RECHTBANK DEN HAAG
Locatie Gouda
Strafrecht
Parketnummer: 96-308570-25
Volgnummer: 13
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
wonende te [adres verdachte] .
Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting te Gouda van 11 maart 2026.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij oproeping van 18 december 2025.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de oproeping geldig is: via elektronische overdracht op 18 december 2025 is de verdachte bekend geworden met de oproeping. De kantonrechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De eis van de officier van justitie.
Niet-ontvankelijkheid van het verzet tegen de opgelegde strafbeschikking.
De ontvankelijkheid van het verzet
U, uw advocaat of iemand die u schriftelijk hebt gemachtigd gaat naar een parket (kantoor) van het Openbaar Ministerie.
U of uw advocaat stuurt een brief aan de officier van justitie, op onderstaand adres.
Op grond van artikel 257e, derde lid, Wetboek van Strafvordering kan het verzet in persoon op het parket worden gedaan door de verdachte, een advocaat die verklaart bepaaldelijk te zijn gemachtigd en door een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde. Ook kan het verzet volgens dat artikel, derde lid, bij brief worden gedaan door de verdachte alsmede een advocaat die verklaart bepaaldelijk door de verdachte te zijn gemachtigd.
De kantonrechter stelt vast dat dit ook is weergegeven op de opgelegde strafbeschikking waarvan een kopie zich in het dossier bevindt. Daarop staat immers:
In verzet gaan kan op twee manieren:
In persoon
Schriftelijk
Over de wijze waarop verzet moet worden gedaan is dus aan de verdachte duidelijke voorlichting gegeven.
De kantonrechter stelt vast dat het verzet blijkens de opgestelde akte op 8 juli 2024 is ingesteld door een op die datum door het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie ontvangen brief. De envelop van die brief met daarop een afzender bevindt zich helaas niet in het dossier.
De bij de akte gevoegde brief is er een op briefpapier met het logo van [juridisch adviesbureau] en naast het logo staan gegevens zoals de naam Dhr [juridisch adviseur] , zijn adres [adres juridisch adviesbureau] , het emailadres en de website en het telefoonnummer van [juridisch adviseur] en [juridisch adviesbureau] , alsmede het bankrekeningnummer en het BTW-nummer.
De brief begint met de opgave van de plaats [vestigingsplaats juridisch adviesbureau] als plaats waar de brief kennelijk is opgesteld en de datum 1 juli 2024, alsmede “onze referentie 202407101 ” en “uw referentie NNB”.
De tekst van de brief is:
Middels deze weg stel ik verzet in tegen de opgelegde strafbeschikking, ontvangen en derhalve bekend geworden op 20 juni 2024. Ik machtig hierbij [juridisch adviesbureau] om in deze zaak mijn belangen te behartigen.
Om het dossier in te zien en het verzet aan te vullen, verzoek ik u mij het gehele procesdossier toe te sturen, met daarin minimaal een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal en het zaakoverzicht.
Ingevolge artikel 1:15 BW kies ik een andere woonplaats voor alle inkomende poststukken. Dit geldt voor ALLE post, ook oproepen van de Rechtbank. Hierbij het adres:
[verdachte]
[adres juridisch adviesbureau]
[…]
Hoogachtend,
(handtekening)
[verdachte]
Onderaan het briefpapier staan gegevens over de inschrijving bij de Kamer van Koophandel van [juridisch adviesbureau] .
De handtekening onderaan de brief is een variant van de handtekening die is ingescand op het bijgesloten machtigingsformulier dat op identieke wijze als op de brief van het logo en bedrijfsinformatie is voorzien.
Het is naar het oordeel van de kantonrechter volstrekt onaannemelijk dat een bedrijf dat kennelijk rechtsbijstand verleent, zijn briefpapier uit handen geeft aan zijn clientèle en dat op een brief van de client dan ook een nummer voor zou komen als nummer van “onze referentie”, terwijl dat nummer niet anders kan zijn dan het referentienummer in de administratie van de rechtsbijstandsverlener. Andersom ligt het meer voor de hand dat [juridisch adviesbureau] zelf de tekst van de brief heeft opgesteld op zijn eigen briefpapier. Dat is de enige logische verklaring voor het voorkomen van het eigen logo van de rechtsbijstandverlener op een brief die de schijn moet wekken door de “ik-persoon” te zijn opgesteld en de enige logische reden voor het voorkomen van de bedrijfsgegevens op die brief, net als de vermelding van de eigen vestigingsplaats als plaats waar de brief volgens de tekst zelf is opgesteld, en met een nummer dat het referentienummer in de eigen administratie is.
Op de website van [juridisch adviesbureau] is over het instellen van verzet tegen een strafbeschikking ten tijde van behandeling van deze zaak in dit kader vermeld:
Wij kunnen uw strafbeschikking aanvechten tegen een tarief van €79,- per strafbaar feit . Wat houdt dit in:
-Wij proberen de strafbeschikking van uw strafblad te halen door middel van vernietiging van de boete; -Het dossier opvragen; -Pro forma verzetsprocedure indienen; -Schriftelijk verweer voeren bij de rechter middels een pleidooi (deze kunt u voorlezen als wij niet ter zitting mogen verschijnen); -Als het nodig is en toegestaan is ter zitting verschijnen.
Gelet op deze tekst van wat de rechtsbijstandverlener doet, heeft [juridisch adviesbureau] de brief zelf opgesteld en zelf van een handtekening voorzien. Op de website van deze rechtsbijstandsverlener moet ook twee keer met een virtuele pen op het invulformulier een handtekening gezet worden: één keer voor het “starten van een zaak” en één keer voor akkoord met de algemene voorwaarden en de machtiging. Dat kan verklaren waarom de handtekening niet identiek is: de rechtsbijstandsverlener beschikt over twee handtekeningen van de opdrachtgever en kan daarmee zelf een brief en een machtigingsformulier in elkaar zetten.
Op het bij de brief gevoegde machtigingsformulier wordt ook nadrukkelijk vermeld dat de client de heer [juridisch adviseur] h.o.d.n. [juridisch adviesbureau] machtigt tot (onder meer) het verrichten van alle handelingen te verrichten die de gemachtigde noodzakelijk acht zoals het aanwenden van rechtsmiddelen en het opvragen van gegevens.
De conclusie die de kantonrechter trekt is dat de brief niet alleen niet door de verdachte is opgesteld en ondertekend, maar dat die ook niet door de verdachte is verzonden maar door de rechtsbijstandverlener. Dat is de beloofde dienst “pro forma verzetsprocedure indienen. Het
is dus de rechtsbijstandsverlener en niet de verdachte is geweest die schriftelijk verzet heeft ingesteld.
Omtrent de heer [juridisch adviseur] is niet gesteld noch gebleken dat hij de hoedanigheid van advocaat heeft. Hij voert ook niet de daarvoor benodigde juridische titel.
Bij de griffie heeft zich voor de verdachte ook geen advocaat gesteld. Het Wetboek van Strafvordering kent geen procedure in strafzaken voor de kantonrechter waarbij een gemachtigde zich bij de griffie als zodanig kan laten registreren op gelijke voet met de advocaat die zich als raadsman kan stellen.
Op grond van een en ander stelt de kantonrechter vast dat het bij brief ingestelde verzet niet is ingesteld door de verdachte of een advocaat die verklaart bepaaldelijk door de verdachte te zijn gemachtigd. Daarmee is het verzet niet ingesteld overeenkomstig de eisen van artikel 257e, derde lid, Wetboek van Strafvordering.
Het verzet moet daarom niet-ontvankelijk verklaard worden.
Op de inhoud van het verzet kan de kantonrechter daarom niet ingaan.
Het oordeel van de kantonrechter.
De kantonrechter verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn verzet.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.C. Berg, kantonrechter,
in tegenwoordigheid van I. van Hofwegen, griffier,
en is in het openbaar uitgesproken te Gouda op 11 maart 2026.