RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.7658
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. G. van Reemst),
en
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven en verklaart het beroep gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 22 oktober 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Saleh als tolk in de Arabisch-Libische taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser verklaart de Libische nationaliteit te hebben. Hij is journalist en samen met anderen heeft hij het Libyan Center for Freedom of Press (het LCFP) opgericht. Eiser heeft daarnaast voor verschillende organisaties en de overheid gewerkt als, onder andere, presentator en grafisch designer. In 2017 is eiser bedreigd door een collega, waarna hij een paar maanden naar Tunesië is gegaan. In 2019 is eiser teruggekeerd en is hij gaan werken in het mediagebouw van het Libische parlement. In 2019 is eiser ook op straat bedreigd door gewapende mannen in een auto. Eiser verklaart dat er verschillende invallen hebben plaatsgevonden bij het mediagebouw waar hij heeft gewerkt, maar waar hij ten tijde van de invallen niet meer werkzaam was. De situatie voor journalisten in Libië is erg slecht en eiser heeft het land daarom verlaten. Bij een terugkeer vrees eiser slachtoffer te worden van willekeurige detentie door milities en voor de invallen die worden verricht bij media-instellingen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
De minister acht de asielmotieven geloofwaardig, maar uit eisers verklaringen blijkt niet dat zijn vrees voldoende geïndividualiseerd is. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Werk als journalist en de politieke overtuiging – het individualiseringsvereiste
5. Eiser voert aan dat de minister zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende betrokken heeft bij de besluitvorming. Aangenomen is dat eiser valt binnen een risicoprofiel en de minister had moeten beoordelen wat het behoren tot een risicoprofiel betekent voor eisers vrees. Het individualiseringsvereiste beperkt zich niet tot wat eiser persoonlijk heeft ondervonden, maar ook is relevant wat zijn collega’s onder dezelfde omstandigheden hebben meegemaakt en dat eiser persoonlijk is bedreigd met een vuurwapen. Eiser stond onder grote druk als journalist en daarom is hij weg gegaan. Hij kan zich niet uitten als journalist. Eiser wijst ter onderbouwing ook op een aantal uitspraken.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aan het individualiseringsvereiste voldoet. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door zijn werkzaamheden gevaar loopt in Libië. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat hij voor het laatst in 2014 herkenbaar in beeld is geweest op televisie. De publicaties en andere journalistieke uitingen die eiser heeft overgelegd zijn verder niet tot hem als persoon te herleiden. Ook is de rechtbank niet gebleken dat eiser op sinds zijn vertrek uit Libië nog werkzaamheden als journalist heeft uitgevoerd. Uit de stukken die eiser heeft overgelegd blijkt dat hij verschillende cursussen heeft gevolgd, maar de rechtbank kan daaruit niet opmaken dat eiser hierdoor gevaar loopt. De rechtbank begrijpt uit de landeninformatie dat het zijn van een onafhankelijke (mensenrechten) journalist op dit moment vrijwel onmogelijk is in Libië, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit soort werkzaamheden enigszins herleidbaar zijn naar hem of dat hij op dit moment nog die werkzaamheden uitvoert. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij zich kenbaar heeft geuit als bijvoorbeeld mensenrechtenactivist en dat hij dat ook nog steeds doet, waardoor hij een gevaar zou kunnen lopen. De rechtbank kan ook niet uit eisers verklaringen of stukken afleiden dat eisers betrokkenheid bij het LCFP van dien aard is geweest, dat hij hierdoor een gevaar zou lopen. Dat eiser een journalist is geweest in het verleden is dan ook onvoldoende om zijn vrees te individualiseren.
Het incident met het vuurwapen staat volgens eisers verklaringen ook niet in verband met zijn werkzaamheden als journalist, dus daarmee heeft eiser zijn vrees als journalist ook niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank kan eiser niet volgen in het standpunt dat de incidenten die collega’s van eiser hebben meegemaakt, zijn vrees individualiseren. De incidenten waar eiser naar verwijst hadden betrekking op personen met een prominente rol, zoals een directeur van een mediabedrijf, die zich uitspraken tegen de milities. Uit de stukken die eiser heeft overgelegd blijkt niet dat hij soortgelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel zich op vergelijkbare wijze heeft uitgelaten. De uitspraken waar eiser naar verwijst, treffen ook geen doel. In die zaken kwam, anders dan in de zaak van eiser, de rechtbank wel tot het oordeel dat aan het individualiseringsvereiste was voldaan. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
15c -situatie
6. Eiser voert aan dat het incident in 2019 voldoende aanleiding is om te concluderen dat eiser te vrezen heeft voor ernstige schade in de zin van artikel 15c. Hij is al eerder slachtoffer geworden van willekeurig geweld.
Uit de kamerbrief van 27 oktober 2025 blijkt dat het noordwesten van Libië wordt gekwalificeerd als een 15c gebied in de laagste gradatie. In die brief is vastgesteld door de minister dat er op dat moment geen sprake is van een situatie waarin iedere burger in Libië, enkel door zijn aanwezigheid, een reëel risico loopt op ernstige schade. Burgers in het noordwesten van Libië, met name Tripoli, en in Benghazi lopen een risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. In de kamerbrief staat dat er soms middelen worden gebruikt door de strijdende partijen die kunnen leiden tot burgerdoden. Het aantal slachtoffers is echter relatief laag, omdat zij in niet het primaire doel van de aanvallen zijn. Het risico om getroffen te worden door willekeurig geweld is daardoor dermate klein dat er altijd sprake moet zijn van aanvullende individuele omstandigheden waardoor er een reëel risico is op ernstige schade bij een terugkeer naar Libië.
De rechtbank volgt de movering van de minister dat eiser onvoldoende individuele omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij een reëel risico op willekeurig geweld in het kader van het binnenlandse conflict bij een terugkeer naar Libië loopt. Het incident waar eiser naar verwijst heeft plaatsgevonden in 2019 en is onvoldoende actueel. Volgens eisers eigen verklaringen is het ook niet de aanleiding geweest voor hem om uit Libië te vertrekken. Eiser is daarna ook nog een keer uit en in het land gereisd. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het incident in verband stond met het werk van eiser en de rechtbank acht die omstandigheid onvoldoende om een reëel risico op willekeurig geweld in het geval van eiser aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Risico bij terugkeer – artikel 3 van het EVRM
7. Eiser voert tot slot aan dat hij bij een terugkeer naar Libië te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hij is al een lange tijd in het buitenland en zijn visum is al geruime tijd verstreken. Hij is dus illegaal in het buitenland verbleven. Eiser verwijst hiertoe ook naar het Ambtsbericht.
De minister stelt zich op het standpunt dat uit het Ambtsbericht niet blijkt dat eenieder bij terugkeer zal worden ondervraagd en mogelijk met vervolging of onmenselijke behandeling te maken zal krijgen. Het betreft slechts één bron in het Ambtsbericht en het risico is niet nader gespecificeerd. De Afdeling heeft in haar uitspraken geoordeeld dat voor terugkeerders na lang verblijf in het westen, niet aannemelijk is dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben. Het Ambtsbericht van februari 2023, dat gold ten tijde van die uitspraken, laat geen wezenlijk ander beeld zien dan het meest recente Ambtsbericht van juli 2025. De minister ziet dan ook geen aanleiding om van dat oordeel af te wijken.
De rechtbank overweegt dat uit het Ambtsbericht van juli 2025 blijkt dat personen die terugkeren naar Libië kunnen worden blootgesteld aan langdurige ondervraging en daarbij risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie.
De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de minister had gelegen om naar aanleiding van bovenstaande tekst in het Ambtsbericht uit juli 2025 nader onderzoek te doen naar de risico’s bij terugkeer. De rechtbank acht de motivering van de minister, dat het slechts één bron betreft in het Ambtsbericht en dat het risico daarom niet nader gespecificeerd is, onvoldoende. Als de minister twijfelt aan de inhoud van het Ambtsbericht en de geraadpleegde bron, dan had het op zijn weg gelegen om hier nader onderzoek naar te doen. Ook is de verklaring van de bron zéér verstrekkend en ziet de rechtbank een duidelijk verschil met het Ambtsbericht van februari 2023, waar er werd gesproken over ‘zwaar gecontroleerd’ tegenover het Ambtsbericht van juli 2025 waar de bron spreekt over ‘marteling’ en ‘buitengerechtelijke executie’. De rechtbank acht die formulering van een wezenlijk andere orde, waarbij een verwijzing naar de Afdelingsuitspraken niet opgaat. De informatie uit het Ambtsbericht van juli 2025 is namelijk niet meegenomen in die uitspraken. Deze beroepsgrond slaagt.
De rechtbank ziet daarnaast ook aanleiding om te oordelen dat de minister nader onderzoek moet doen naar de individuele situatie van eiser bij terugkeer. De vaststelling van de minister dat eiser tot een risicoprofiel behoort en wat dit betekent voor eiser bij terugkeer, is namelijk niet beoordeeld. Dat had de minister wel moeten doen. Ook de omstandigheid dat eiser voor een lange periode in het buitenland is en dat zijn visum is verstreken, moet de minister daarbij betrekken. De beroepsgrond slaagt dan ook.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat de minister nader onderzoek moet doen naar de omstandigheden voor eiser bij een terugkeer naar Libië.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.