende asielbesluit van 27 maart 2026. Dit brengt met zich dat de rechtbank niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 18 mei 2005 en 22 maart 2018.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan hetgeen verder nog door verzoeker is aangevoerd onbesproken blijven.
Conclusie en gevolgen
4. Omdat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb acht de voorzieningenrechter zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep. Het verzoek om verweerder te gelasten de opvang niet te beëindigen wijst de voorzieningenrechter dus af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart zich kennelijk onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.J. Kambeel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 1 september 2026.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen verzet open.