ECLI:NL:RBDHA:2026:25579

ECLI:NL:RBDHA:2026:25579

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer 09/333334-25, 09/144703-24 (tul) en 22/002467-22 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

De verdachte wordt vrijgesproken van poging doodslag en veroordeeld voor poging zware mishandeling door opzettelijk met zijn personenauto tegen een scooter aan te rijden. Hierdoor is de bestuurder van de scooter ten val gekomen. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 7 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/333334-25, 09/144703-24 (tul) en 22/002467-22 (tul)

Datum uitspraak: 4 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 21 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. B.J. de Bruijn naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 21 augustus 2026 – ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 juli 2025 te Leiden, in elk geval Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als bestuurder van een personenauto met dat voertuig (op een fietspad) tegen die [aangever] is (aan)gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 juli 2025 te Leiden, in elk geval Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Haagweg en/of (zijnde) een fietspad zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, (op een fietspad) (met hoge snelheid) tegen een (bestuurder van een) scooter (aan) te rijden, waardoor een ander (genaamd [aangever] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een schouder uit de kom, of zodanig lichamelijk letsel

werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair integrale vrijspraak van ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat hooguit sprake is van roekeloosheid die heeft geleid tot lichamelijk letsel bij de aangever.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025232414, van de politie eenheid Den Haag(doorgenummerd pagina 1 t/m 71).

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] (met bijlagen), opgemaakt op 11 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 26-31):

Aangever

Voornamen : [voornamen]

[achternaam]

Op 11 juli 2025 omstreeks 17:30 uur reed ik op de Haagweg te Leiden richting de kruising van de Voorschoterweg. Ik reed op mijn bromfiets. Voor mij reed een personenauto. Deze auto had een grijze kleur en getinte ramen. De auto had aan de zijkanten van het voertuig een soort extra scherm aan de boven zijde van zijn raam. Ik zag dat deze auto zijn ramen schoonmaakte met ruitenvloeistof. Ik zag en voelde deze vloeistof op mij komen. Ik voelde dat ik nat was op mijn hoofd. Ik was nieuwsgierig waarom hij dit deed, omdat ik op dat moment ook achter hem reed.Ik reed ter hoogte van het Tango tankstation rechts naast hem. Hij deed zijn bijrijdersraam naar beneden. Ik zag dat de bestuurder alleen voorin zat en dat hij er als volgt uit zag:- bruin, kort haar;- blanke man.

Daarna ben ik met mijn bromfiets voorbij hem gereden. Ik sloeg rechtsaf, om het fietspad op te gaan. Op dat moment reed ik op het fietspad. Ik keek in mijn linker spiegel en zag dat hetzelfde voertuig, wat hierboven is benoemd, achter mij aanreed. Toen ik dit door had, zag ik in mijn ooghoek deze auto links langs mij rijden. Ik zag dat hij een slinger naar links maakte, ik vermoed dat hij dit deed om ruimte te maken, om vervolgens weer een slinger naar rechts richting mijn bromfiets maakte. Ik zag dat zijn voertuig met zijn rechtervoorkant de linker achterkant van mijn bromfiets raakte. Ik werd hierdoor naar rechts geduwd. Ik probeerde controle te houden, maar dit lukte niet. Ik slingerde en door deze klap, raakte ik uit balans en viel ik met mijn bromfiets op de grond. Ik voelde heel gauw pijn aan mijn rechterschouder. Het voelde alsof mijn schouder uit de kom was, het voelde alsof mijn schouder naar voren was geschoten. Later zag ik dat ik ook verschillende schaafwonden had, onder andere op mijn elleboog, polsen en knie. Het kenteken heb ik onthouden als [kenteken] .

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 32):

Het slachtoffer verklaarde het volgende:

Op het moment dat ik de afslag maakte naar het fietspad, vermoed ik dat ik rond de 30 á 35 kilometer per uur reed. Ik vermoed dat de auto rond de 40 á 45 kilometer per uur reed. Het voertuig kon mij namelijk makkelijk inhalen en had dus een hogere snelheid.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 juli 2025, voor zover inhoudende (p.36):

Ik hoorde verbalisant vragen hoe [aangever] zo zeker was van het kenteken welke vermeld werd in de aangifte. Ik hoorde [aangever] zeggen dat hij dit 100 procent zeker wist. Ik hoorde [aangever] zeggen dat hij het kenteken heel vaak heeft herhaald. Ik hoorde [aangever] zeggen dat hij het herhalen van het kenteken had uitgesproken naar ambulancepersoneel, politieagenten en omstanders welke informeerde hoe het met [aangever] ging.

Ik hoorde [aangever] zeggen dat het een Volkswagen was.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 1] , opgemaakt op 11 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 43-33):

Hier zag ik een auto de hoek omkomen vanuit Voorschoten van de Haagweg af. De auto scheurde echt de hoek om. De auto reed ongeveer 50 a 60 kilometer per uur dacht ik. De auto reed midden op het fietspad. Ik zag de scooter ook uit die richting naar mij toe rijden. De scooter werd toen geraakt tegen de achterzijde van de scooter door de auto op hoge snelheid.

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 2] , opgemaakt op 11 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 51-52):

Ik zag dat er een grijs voertuig met hoge snelheid het fietspad op reed. Ik zag dat er op het fietspad voor het voertuig een man met een scooter reed. Ik zag dat het voertuig links naast de scooter ging rijden en vervolgens instuurde op de scooter. Naar mijn idee zag dit er uit als een bewuste actie. Ik zag duidelijk dat het voertuig instuurde richting de scooter. Ik zag dat het voertuig de scooter rijder hiermee raakte en ik zag dat de scooter rijder hierdoor op zijn rechter zij viel.

Vervolgens zag ik dat het voertuig flink versnelde en met de bocht mee naar rechts ging over het fietspad. Ik hoorde hierbij dat de banden een piepend geluid maakten in de bocht. Ik schat in dat de auto bij het insturen op de scooter rijder al rond de 50 á 60 kilometer per uur reed en daarna dus nog meer ging versnellen.

6. Het proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen), opgemaakt op 10 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 55-60):

Bij het openen van het bestand zag ik dat de camera gericht stond op het tankstation Tango aan de Haagweg te Leiden.

Om 17:25:35 uur zag ik op de Haagweg uit de richting van de Waddingerbrug een scooter/brommer en een auto naast elkaar rijden. Ik zag dat de scooter zich aan de rechterkant van de auto bevond. Ik zag dat de helm van de scooter bestuurder naar links draaide richting de auto, terwijl de scooter en de auto naast elkaar reden. Vervolgens zag ik dat de bestuurder van de scooter zijn linkerarm van het stuur af had en langs het lichaam liet hangen. Ik zag dat de bestuurder van de scooterzijn linkerarm naar achter bewoog. Terwijl dit gebeurde zag ik dat de scooter rechts schuin voor de auto reed. Om 17:25:39 uur verdwenen de scooter en de auto uit beeld.

7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 66-67):

Op 10 oktober 2025 bekeek ik, verbalisant, de gevorderde historische telefoon gegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer behoorde volgens de gegevens in het politiesysteem toe aan de reeds aangemerkte verdachte [verdachte] .

Het slachtoffer [aangever] kon tijdens het opnemen van de aangifte het kenteken van de betrokken auto opnoemen, namelijk [kenteken] . Dit kenteken stond volgens de Rijksdienst voor het wegverkeer op 11 juli 2025 op naam van [verdachte] . Op de opgevraagde beelden van het tankstation Tango, met vestiging Haagweg te Leiden,

is omstreeks door het slachtoffer genoemde tijdstip, een conflict te zien tussen een

automobilist en het slachtoffer.

Mastgegevens

Ik zag op de, door Vodafone aangeleverde gegevens dat de telefoon tijdens het

genoemde tijdsbestek met drie telecommasten in Leiden en omgeving contact maakte. Ik zag de telefoon, omstreeks 17:01:23 uur contact maakte met de mast gelegen aan het Floriszpad te Voorschoten.Ik zag dat de telefoon omstreeks 17:42:05 uur contact maakte met de mast aan het Veerhuis te Leiden.

Conclusie

De locatie Haagweg te Leiden, valt binnen het dekkingsgebied van het Floriszpad te

Voorschoten. De Mauritssingel te Leiderdorp valt onder het dekkingsgebied van de

telecommast aan de Willem Alexanderlaan te Leiderdorp.

8. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 21 augustus 2026, voor zover inhoudende:

U, voorzitter, vraagt mij of de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] op mijn naam stond op 11 juli 2025. De Golf stond op mijn naam en het kenteken klopt.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 11 juli 2025 op het fietspad bij de Haagweg in Leiden een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een auto in botsing is gekomen met een scooter die werd bestuurd door [aangever] .

Was de verdachte de bestuurder van de auto?

De rechtbank op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte degene is geweest die ten tijde van voornoemd verkeersongeval de auto heeft bestuurd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De aangever heeft verklaard dat hij ter hoogte van een Tango Tankstation naast de grijze personenauto, die hem later omstreeks 17:30 uur heeft aangereden, is gaan rijden en een woordenwisseling heeft gehad met de bestuurder van deze personenauto, een man, die alleen voorin zat. De aangever heeft verklaard dat het een grijze Volkswagen was en heeft het kenteken van de personenauto als [kenteken] onthouden. De verdachte heeft op de terechtzitting bekend dat voornoemd kenteken – behorende bij een grijze Volkswagen Golf – op 11 juli 2025 op zijn naam stond en dit is ook gebleken uit het door de politie gedane onderzoek. Op de opgevraagde beelden van het tankstation Tango, vestiging Haagweg te Leiden, is om 17:25 uur een interactie te zien tussen kennelijk de inzittende van een personenauto en een scooterrijder. Uit de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte blijkt dat de telefoon van de verdachte in ieder geval tussen 17:01 uur en 17:42 uur een zendmast heeft aangestraald die valt binnen het dekkingsgebied van de Haagweg in Leiden.

Anders dan de raadsman, komt de rechtbank op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat de verdachte degene is die de auto heeft bestuurd ten tijde van het verkeersongeval. De enkele – in het geheel niet onderbouwde – stelling van de verdachte dat hij niet de bestuurder van de auto is geweest, acht de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen volstrekt onaannemelijk en ongeloofwaardig.

Poging doodslag of poging zware mishandeling?

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de aangever de verdachte erop aan heeft gesproken dat deze hem door het gebruik van de ruitenwisservloeistof van zijn auto had natgespoten. De aangever is hem vervolgens voorbij gereden en is op het fietspad gaan rijden, waarna de verdachte hem met de auto over het fietspad is gevolgd. De verdachte is vervolgens links achter de scooter gaan rijden, heeft een stuurbeweging naar links gemaakt en daarop gelijk een stuurbeweging naar rechts, waardoor hij de linker achterkant van de scooter heeft geraakt en de aangever ten val is gekomen. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de verdachte ten tijde van deze gedraging een behoorlijke snelheid had en dat hij bewust tegen de scooter van de aangever is aangereden.

De rechtbank acht – evenals de officier van de justitie – niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met deze gedraging heeft geprobeerd de aangever van het leven te beroven. Van opzet op de dood is niet gebleken, ook niet in voorwaardelijke zin, nu er onvoldoende aanknopingspunten zijn op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft aanvaard dat de aangever had kunnen komen te overlijden door voornoemde gedraging. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aangever een helm droeg. De verdachte zal daarom van het impliciet primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Vervolgens is aan de orde of sprake was van opzet op het aan hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het handelen van de verdachte, het met een auto inrijden op een persoon op een rijdende scooter en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van vol opzet op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. Algemene ervaringsregels leren dat het op deze wijze inzetten van de massa van een auto tegenover een bestuurder van een scooter zwaar lichamelijk letsel op kan leveren.

Conclusie

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van de aangever.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 11 juli 2025 te Leiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als bestuurder van een personenauto met dat voertuig op een fietspad tegen die [aangever] is (aan)gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling. Daarnaast heeft de officier van justitie een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twaalf maanden gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf, gelet op de zwakke gezondheid van de verdachte, een flink risico op kan leveren. Wel is de verdachte in staat om een taakstraf te verrichten.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en bijkomende straf zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door doelbewust met zijn auto achter een rijdende scooter aan te gaan en vervolgens op die rijdende scooter in te rijden, waardoor de bestuurder van die scooter ten val is gekomen. Daarmee heeft de verdachte zijn auto als wapen gebruikt. Dat het slachtoffer geen zwaarder letsel heeft opgelopen, is een geluk en niet te danken aan het handelen van de verdachte. De verdachte heeft zich vervolgens niet om het slachtoffer bekommerd, maar heeft de plaats van het ongeval verlaten en het slachtoffer aan zijn lot overgelaten. De verdachte heeft ook verder geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Daarbij heeft hij dit gewelddadige, intimiderende en brutale feit gepleegd op de openbare weg. Dit is zeer bedreigend en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid. Niet alleen bij het slachtoffer, maar ook bij de mensen die het hebben zien gebeuren en bij de maatschappij in het algemeen. Zijn gedrag getuigt van weinig respect voor het welzijn en het leven van anderen De rechtbank rekent de verdachte dit alles ernstig aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 juli 2026, waaruit blijkt dat hij in de afgelopen jaren eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 20 augustus 2026, waaruit volgt dat de reclassering een langdurig gedragspatroon herkent, waarbij de verdachte in een conflictsituatie overgaat tot het plegen van fysiek geweld. Ondanks dat de verdachte tot tweemaal toe verplichte behandelingen gericht op agressiebeheersing en impulscontrole heeft gevolgd blijft hij recidiveren. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

De straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De oriëntatiepunten gaan voor een zware mishandeling met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen, uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden. Bij een poging is het vertrekpunt twee derde deel van het uitgangspunt voor de op te leggen straf bij het voltooide delict. De rechtbank houdt echter in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van de verdachte en het gegeven dat hij op geen enkele manier zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Daarnaast weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat de verdachte buitenproportioneel gewelddadig heeft gereageerd op de aangever, die hem kort daarvoor op zijn gedrag had aangesproken.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden passend en geboden. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard geen behoefte te hebben aan reclasseringscontact of verdere behandeling en daaraan niet mee te zullen werken. De rechtbank zal daarnaast een rijontzegging voor de duur van achttien maanden opleggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7. De vorderingen tot tenuitvoerlegging

De vorderingen van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 3 juli 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/144703-24 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 18 juli 2024 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van twee maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden.

Voorts heeft de officier van justitie bij vordering van 3 juli 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 22/002467-22 door het Gerechtshof Den Haag op 18 februari 2025 voorwaardelijke opgelegde taakstraf van vijftien uren, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf moet worden afgewezen, omdat de tenuitvoerlegging geen meerwaarde heeft.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vordering tenuitvoerlegging ten aanzien van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf af te wijzen dan wel om deze om te zetten in een taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 09/144703-24

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 18 juli 2024, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank ziet, gelet op de op te leggen gevangenisstraf in de nieuwe strafzaak, geen aanleiding de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

Ten aanzien van parketnummer 22/002467-22

De rechtbank zal, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, deze vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen:

- 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;

- 179 a van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

poging tot zware mishandeling:

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (ZEVEN) MAANDEN;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN;

de vorderingen tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 18 juli 2024, gewezen onder parketnummer 09/144703-24, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest van het Gerechtshof Den Haag d.d. 18 februari 2025, gewezen onder parketnummer 22/002467-22.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A.W. Zijlstra, voorzitter,

mr. H.P.M. Meskers, rechter,

mr. T.A.B. Mentink, rechter,

in tegenwoordigheid van V. Grampon, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.A.W. Zijlstra
  • mr. H.P.M. Meskers
  • mr. T.A.B. Mentink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand