RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41420
(gemachtigde: mr. J. Eliya)
en
(gemachtigde: mr. E.E.G. van der Meulen).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 5 maart 2026 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 20 juli 2026 niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.41421, op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Het verzoek van eiser om de zitting met gesloten deuren te houden heeft de rechtbank afgewezen. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Aan het eind van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Bij beslissing van 17 augustus 2026 heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak heropend. Daarbij heeft de rechtbank de minister verzocht om zich nader uit te laten over een van de beroepsgronden van eiser. De minister heeft hierop bij bericht van 24 augustus 2026 gereageerd. Eiser heeft hier op 26 augustus 2026 zijn reactie op gegeven. Omdat partijen niet om een nadere zitting hebben verzocht, heeft de rechtbank het onderzoek vervolgens gesloten en zonder het houden van een nadere zitting uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Dat betekent ook dat eiser mag worden overgedragen aan Slowakije. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
4. Eiser heeft eerder in Nederland een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van
25 november 2024 is eisers asielaanvraag van 10 juli 2024 niet in behandeling genomen omdat Slowakije verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling daarvan. Dit besluit staat in rechte vast. Op 31 januari 2025 is eiser overgedragen aan Slowakije. Op 5 maart 2026 heeft eiser wederom een asielaanvraag ingediend in Nederland.
De minister heeft de autoriteiten van Slowakije op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening verzocht om de terugname van eiser. De Slowaakse autoriteiten hebben dit verzoek op 15 april 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Op 13 mei 2026 heeft een Aanmeldgehoor Dublin plaatsgevonden.
De minister heeft eiser op 16 juni 2026 bericht dat zijn procedure per
12 juni 2026 onder het toepassingsbereik van de Verordening betreffende Asiel- en migratiebeheer (Amb-verordening) valt.
Welk recht is van toepassing?
5. Eiser betoogt dat zijn aanvraag, het bestreden besluit en ook deze beroepsprocedure volledig worden beheerst door de Dublinverordening en het daarbij behorende (nationaalrechtelijke) procedurele kader. Daarbij beroept eiser zich op het overgangsrecht zoals dat volgt uit de Amb-verordening, het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel.
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving vastgesteld voor het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Ten tijde van het indienen van het verzoek van eiser was die regelgeving neergelegd in de Dublinverordening. Met ingang van 12 juni 2026 is de Dublinverordening ingetrokken en is de Amb-verordening van toepassing geworden. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat nieuw recht in beginsel onmiddellijke werking heeft en in beginsel ook van toepassing is op alle lopende procedures. Dit ligt slechts anders, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere overgangsbepalingen of wanneer het stadium waarin de betreffende procedure zich bevindt daartoe aanleiding geeft. In artikel 84 van de Amb-verordening zijn overgangsbepalingen opgenomen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn geregistreerd, de verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen aan de hand van de criteria van de Dublinverordening. Deze overgangsbepaling ziet dus uitsluitend op de aanwijzing van de verantwoordelijke lidstaat aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria. Voor het overige is vanaf 12 juni 2026 de Amb-verordening van toepassing. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel is dan ook, anders dan eiser stelt, geen sprake.
Artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening ziet op de situatie waarin aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria moet worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. De rechtbank neemt aan dat hiermee wordt gedoeld op de verantwoordelijkheidscriteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening. Het gaat daarbij om overnamesituaties. Die situatie doet zich hier niet voor. De minister heeft immers geen overnameverzoek gedaan, maar een verzoek tot terugname van eiser, dat Slowakije heeft aanvaard. De verantwoordelijkheid van Slowakije vloeit daarmee niet voort uit de toepassing van de verantwoordelijkheidscriteria waarop artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening betrekking heeft. De stelling van eiser tijdens de zitting dat het voor de vraag welk recht van toepassing is niet uitmaakt of sprake is van een overname- of terugnamesituatie volgt de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook niet. De conclusie is dan ook dat het overgangsrecht niet meebrengt dat op dit verzoek de Dublinverordening van toepassing is gebleven.
Omdat door eiser een beroep is gedaan op artikel 17 van de Dublinverordening licht de rechtbank toe waarom dit artikel, naar het oordeel van de rechtbank, niet onder het overgangsrecht valt. Naar het oordeel van de rechtbank behoort artikel 17 van de Dublinverordening niet tot de in artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening bedoelde verantwoordelijkheidscriteria. De toepassing van deze bepaling betreft niet de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Allereerst is daarbij van belang dat artikel 17 van de Dublinverordening geen onderdeel uitmaakt van hoofdstuk III van de Dublinverordening waarin de criteria voor het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat staan opgenomen. Verder betreft artikel 17 van de Dublinverordening een discretionaire bevoegdheid van een lidstaat om een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen, ook als hij daartoe op grond van de verantwoordelijkheidscriteria niet verplicht is. Bij de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening is er dus al een verantwoordelijke lidstaat vastgesteld. Over bijlage XII van de Uitvoeringsverordening, waarin artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening staat vermeld, overweegt de rechtbank dat dit het formulier is dat moet worden gebruikt bij overnamesituaties die nog onder de werking van de Dublinverordening vallen. Daarin wordt onder meer de mogelijkheid genoemd dat een andere lidstaat wordt verzocht om op grond van artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening de behandeling van een verzoek om internationale bescherming over te nemen. Dat betreft echter een geheel andere situatie dan terugnamezaken waarin de vraag voorligt of een niet-verantwoordelijke lidstaat gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de behandeling van de aanvraag aan zich te trekken. Daarbij merkt de rechtbank op dat bijlage XII een kopie is van bijlage I bij Verordening 1560/2003, de uitvoeringsverordening bij de Dublinverordening. Dat dit formulier integraal is overgenomen is voor de rechtbank onvoldoende reden om te veronderstellen dat de discretionaire bepalingen van artikel 17 van de Dublinverordening toch als verantwoordelijkheidscriteria gezien moeten worden.
De rechtbank merkt het bestreden besluit, anders dan eiser, daarom aan als een besluit op grond van en dat beheerst wordt door de Amb-verordening. Het betoog van eiser dat, ondanks het overgangsrecht in de Amb-verordening, in zijn geval toch de Dublinverordening van toepassing is gebleven, omdat de minister na het claimakkoord van 15 april 2026 en het Aanmeldgehoor Dublin van 13 mei 2026 onverklaard heeft stilgezeten en de procedure bewust over de datum van 12 juni 2026 heen heeft getild zodat de Amb-verordening van toepassing is en eiser een voornemen, en daarmee gelegenheid tot het indienen van een zienswijze, kon worden onthouden, volgt de rechtbank niet. De minister heeft bij bericht van 24 augustus 2026 desgevraagd toegelicht dat hij zo veel mogelijk vóór 12 juni 2026 heeft geclaimd, gehoord en voornemens en besluiten heeft uitgebracht in het geval van asielaanvragen waarbij een andere lidstaat verantwoordelijk werd gehouden voor de behandeling daarvan, zodat deze aanvragen volledig onder de Dublinverordening konden worden afgedaan. De minister geeft aan dat eisers zaak onvoldoende bij hem in beeld was, waardoor deze werkwijze niet op eisers zaak is toegepast. Van welbewust (niet) handelen zodat op eiser een voor hem nadeliger regime van toepassing werd, is geen sprake geweest. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze toelichting van de minister. Eisers reactie op dit punt kan hieraan niet afdoen. Dat ook een administratieve misslag tot gevolg zou moeten hebben dat overgangsrecht in het geval van eiser buiten toepassing moet blijven, volgt de rechtbank niet. Eisers beroepsgrond slaagt dus niet. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat ook als eiser in zijn betoog op dit punt zou moeten worden gevolgd, het zeer de vraag is of dat tot gevolg kan hebben dat Unierechtelijk bepaald overgangsrecht terzijde kan worden geschoven.
De rechtbank volgt ook niet het betoog van eiser dat het bestreden besluit rust op een innerlijk tegenstrijdig toetsingskader door de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat te baseren op de Dublinverordening en de verplichtingen van eiser en het beoordelingskader te ontlenen aan de Amb-verordening. Dat geldt ook voor eisers betoog dat, omdat de verantwoordelijkheid van Slowakije en het claimakkoord zijn gebaseerd op een ingetrokken instrument (de Dublinverordening), de grondslag aan het bestreden besluit is komen te ontvallen omdat de minister niet nader heeft gemotiveerd op grond van welke bepaling uit de Amb-verordening de verantwoordelijkheid van Slowakije en de geldigheid van een onder de Dublinverordening tot stand gekomen claimakkoord, rust. De rechtbank verwijst allereerst naar de omstandigheid dat de Dublinverordening met ingang van 12 juni 2026 is ingetrokken en naar het overgangsrecht zoals neergelegd in artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening en de uitleg die zij aan deze bepaling geeft. De verantwoordelijkheid van Slowakije kon, mede gelet op de van toepassing zijnde beperkte termijnen, niet anders dan op grond van de Dublinverordening worden vastgesteld en het claimakkoord is noodzakelijkerwijs ook onder de Dublinverordening tot stand gekomen. Uit artikel 83 van de Amb-verordening volgt dat verwijzingen naar de ingetrokken Dublinverordening gelden als verwijzingen naar de Amb-verordening en gelezen worden volgens de concordantietabel in bijlage II bij de Amb-verordening.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van onderhavig beroep uit van artikel 43 van de Amb-verordening. Dit artikel bepaalt dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de beoordeling van de omstandigheden die in dat artikellid zijn genoemd, namelijk of: a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het EU Handvest; b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; of c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, eerste lid, onder a), overgenomen personen.
Is de feitelijke en juridische grondslag van het claimakkoord voldoende duidelijk?
6. Eiser betoogt dat de minister zich onvoldoende heeft vergewist van de juistheid van de feitelijke en juridische grondslag van de verantwoordelijkheid van Slowakije. Daartoe voert eiser aan dat het claimakkoord van Slowakije van 15 april 2026 innerlijk tegenstrijdig is omdat het twee onderling onverenigbare terugnamegrondslagen vermeldt, namelijk zowel artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, als artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Verder blijkt de in het terugnameverzoek genoemde in Slowakije geregistreerde asielaanvraag van 13 januari 2026 niet uit het Eurodac-zoekresultaat waarmee het claimverzoek dus onjuiste informatie bevat. Ook is het onduidelijk wat de status is van de eerder aan eiser verleende Slowaakse verblijfstitel voor het verrichten van arbeid. De minister had zich volgens eiser nader door de Slowaakse autoriteiten moeten laten informeren over de feitelijke grondslag van de overdracht, en de procedurele positie van eiser in Slowakije.
Deze beroepsgrond kan niet leiden tot het door eiser daarmee beoogde resultaat. Eiser heeft onvoldoende toegelicht, en het is de rechtbank ook niet gebleken, dat deze beroepsgrond raakt aan één van de omstandigheden genoemd in artikel 43 van de Amb-verordening waarover de rechtbank zich in dit beroep kan uitlaten.
Ten overvloede wijst de rechtbank nog op het volgende. Op de zitting heeft de minister desgevraagd toegelicht dat de in het claimverzoek genoemde datum van 13 januari 2026 een verschrijving betreft en dit 31 januari 2025 had moeten zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat in het claimverzoek inderdaad sprake is geweest van een verschrijving van de minister. De verschrijving van de minister heeft geen consequenties. Onder de Dublinverordening, die van toepassing was op het moment van het terugnameverzoek en het akkoord daarop van Slowakije, moest een verzoek tot terugname bewijsmiddelen of indirecte bewijzen en/of relevante elementen uit de verklaringen van de betrokken persoon bevatten op grond waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat konden nagaan of deze lidstaat op grond van de criteria van deze verordening verantwoordelijk was. Bij het claimverzoek aan Slowakije heeft de minister de resultaten van de Eurodac-bevraging gevoegd waarop de juiste informatie vermeld staat. De Slowaakse autoriteiten waren daarmee voldoende in staat om te bepalen of zij al dan niet verantwoordelijk waren voor de behandeling van eisers verzoek. Daarbij komt nog dat de Slowaakse autoriteiten zelf bij uitstek degenen zijn die weten wanneer eiser in Slowakije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Voor die informatie zijn zij niet afhankelijk van door de minister verstrekte informatie. De onjuiste informatie in het claimverzoek heeft er dan ook niet toe geleid dat de Slowaakse autoriteiten zijn belemmerd in het besluit tot vaststelling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielverzoek. Ook ten overvloede merkt de rechtbank op dat het claimakkoord geen innerlijke tegenstrijdigheid bevat. Uit het claimakkoord volgt duidelijk dat de Slowaakse autoriteiten zich verantwoordelijk achten enkel en alleen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Daar waar in het claimakkoord artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening wordt genoemd, ziet dat op de grond waarop Nederland het claimverzoek heeft gebaseerd. Dat in het bestreden besluit staat dat de Slowaakse autoriteiten zich verantwoordelijk hebben geacht op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening vormt, zo heeft de minister op de zitting desgevraagd ook aangegeven, eveneens een verschrijving. Dat doet echter niet af aan de conclusie dat het claimakkoord eenduidig is over de grondslag waarop Slowakije met de terugname van eiser akkoord is gegaan. De minister hoefde zich niet nader te vergewissen van de feitelijke en juridische grondslag van het claimakkoord. Ook als de rechtbank deze beroepsgrond van eiser wel inhoudelijk beoordeelt, waartoe zij niet is gehouden, slaagt deze dus niet.
Zijn eiser op de zaak betrekking hebbende stukken onthouden en is sprake van strijd met het verdedigingsbeginsel?
7. Eiser betoogt dat sprake is van schending van artikel 5, zesde lid, van de Dublinverordening, de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het (Unierechtelijke) verdedigingsbeginsel. Daartoe voert eiser aan dat hem tijdens de besluitvormingsfase ten onrechte geen afschrift is verstrekt van het rapport Aanmeldgehoor Dublin, terwijl het bestreden besluit mede is gebaseerd op dit rapport van gehoor. De feitelijke grondslag van het bestreden besluit – namelijk dat wat eiser heeft verklaard over zijn eerdere ervaringen in Slowakije en zijn bezwaren tegen een hernieuwde overdracht – en de vraag of de minister de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden heeft vergaard, zijn hierdoor voor eiser en de rechtbank niet controleerbaar op volledigheid en juistheid. Het recht om te worden gehoord omvat volgens eiser ook het recht om kennis te nemen van het verslag daarvan en daarop te reageren. Eiser is in de bestuurlijke fase iedere mogelijkheid van tegenspraak ontnomen waardoor hij ook niet de voor het besluit dragende feitenvaststelling heeft kunnen weerspreken. Doordat hem geen rapport van gehoor is verstrekt, heeft eiser namelijk geen mogelijkheid gehad tot het indienen van correcties en aanvullingen. Ook heeft eiser geen zienswijzemogelijkheid gehad. Over dit laatste betoogt eiser dat hem, nu zijn procedure is aangevangen vóór 12 juni 2026 en dus wordt beheerst door de Dublinverordening en het bijbehorende nationale procedurele kader dat voorzag in een voornemenprocedure, die mogelijkheid ten onrechte is onthouden. Het met onmiddellijke ingang ontnemen van een zienswijzemogelijkheid in een lopende procedure verdraagt zich volgens eiser niet met het rechtszekerheids- en verdedigingsbeginsel. De cumulatie van gebreken is volgens eiser onverenigbaar met het verdedigingsbeginsel en artikel 47 van het EU Handvest. Eiser wijst ook op artikel 27 van de Dublinverordening.
Deze beroepsgrond slaagt deels. Anders dan de minister tijdens de zitting heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat zij zich over deze beroepsgrond kan uitlaten. Niet alleen raakt deze beroepsgrond aan het in de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel, tijdens het gehoor op 13 mei 2026 is eiser in de gelegenheid gesteld om zijn eerdere ervaringen in Slowakije en zijn bezwaren tegen een (hernieuwde) overdracht aan Slowakije kenbaar te maken en dat raakt aan de vraag of een overdracht een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling inhoudt in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. Over dit laatste kan de rechtbank zich gelet op artikel 43 van de Amb-verordening uitlaten.
De minister heeft op de zitting erkend dat aan eiser eerst in beroep een afschrift van het Aanmeldgehoor Dublin is verstrekt. Dat acht de rechtbank onzorgvuldig. In zoverre is dus sprake van een gebrek. De rechtbank stelt echter vast dat eiser aan een gehoor is onderworpen waarin hij zijn ervaringen in en bezwaren tegen een nieuwe overdracht aan Slowakije naar voren heeft kunnen brengen. Die verklaringen heeft de minister in het bestreden besluit betrokken. Niet is gebleken dat het bestreden besluit op dat punt niet volstaat. In beroep heeft eiser kunnen reageren op het alsnog verstrekte verslag van gehoor. Dat heeft eiser ook gedaan middels het aanvullen dan wel nader duiden van de verklaringen die hij tijdens het gehoor heeft afgelegd over zijn eerdere ervaringen in Slowakije en zijn bezwaren tegen een nieuwe overdracht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn reactie op het verslag van gehoor aanleiding zou (moeten) geven tot een andersluidend besluit. De rechtbank komt gelet hierop tot de conclusie dat eiser door het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek niet in zijn belangen is geschaad en passeert dit gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Dat daarvoor geen aanleiding zou bestaan, zoals eiser betoogt, volgt de rechtbank niet.
De beroepsgrond van eiser dat hem ten onrechte een voornemen, en daarmee een zienswijzemogelijkheid, is onthouden slaagt niet. Met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet) is per 12 juni 2026 de (nationaalrechtelijke) voornemenprocedure afgeschaft. De artikelen die daarop betrekking hadden, zijn met onmiddellijke werking komen te vervallen. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om met onmiddellijke ingang, dus ook toegepast op lopende aanvragen voor het verlenen van een asielvergunning waarin nog geen voornemen is uitgebracht, de voornemenfase te laten vervallen. De uitzonderingen hierop, die staan genoemd in artikel 9, onder 1, van de Uitvoerings- en implementatiewet, doen zich in het geval van eiser niet voor. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar paragraaf 12 ‘Overgangsrecht en inwerkingtreding’ van de Memorie van Toelichting Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld, is het uitgangspunt bij het nemen van een besluit dat het op dat moment geldende recht moet worden toegepast en dat de enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een minder gunstige positie komt, onvoldoende is om van dit uitgangspunt af te wijken, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Een bijzonder geval doet zich hier, mede gelet op wat onder 5.3 is overwogen, volgens de rechtbank niet voor. De rechtbank wijst er hierbij nog op dat het Unierecht geen voornemenprocedure voorschrijft.
Loopt eiser in Slowakije een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest?
8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderzocht en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij in Slowakije geen reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest. Daartoe voert eiser aan dat de risico’s die hij loopt op geweld en discriminatie in Slowakije gelet op zijn verklaringen concreet zijn en zich al hebben verwezenlijkt tijdens zijn eerdere verblijf in het land. Eiser is in Slowakije namelijk bij herhaling racistisch, xenofoob en homofoob bejegend, bedreigd en mishandeld door zowel Slowaken als leden van de Arabische en Syrische gemeenschap vanwege zijn biseksuele gerichtheid, het behoren tot de Alawieten en zijn geloofsverlating. Van eiser kan niet worden verlangd dat hij zijn seksuele gerichtheid, afkomst of levensovertuiging in Slowakije verbergt of terughoudend uitdraagt. In beroep voegt eiser hieraan toe dat hij in Slowakije het slachtoffer is geworden van arbeidsuitbuiting en hij geen hulp heeft ontvangen van betrokken politieagenten. De politieagenten lieten zich omkopen door zijn werkgever die hem uitbuitte. Bij overdracht zal eiser, zonder netwerk en veilige gemeenschap, voor zijn levensonderhoud wederom zijn aangewezen op dezelfde informele arbeidsmarkt als waarin hij al is uitgebuit. Hieraan heeft de minister ten onrechte geen overweging gewijd in het bestreden besluit. Eiser wijst erop dat informatie uit openbare en gezaghebbende bronnen zijn persoonlijke ervaringen in Slowakije onderbouwt. In Slowakije is namelijk sprake van een vijandig maatschappelijk en politiek klimaat jegens LHBTI en mensen met een migratieachtergrond en van corruptie binnen het politie- en justitieapparaat. Onder deze omstandigheden kan de minister voor wat betreft de motivering van de vraag of zich een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest voordoet bij terugkeer naar Slowakije volgens eiser niet volstaan met ‘sjabloonmatige’ verwijzingen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de omstandigheid dat Slowakije partij is bij het EVRM. Bij het voorgaande komt nog de praktijk van (grens)detentie van en de gebrekkige omstandigheden in gesloten locaties in Slowakije. Detentie voor een biseksuele asielzoeker is volgens eiser eens te meer risicovol. Onder deze omstandigheden heeft de minister onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest zich bij terugkeer naar Slowakije niet voordoet. Ook kan de minister in de gegeven omstandigheden niet volstaan met de overweging dat eiser zich in het geval van problemen of bij een noodzaak tot bescherming moet wenden tot de Slowaakse autoriteiten. De minister heeft volgens eiser bovendien ten onrechte geen kenbare overweging gewijd aan zijn bijzondere kwetsbaarheid en ten onrechte voorafgaand aan de overdracht geen individuele garanties verkregen van Slowakije over de verstrekking van (veilige) opvang, bestaansvoorzieningen, veiligheid en toegang tot de procedure. Zijn bijzondere kwetsbaarheid is volgens eiser gelegen in zijn biseksuele gerichtheid, het behoren tot de Alawieten, zijn afvalligheid van de islam en de ondergane mishandelingen in Slowakije.
Bij de beoordeling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling ingediend asielverzoek mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dat vermoeden is weerlegbaar en het is aan de vreemdeling om dat vermoeden te weerleggen. Overdracht aan een andere lidstaat is uitgesloten als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling als gevolg van de overdracht aan die lidstaat een reëel risico zou lopen op schending van zijn of haar grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die de vreemdeling heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. Als blijkt van tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van het EU Handvest te leiden. Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten.
Eisers beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen gegronde redenen zijn dat een overdracht van eiser aan Slowakije leidt tot een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest en voor Slowakije niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank stelt vast dat eiser op de zitting heeft verklaard dat de door hem in Slowakije (vanwege het zijn van biseksueel, Alawiet en afvallige van de islam) ervaren discriminatie, racistische, xenofobe en homofobe bejegening, bedreigingen, fysieke mishandeling, arbeidsuitbuiting en corruptie binnen de politie, zich niet hebben voorgedaan nadat hij op 31 januari 2025 door Nederland is overgedragen aan Slowakije, maar dat deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden vóórdat eiser zich de eerste keer vanuit Slowakije naar Nederland begaf. Eisers verklaringen hierover zijn al betrokken in de eerdere asielprocedure die hij in Nederland heeft doorlopen en hierover heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, zich in de uitspraak van 16 januari 2025 al uitgelaten. Die uitspraak is in rechte onaantastbaar. Daarbij blijft staan dat ook nu niet is gebleken dat eiser zich voor hulp of bescherming, bijvoorbeeld vanwege onheuse bejegening die hij vanwege zijn biseksualiteit van Slowaken vreest te ondervinden, niet kan wenden tot de (hogere) Slowaakse autoriteiten of andere bevoegde instanties en evenmin dat deze hem niet kunnen of willen helpen of beschermen. De minister verwacht dan ook terecht van eiser dat hij, als dat nodig is, zijn beklag doet bij de Slowaakse autoriteiten of andere bevoegde instanties. Op de minister rust in dit verband geen nadere onderzoeksplicht. Over eisers vrees dat hij in Slowakije wederom slachtoffer zal worden van arbeidsuitbuiting merkt de rechtbank op dat eiser als asielzoeker in Slowakije recht heeft op materiële opvangvoorzieningen en/of een financiële toelage.
Voor wat betreft de vreemdelingenbewaring die eiser als terugkeerder vreest, kon eiser op de zitting desgevraagd niet aanwijzen waar in de door hem ingeroepen algemene landeninformatie – waaruit dat volgens hem zou volgen – staat dat terugkeerders in Slowakije (standaard) in vreemdelingenbewaring worden geplaatst. De rechtbank heeft zulke informatie in de betreffende rapporten niet aangetroffen. Daarom passeert de rechtbank dit betoog van eiser. Voor zover eiser zijn vrees in dit verband heeft willen onderbouwen met zijn eigen verklaring op zitting dat hij na zijn eerdere overdracht aan Slowakije zeven dagen in vreemdelingenbewaring is geplaatst, merkt de rechtbank op dat, wat ook van die verklaring zij, vreemdelingenbewaring op zichzelf nog niet onrechtmatig hoeft te zijn. Eiser heeft niet toegelicht waarom sprake was van onrechtmatige vreemdelingenbewaring.
Omdat eiser tijdens de zitting desgevraagd ook niet heeft kunnen duiden waar in de door hem ingeroepen rapporten is terug te vinden dat sprake is van corruptie binnen de Slowaakse politie en justitie, passeert de rechtbank dit betoog eveneens vanwege gebrek aan onderbouwing.
Eisers betoog dat hij een bijzonder kwetsbare vreemdeling is en gelet daarop, conform het arrest Tarakhel, de minister ten onrechte geen aanvullende garanties heeft gevraagd bij Slowakije, slaagt niet. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat ook anderen dan gezinnen met jonge kinderen bijzonder kwetsbaar kunnen zijn als bedoeld in het arrest Tarakhel. De bewijslast dat hij bijzonder kwetsbaar is als bedoeld in dit arrest en dat daarom in zijn geval voor Slowakije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, ligt echter bij eiser. Eiser heeft niet met concrete en objectieve gegevens onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat zonder aanvullende individuele garanties niet is gewaarborgd dat hij na overdracht adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen in Slowakije. Het (gesteld) zijn van biseksueel, Alawiet en afvallige van de islam, is daartoe onvoldoende omdat daarmee niet is gezegd dat eiser geen adequate toegang heeft tot zorg- en opvangvoorzieningen. Eiser kan zich hierbij ook niet beroepen op zijn eerdere ervaringen in Slowakije. Tijdens zijn eerste verblijf in Slowakije verbleef eiser daar immers niet als asielzoeker. Tijdens zijn tweede verblijf in Slowakije is hij, naar eigen zeggen, na zeven dagen uit detentie vrijgelaten en vervolgens direct naar Nederland teruggekeerd. De minister hoefde dan ook geen aanvullende individuele garanties te verkrijgen bij de Slowaakse autoriteiten.
Omdat eiser zijn beroep op het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië op de zitting heeft ingetrokken, gaat de rechtbank hier in deze uitspraak niet op in.
Had de minister eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling moeten nemen?
9. Voor zover eiser betoogt dat de minister ten onrechte en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om eisers asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen, kan dit betoog niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat. Uit artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening volgt dat de toepassing van de discretionaire bevoegdheid, neergelegd in artikel 35 van de Amb-verordening, buiten de omvang van de rechterlijke toetsing valt. Eiser heeft niet toegelicht dat er een verband is tussen deze beroepsgrond en de in artikel 43 van de Amb-verordening genoemde omstandigheden waarover de rechtbank zich in een beroep tegen een overdrachtsbesluit kan uitlaten. Eiser kan hiertegen dan ook niet in rechte opkomen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag in stand blijft en dat eiser mag worden overdragen aan Slowakije. Vanwege het onder 7.1.1 geconstateerde gebrek in de besluitvorming bestaat aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 bij een wegingsfactor 1). Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.