RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48158
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 20 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. H. Palanciyan als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Er is geen tolk verschenen. Eiser heeft ter zitting alsnog toestemming verleend de zaak schriftelijk af te doen. Eiser heeft daarop op 27 augustus 2026 gronden van beroep ingediend. De minister heeft daarop op 28 augustus 2026 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten op 28 augustus 2026 om 17:01 uur.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Dat er een risico op onderduiken bestaat betekent niet dat eiser automatisch in bewaring gesteld mag worden. De minister had een individuele beoordeling moeten maken of de maatregel echt noodzakelijk en evenredig was of dat met een lichter middel kon worden volstaan.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft gemotiveerd dat eiser geen antwoord heeft gegeven op de vraag of met een lichter middel kan worden volstaan en dat hij dus niet overtuigend heeft gesteld dat daarmee kan worden volstaan. De minister heeft vervolgens onder verwijzing naar de gronden gemotiveerd dat er een risico op onttrekking bestaat en gemotiveerd dat de medische zorgverlening volstaat voor eisers gezondheidsklachten; namelijk dat hij last heeft van zijn rug en benen en verklaard heeft verslaafd te zijn aan crack en last te hebben van kiespijn. De minister heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende geïndividualiseerd gemotiveerd in de maatregel dat niet met een lichter middel kon en hoefde te worden volstaan. In het verweerschrift heeft de minister nogmaals een belangenafweging gemaakt en daarbij van belang geacht dat eiser op 20 juli 2026 vanuit bewaring naar Roemenië is uitgezet, maar kort daarna is teruggekomen zonder zich te melden en weer in beeld is gekomen vanuit het strafrecht. Ook is gewezen op het feit dat eiser geen reisdocument, geen vaste verblijfplaats en geen financiële middelen heeft en eerder niet vrijwillig heeft voldaan aan het besluit om te moeten terugkeren. De minister heeft tot slot gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de zorg in het detentiecentrum niet passend of onvoldoende is of dat eisers gezondheid zal verslechteren door de detentie. De rechtbank volgt de minister daarin en is van oordeel dat geen sprake is van een motiveringsgebrek.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.