ECLI:NL:RBDHA:2026:25372

ECLI:NL:RBDHA:2026:25372

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.47917
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Bewaring, vervolgberoep, voldoende op dossierniveau aan de uitzetting gewerkt ondanks de weigering van eiser om mee te werken, eiser heeft zelf geen Chavez aanvraag gedaan en niet is gebleken van declaratoir verblijfsrecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.47917

(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),

en

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).

Procesverloop

De minister heeft op 23 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde met behulp van een beeldverbinding. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Zimbabwaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1981.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 augustus 2026 (in de zaak NL26.42229) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 30 juli 2026.

3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Voorafgaand aan de bewaring heeft eiser lang in strafdetentie gezeten. In die periode is niet gewerkt aan het verkrijgen van een laissez passer. Nu blijkt dat er ook had kunnen worden gewerkt aan terugkeer met een EU-Staat, had dat eerder ingezet moeten worden.

4. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Zoals hiervoor is overwogen ligt slechts de periode vanaf 30 juli 2026 ter toetsing voor. De rechtbank is dan ook niet bevoegd te oordelen over de inspanningsverplichting voorafgaand aan de eerste maatregel van bewaring. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage dat de minister op 6 juli 2026 een toezegging voor een laissez passer heeft ontvangen, maar dat daarvoor vereist was dat eiser naar de ambassade kwam. Eiser heeft dat geweigerd waardoor de vlucht van 5 augustus 2026 is geannuleerd. Uit de voortgangsrapportage volgt dat op 11 augustus 2026 de Nederlandse plaatsvervangend ambassadeur van Zimbabwe heeft toegezegd bij de ambassade te rappelleren en via hun contacten de zaak te rappelleren bij Home Affairs. Op 17 augustus 2026 is een akkoord ontvangen om eiser met een EU-staat te laten vertrekken in combinatie met een kopie van zijn verlopen paspoort. De minister heeft ter zitting toegelicht dat achter de schermen op hoog niveau druk is gezet om een laissez passer te verkrijgen en dat dit is gelukt. De laissez passer is op 24 augustus 2026 toegezegd en op 26 augustus 2026 in Brussel opgehaald door de landsverantwoordelijke, waardoor de EU-staat niet meer nodig is. Er staat een vlucht gepland voor 28 augustus 2026. De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat de minister op dossierniveau inspanningen heeft verricht om alsnog een laissez passer voor eiser te verkrijgen en tegelijk heeft gewerkt aan een alternatief. Deze inspanningen waren niet nodig geweest als eiser niet had geweigerd te verschijnen bij de ambassade toen daar om werd verzocht. Dat de minister deze inspanningen eerder had moeten verrichten, volgt de rechtbank daarom niet. Het ligt op de weg van eiser om mee te werken aan zijn terugkeer. De minister heeft regelmatig vertrekgesprekken gevoerd met eiser om hem te bewegen mee te werken, voor het laatst op 17 en 24 augustus 2026 en er staat binnen korte termijn een uitzetting gepland. De minister werkt daarmee voldoende voortvarend aan de uitzetting.

5. Eiser voert verder aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Hij heeft een koophuis in Nederland en jonge kinderen met de Nederlandse nationaliteit. Hij wil daarom een aanvraag doen op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Hij is bezig stukken te verkrijgen om die aanvraag te onderbouwen, maar verkeert in bewijsnood zolang hij in bewaring zit. Hij wil de band met zijn kinderen zo snel mogelijk aanhalen maar dat wordt onmogelijk gemaakt als hij wordt uitgezet. Daarom moet de bewaring worden opgeheven om te voorkomen dat hij wordt uitgezet.

6. De rechtbank is van oordeel dat een belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt, gelet op het risico op onderduiken en de geplande vlucht. Eiser verklaart al lange tijd dat hij van plan is een aanvraag te doen op grond van het arrest Chavez-Vilchez. In de uitspraak van 2 juni 2026 is geoordeeld dat uit het gehoor van 14 mei 2026 duidelijk blijkt dat hij een dergelijke aanvraag wilde indienen. Echter tot op heden heeft eiser nog altijd geen aanvraag ingediend. Ook in het vertrekgesprek van 17 augustus 2026 heeft eiser verklaard dat hij al drie maanden zegt dat hij een aanvraag gaat indienen maar dat zijn advocaat er geen tijd voor heeft. Ook is hij door de regievoerder gewezen op de urgentie van een aanvraag aangezien er een nieuwe vlucht geboekt gaat worden. Het komt voor zijn eigen rekening en risico dat er nog geen aanvraag is ingediend. Verder verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 11 juni 2026, waarin is overwogen dat eiser al drie jaar geen contact heeft met zijn kinderen terwijl hij daartoe wel recht heeft en er ook (eventueel digitale) mogelijkheden voor zijn. De rechtbank sluit zich daarbij aan en is van oordeel dat ook tot op heden niet is gebleken dat eiser declaratoir afgeleid verblijfsrecht heeft op basis van verblijf bij zijn Nederlandse kinderen. Ter zitting is gebleken dat de band met de moeder van de kinderen onveranderd slecht zijn en evenmin pogingen tot het leggen van contact zijn gedaan. De rechtbank ziet daarin dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de kinderen door de uitzetting het recht op de zorg van hun vader wordt ontnomen of dat zij vanwege hun afhankelijkheid van hem feitelijk gedwongen zouden worden de EU te verlaten.

7. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig is.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.P. van Eerde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand