RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41982
(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eiser wenst in Nederland te verblijven bij zijn meerderjarige broer (referent). Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voor een vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt. Daarbij stelt verweerder (onder meer) dat geen sprake is van beschermingswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van beschermingswaardig familieleven tussen eiser en referent. Verweerder heeft daarom de aanvraag voor een verblijfsvergunning terecht afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 juni 2024 afgewezen. Aan eiser is ook een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank (zittingsplaats Rotterdam) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als referent, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1991 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Referent (eisers broer) is geboren op [geboortedag 2] 1995. Eiser is Nederland voor het eerst ingereisd in 2009 en beschikte tussen 9 september 2009 en 15 maart 2013 over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Op 23 december 2014 is eiser uitgezet naar Marokko. Eiser is Nederland op 21 december 2023 opnieuw ingereisd met een visum kort verblijf voor 30 dagen omdat zijn vader op sterven lag.
Op 25 januari 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel – zo heeft de gemachtigde naderhand telefonisch bevestigd richting verweerder – ‘familie en gezin’. Zowel eiser als referent waren op dat moment meerderjarig. Omdat de aanvraag niet compleet was, is eiser vervolgens in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. In de brief van 26 april 2024 is specifiek gewezen op het belang van een nadere toelichting en documenten die de toelichting onderbouwen. De gevraagde informatie is niet aangeleverd. Met het besluit van 12 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikte over een mvv en eiser niet in aanmerking kwam voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. In dat kader heeft verweerder onder meer gesteld dat geen sprake is van beschermingswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM omdat eiser niet heeft uitgelegd en met stukken heeft aangetoond dat – volgens de destijds gebruikte formulering – sprake was van een meer dan normale afhankelijkheid tussen hem en referent. Ook heeft eiser volgens verweerder niets aangevoerd waaruit volgt dat sprake was van privéleven waarvoor eiser aan Nederland is gebonden. De uitzetting is volgens verweerder daarom niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.
Met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd. Voor zover relevant voor deze procedure heeft eiser volgens verweerder (nog steeds) niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid waardoor niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM (familieleven). Verweerder heeft in dat verband aangegeven dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat referent verstandelijk beperkt is en wegens die beperking zonder aanwezigheid van eiser niet kan functioneren. Daarbij wijst verweerder op het feit dat eiser tussen 23 december 2014 en 21 december 2023 in Marokko woonde en toen ook niet voor referent heeft gezorgd, terwijl er nog andere familieleden van referent in Nederland wonen die ook voor referent kunnen zorgen. Verder stelt verweerder dat eiser niet heeft onderbouwd dat sprake is van een exclusieve afhankelijkheid vanwege de traditionele culturele opvattingen over de zorg. Omdat eiser volgens verweerder in bezwaar een herhaling van zetten heeft gegeven en geen concrete en specifiek op eiser van toepassing zijnde feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die in eerste aanleg nog niet bekend waren, heeft verweerder onder verwijzing naar rechtspraak afgezien van het horen van eiser.
Toetsingskader
4. Een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een mvv en de vreemdeling niet voor een vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt. Van het mvv-vereiste is onder meer vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM.
Artikel 8 van het EVRM beschermt onder meer het recht op eerbieding van het familieleven en is erop gericht de vreemdeling in staat te stellen familieleven uit te oefenen met een in Nederland verblijvend familielid. Daartoe moet eerst worden vastgesteld of sprake is van beschermingswaardig familieleven. Uit rechtspraak volgt dat bij relaties tussen meerderjarige familieleden (bijvoorbeeld bij broers) voor het aannemen van beschermingswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen (“further elements of dependency involving more than normal emotional ties”). Daarbij wordt gekeken naar verschillende elementen, waaronder of de familieleden eerder hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst. Het betreft een beoordeling van feitelijke aard. Verweerder moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen bestaan. De bestuursrechter moet vervolgens het onderzoek van verweerder naar de door de vreemdeling aangedragen relevante feiten en omstandigheden en de gegeven motivering over of er familieleven bestaat, volledig toetsen. Bij de weging van de verschillende elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
Is er sprake van beschermingswaardig familieleven tussen eiser en referent?
5. Eiser betoogt onder verwijzing naar voornoemde rechtspraak en het arrest Martinez Alvarado dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referent en daarom sprake is van beschermingswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarbij voert eiser aan dat uit de medische en ondersteunende stukken blijkt dat referent dusdanig ziek en zorgbehoevend is dat enkel en alleen eiser de noodzakelijke mantelzorg kan verlenen. Eiser voegt daaraan toe dat zijn fysieke aanwezigheid in Nederland ertoe leidt dat de medische toestand van referent stabiel blijft en verergering wordt voorkomen.
De rechtbank overweegt dat uit het door eiser aangehaalde arrest Martinez Alvarado volgt dat, om te kunnen spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid op medische gronden, de ziekte of handicap in ieder geval voldoende ernstig moet zijn ("physical or mental disability of sufficient seriousness") en de desbetreffende persoon om die reden constante zorg en ondersteuning van familieleden nodig heeft. Dat sluit niet uit dat – wanneer de medische problemen op zichzelf onvoldoende ernstig zijn om te kunnen spreken van bijkomende elementen van afhankelijk – de medische problemen samen met andere door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden alsnog tot die conclusie (dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid) kunnen leiden.
Tussen partijen staat niet (meer) ter discussie dat referent verstandelijk beperkt is. Anders dan eiser aanvoert, betekent dat niet automatisch dat sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid. In dat kader heeft verweerder terecht overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat referent vanwege zijn verstandelijke beperking constante zorg en ondersteuning van zijn familie nodig heeft, zoals overwogen in het arrest Martinez Alvarado. Uit de verklaringen van de begeleider bij de zorginstelling waar referent onder behandeling staat en de huisarts van referent volgt weliswaar dat de aanwezigheid van eiser een (meer dan) positieve uitwerking heeft op referent, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat die aanwezigheid ook noodzakelijk is voor referent om te kunnen functioneren in het dagelijks leven. Daarbij is van belang dat referent ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat eiser hem helpt bij het schoonmaken, opstaan en het bijwonen van afspraken en die zorg eerst, in de jaren waarin eiser in Marokko verbleef, werd verleend door een begeleider bij de zorginstelling, zijn ex-vrouw en andere familieleden. Dat het voor referent prettiger is – zoals hij ter zitting heeft toegelicht – dat zijn broer hem helpt in plaats van een begeleider bij de zorginstelling, vindt de rechtbank begrijpelijk, maar leidt niet tot een ander oordeel. Omdat eiser in beroep geen andere feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die zelfstandig of in samenhang met de medische klachten kunnen leiden tot bijkomende elementen van afhankelijkheid, komt de rechtbank – de weging van verweerder met betrekking tot de bijkomende elementen van afhankelijkheid enigszins terughoudend toetsend – tot het oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarmee komt eiser niet in aanmerking voor een vrijstelling van het mvv-vereiste en heeft verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht afgewezen vanwege het ontbreken van een mvv.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voor zover de verwijzing door eiser naar het feit dat eiser en referent al jaren in Nederland verblijven en referent hier zijn sociale en medische netwerk heeft moet worden opgevat als een beroep op de aanwezigheid van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank dat deze stelling – zoals verweerder terecht heeft opgemerkt – niet is toegelicht en met stukken is onderbouwd. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat – mede onder verwijzing naar het feit dat eiser lang in Marokko heeft gewoond waaronder tussen 23 december 2014 en 21 december 2023 zodat wordt verondersteld dat eiser in Marokko nog privéleven heeft – eiser in dit geval geen privéleven heeft in Nederland dat valt onder de reikwijdte van artikel 8 van het EVRM.
Omdat geen sprake is van beschermingswaardig familieleven of privéleven heeft verweerder geen belangenafweging hoeven maken en komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de beroepsgrond gericht tegen die belangenafweging, waarbij eiser aanvoert dat er belemmeringen zijn waardoor eiser en referent hun familieleven niet in Marokko kunnen uitoefenen.
Is eiser ten onrechte niet gehoord?
6. Eiser betoogt verder dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar zodat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser wijst daarbij expliciet op rechtspraak waaruit volgt dat er moet worden gehoord als er nog onduidelijkheden zijn in het feitencomplex of waarin een vreemdeling niet alle bewijsstukken kan overleggen.
De rechtbank overweegt dat het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarfase. Alleen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden afgezien van het horen. Dat horen uitgangspunt is, geldt te meer als sprake is van beoordelingsruimte waarbij de omstandigheden van het geval sterk verweven zijn met de uiteindelijke uitkomst, bijvoorbeeld bij zaken waarin artikel 8 EVRM-aspecten aan de orde zijn. In situaties waarin een vreemdeling in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of de situatie waarin er – om welke reden dan ook – nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan, komt een bijzonder belang toe aan de hoorzitting. Als vuistregel geldt dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem of haar uit te nodigen voor een hoorzitting.
De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht hier niet is geschonden. De rechtbank licht dit als volgt toe. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiser ten tijde van het nemen van het primaire besluit – ondanks dat verweerder eiser de mogelijkheid had geboden de aanvraag aan te vullen met een nadere toelichting en bewijsstukken – incompleet was. Ten opzichte van die aanvraag heeft eiser in bezwaar een nadere toelichting gegeven en aangegeven waarom naar zijn mening de medische klachten van referent leiden tot de conclusie dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referent en daarmee sprake is van beschermingswaardig gezinsleven. Ter onderbouwing van deze stelling is in bezwaar uitsluitend de eerdergenoemde verklaring van de begeleider van referent bij de zorginstelling ingebracht. Eiser heeft verder geen andere documenten overgelegd. De door verweerder opgevraagde bijlagen, zoals de ‘Bijlage verklaring referent’ of de ‘Bijlage bijkomende elementen van afhankelijkheid’, zijn, ondanks een toezegging deze op te laten stellen en toe te zenden, zonder nadere toelichting niet opgestuurd. Ter zitting heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het eiser duidelijk moet zijn geweest welke informatie nog benodigd was. In de brief van 26 april 2024 heeft verweerder voorafgaand aan het primaire besluit al gewezen op de ontbrekende informatie en het belang bij het verstrekken van een nadere toelichting en bewijsstukken ten aanzien van onder meer de aanwezigheid van beschermingswaardig familieleven en privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. In deze brief heeft verweerder verschillende omstandigheden benoemd die relevant kunnen zijn voor het vaststellen van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ook op andere plekken is aangegeven bewijsstukken mee te sturen. In het primaire besluit heeft verweerder expliciet gewezen op het ontbreken van die nadere toelichting en de onderbouwing daarvan, op grond waarvan de aanvraag wordt afgewezen. Desondanks zijn geen andere stukken ingebracht dan de verklaring van de begeleider bij de zorginstelling. Dat eiser wel heeft verzocht om een hoorzitting maakt het voorgaande niet anders omdat hij niet heeft onderbouwd welk belang hij daarbij heeft. De rechtbank overweegt verder dat, anders dan eiser lijkt te betogen, een hoorzitting niet is bedoeld om in algemene zin de gelegenheid te bieden om nieuwe gezichtspunten naar voren te brengen. Het is aan eiser om in het bezwaarschrift naar voren te brengen waarom hij zich niet kan verenigen met het primaire besluit. Als eiser dat nalaat, kan verweerder besluiten het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren en van horen af te zien. Voor zover zich omstandigheden zouden hebben voorgedaan die ertoe hebben geleid dat eiser werd belemmerd om bepaalde gevraagde informatie aan te leveren, is het aan eiser om aan te geven welke informatie nog ontbrak en waarom die informatie niet kon worden aangeleverd. Dat heeft eiser hier niet gedaan. Ook in beroep maakt eiser niet duidelijk welke informatie nog aangeleverd had kunnen worden en op welke wijze die informatie tot een ander oordeel had moeten leiden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd bevestigd dat er niet meer stukken zijn dan zijn overgelegd. Ondanks dat dus vaststaat dat eiser in bezwaar ten opzichte van de aanvraag wel nieuwe informatie heeft verstrekt (en in zoverre geen sprake is van – zoals verweerder stelt in het bestreden besluit – een herhaling van zetten), heeft verweerder die informatie onvoldoende concreet en specifiek kunnen achten zodat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat het bezwaar van eiser niet zou leiden tot een andersluidend standpunt, zodat verweerder om die reden heeft kunnen afzien van het horen van eiser.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krijgt en hij moet terugkeren naar Marokko. Eiser krijgt geen gelijk. Hij krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.