RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49744
(gemachtigde: mr. R.P. Duijn),
en
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. De rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet niet aan de voorwaarden. Er is dus reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 26 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. De rechtbank heeft echter gelet op de ambtshalve toetsing in dit geval geen aanleiding gezien om de reactie van verweerder op het beroepsschrift af te wachten. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 1 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Amb-verordening. In de Amb-verordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Amb-verordening en een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank ziet in de door de minister en eiser verstrekte gegevens aanleiding om ambtshalve toetsend tot het oordeel te komen dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. De rechtbank legt dit hieronder verder uit.
In het bewaringsgehoor heeft eiser verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2010 en minderjarig is. Ook heeft eiser deze geboortedatum doorgegevens tijdens zijn strafrechtelijke aanhouding op 26 augustus 2026. De minister heeft in de maatregel vermeld dat eiser is geboren op [geboortedatum 2] 2000 en dat eiser gebruik heeft gemaakt van een valse geboortedatum. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser een valse geboortedatum heeft opgegeven. De minister baseert zijn informatie op de gegevens uit Eurodac. In Eurodac werd een resultaat gevonden met geboortedatum [geboortedatum 2] 2000, welk door Spanje is geregistreerd op 11 mei 2026 met nummer [nummer]. De minister heeft voor het opleggen van de maatregel navraag gedaan bij de Spaanse autoriteiten. De Spaanse autoriteiten hebben tot tweemaal toe laten weten dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Spanje en dat voor hem geen procedures in Spanje bekend zijn. De rechtbank is van oordeel dat de minister gelet op deze reacties van de Spaanse autoriteiten niet enkel op het Eurodac-resultaat mocht afgaan. Dit geldt temeer nu de minister ook niet is nagegaan waarop de registratie van de geboortedatum in Spanje is gebaseerd. Ook blijkt uit het dossier niet dat er een leeftijdsschouw heeft plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister gelet op dit alles onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat eiser meerderjarig is. Dit betekent dat in dit geval de minister terughoudend had moeten omgaan met het opleggen van de vreemdelingenbewaring en hieromtrent een nadere motivering moeten geven in de maatregel, nu er strengere voorwaarden gelden bij het opleggen van de maatregel van bewaring bij minderjarigen.
In het licht van het antwoord van Spanje dat eiser geen legaal verblijf heeft in Spanje en er voor hem geen procedures in Spanje bekend zijn, heeft de minister ook onvoldoende gemotiveerd dat er in dit geval een concreet aanknopingspunt is voor een overdracht aan Spanje in de zin van de Amb-verordening. Het had op de weg van de minister gelegen om dit nader te motiveren in de maatregel.
6. Aangezien de ambtshalve toetsing reeds leidt tot een gegrond beroep, ziet de rechtbank geen aanleiding om de door eiser aangevoerde beroepsgrond te bespreken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze
maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank
beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor zeven dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 6 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 880,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en voor de schriftelijke behandeling. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 880,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.