[eiseres],
geboren op [geboortedag] 1944, van Surinaamse nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres
(gemachtigde: mr. N. Vreede)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J. Kennis).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een
verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ en haar verzoek om een voorlopige voorziening, inhoudende een verbod haar uit te zetten totdat op het beroep is beslist.
Eiseres beoogt verblijf bij haar dochters, [referente] (referente), [dochter 1] en [dochter 2], haar kleinkinderen, [kleinkind 1], [kleinkind 2], [kleinkind 3] en [kleinkind 4] en haar schoonzoons. Allen hebben de Nederlandse nationaliteit.
De minister heeft met zijn besluit van 29 augustus 2022 (het primaire besluit) de aanvraag afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt en de rechtbank om een voorlopige voorziening verzocht. De minister heeft meegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van deze voorlopige voorziening. Op 13 april 2023 heeft de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en de minister verboden om eiseres uit Nederland te verwijderen totdat op het bezwaarschrift is beslist.
Op 19 januari 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres op 15 februari 2024 beroep ingesteld en weer verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft dit besluit op 27 juni 2025 ingetrokken. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk verklaard en de voorlopige voorziening getroffen dat eiseres niet uitgezet mag worden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
Op 5 december 2025 heeft de minister met het bestreden besluit het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit op 29 december 2025 beroep ingesteld en nogmaals verzocht om een voorlopige voorziening. Over deze zaken gaat de huidige procedure.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Voorafgaand aan de zitting heeft de voorzitter van de meervoudige kamer een kindgesprek gevoerd met een kleinzoon van eiseres, [kleinkind 1].
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2026. Op de zitting waren aanwezig: eiseres, de gemachtigde van eiseres, twee dochters van eiseres ([referente], referente, en [dochter 1]), een schoonzoon van eiseres ([schoonzoon]), de oudste kleinzoon van eiseres ([kleinkind 1], de zoon van referente) en de gemachtigde van de minister en zijn kantoorgenoot mr. A. Al-Edani. Het onderzoek is op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de minister op goede gronden de verblijfsaanvraag met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is inmiddels 82 jaar oud. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit gehad en heeft van 1964 tot 1976 samen met haar man en hun toen geboren dochters in Nederland gewoond. Ook heeft zij ruim twaalf jaar in Nederland gewerkt en ontvangt zij een Nederlandse AOW-uitkering. In 1976 is eiseres samen met haar man en dochters teruggekeerd naar Suriname vanwege het werk van haar man. Zij heeft toen haar Nederlandse nationaliteit opgegeven. Eiseres heeft drie dochters, die allen in Nederland wonen en de Nederlandse nationaliteit hebben. Zij werken als medisch specialist en hebben gezinnen gesticht in Nederland. Eiseres is meermalen voor korte perioden naar Nederland gereisd om op bezoek te gaan bij haar dochters en hun gezinnen. In 2012 is de man van eiseres overleden. Eiseres kampt met medische klachten, zoals ernstige kyfoscoliose, een kromming in de rug. De klachten zijn toegenomen in de loop van de tijd. Eiseres verblijft sinds 20 februari 2022 in Nederland. Zij verblijft nu bij referente en haar gezin. Eiseres heeft op 28 maart 2022 een aanvraag gedaan om bij haar familie in Nederland te kunnen verblijven. Daarbij heeft zij om vrijstelling van het mvv-vereiste verzocht op medische gronden en op grond van artikel 8 van het EVRM.
Standpunten partijen
4. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen. De minister legt hieraan ten grondslag dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv en niet kan worden vrijgesteld van dit vereiste. Eiseres wordt niet op grond van haar medische situatie vrijgesteld omdat het BMA geen volledig advies kan opstellen. Eiseres heeft namelijk onvolledige stukken ingediend. Ook komt eiseres niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM. Er is namelijk geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochters of tussen eiseres en haar schoonzoons. Tussen eiseres en haar kleinkinderen [kleinkind 2], [kleinkind 3] en [kleinkind 4] bestaan ook geen hechte persoonlijke banden. Tussen eiseres en haar kleinzoon [kleinkind 1] bestaan wel hechte persoonlijke banden, maar de belangenafweging valt in het nadeel van eiseres uit. Verder hoeft eiseres volgens de minister ook op grond van beschermenswaardig privéleven niet vrijgesteld te worden van het mvv-vereiste. Daarnaast is het ook niet onevenredig hard om vast te houden aan het mvv-vereiste. Ook komt eiseres niet in aanmerking voor een ambtshalve vergunning op grond van artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb vanwege schrijnendheid.
Eiseres heeft gemotiveerd bestreden dat tussen haar en haar dochters en de overige kleinkinderen geen beschermenswaardig familieleven bestaat. Ook meent zij dat de minister de belangenafweging ten aanzien van het familieleven tussen haar en [kleinkind 1] en ten aanzien van het privéleven ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen. De minister heeft verder haar beroep op schrijnendheid onjuist beoordeeld.
Beoordeling van de rechtbank over artikel 8 van het EVRM
5. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag van feitelijke aard is. De beantwoording daarvan is afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Daarbij moet sprake zijn van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.’ De rechtbank toetst het standpunt van de minister of er beschermingswaardig familie- of gezinsleven is vol. De rechtbank verwijst voor een motivering van deze toetsingsmaatstaf naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2025. Verder is het van belang dat alle feiten en omstandigheden betrokken moeten worden die relevant zijn voor de beoordeling van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dat er in het verleden een bepaalde periode geen afhankelijkheid is geweest, mag niet zonder meer doorslaggevend zijn.
De rechtbank zal eerst beoordelen of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiseres en haar dochters geen beschermenswaardig familieleven bestaat. Daarbij zal zij een aantal omstandigheden bespreken die hiervoor van belang zijn. Vervolgens gaat de rechtbank in op de persoonlijke hechte banden tussen eiseres en de overige kleinkinderen. Daarna zal de rechtbank ingaan op de belangenafweging ten aanzien van het door de minister aangenomen gezinsleven met [kleinkind 1] en het privéleven.
Beschermingswaardig familieleven tussen eiseres en haar dochters
Medische en praktische afhankelijkheid
6. Door de minister is niet betwist en op de zitting is erkend dat eiseres afhankelijk is van mantelzorg en dat deze nu geleverd wordt door de familie van eiseres en dan met name door [referente] en haar gezin. Het vereiste van mantelzorg heeft eiseres ook onderbouwd met medische verklaringen. Een BMA-advies acht de rechtbank daarom niet noodzakelijk. Wat betreft de aard en omvang van de zorg overweegt de rechtbank dat uit de reactie op de vragen bij de tweede hoorzitting, het kindgesprek met [kleinkind 1] en het verhandelde ter zitting het volgende blijkt. Door de kyfoscoliose wordt eiseres kleiner en zij is fragiel. De familie heeft verklaard dat eiseres vergeetachtiger wordt en dat zij daardoor minder goed voor zichzelf kan zorgen. Toegelicht is dat eiseres niet meer kan lopen zonder stok of ondersteuning. Zij kan niet meer autorijden omdat het stuur te hoog en te groot is. Verder kan zij geen zware dingen tillen, ook niet bijvoorbeeld een pan of een fles olie. Eiseres wordt begeleid tijdens het boodschappen doen. Zij kan niet meer voor zichzelf koken, want zij komt niet meer boven de pannen op het fornuis uit en vergeet het eten als zij daarmee bezig is. Daarom wordt voor haar gekookt en wordt ervoor gezorgd dat zij voldoende eet. Ook wordt zij geholpen bij het dagelijks druppelen van haar ogen. Er is bijna altijd iemand thuis voor eiseres en als er niemand thuis is, wacht zij totdat iemand thuis is om hulp te krijgen. Gezien eiseres op zitting ziet de rechtbank geen grond om aan deze toelichting te twijfelen. Daarom acht de rechtbank, in tegenstelling tot de minister, de aard en omvang van de mantelzorg, en dus de ADL-afhankelijkheid, wel inzichtelijk.
Ook kan de rechtbank andere tegenwerpingen van de minister in dit kader niet volgen. De minister heeft bij de vraag of er sprake is van medische afhankelijkheid onder andere betrokken of de zorg door anderen in Suriname geleverd kan worden. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat zorg door anderen geleverd kan worden niets zegt over de band tussen eiseres en haar gezin en dus over de vaststelling van familieleven. De vraag of derden zorg kunnen verlenen in Suriname dient een rol te spelen bij de belangenafweging. Volgens de Afdeling is de vraag of een vreemdeling exclusief van een referent afhankelijk is wel een onderdeel dat betrokken mag worden bij de vaststelling of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, maar dit mag niet als doorslaggevend element worden gezien. Uit het arrest Martinez Alvarado volgt namelijk dat voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is vereist dat een vreemdeling exclusief afhankelijk is van een referent en zonder een referent niet zelfstandig kan functioneren.
De minister wijst in dit kader naar het arrest Senchishak. Anders dan de minister acht de rechtbank dit geen vergelijkbare situatie. De dochters van eiseres gingen in de jaren voorafgaand aan haar komst naar Nederland afwisselend naar Suriname om waar mogelijk voor haar te zorgen. Dit bleek ontoereikend. Eiseres bleek verwaarloosd en het ging juist niet goed met haar in Suriname. Daarnaast woont eiseres in bij het gezin van referent, is zij ADL- en mantelzorg afhankelijk en krijgt zij deze hulp de gehele dag van het gezin. Van bovenstaande omstandigheden was geen sprake in de zaak Senchishak. Een belangrijk verschil is ook dat de woonplaats van de dochters van eiseres ver weg is van Suriname, waardoor zij niet gemakkelijk heen en weer kunnen reizen om de benodigde zorg te verlenen. Bovendien bleek de situatie van eiseres te verslechteren toen zij nog in Suriname woonde. De zorg die eiseres nodig heeft kan juist niet op afstand verleend worden. Ook gaat het in de zaak van eiseres niet zozeer om financiële steun, zoals in Senchishak, maar juist om medische en praktische hulp. Het beroep van de minister op dit arrest gaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op.
Bovendien blijkt ook uit het arrest Martinez Alvarado dat voor de vaststelling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid van belang is dat het moet gaan om een situatie “dat hij gedwongen was te vertrouwen op de zorg en ondersteuning van zijn familie in zijn dagelijks leven”. Nu de minister de afhankelijkheid van mantelzorg heeft aangenomen, is hiervan juist sprake. Dit heeft de minister ten onrechte niet bij de vaststelling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid betrokken.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de voorzienbaarheid van de medische klachten ten onrechte bij de vraag of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter heeft betrokken. Of klachten voorzienbaar zijn, is niet relevant voor de vraag of iemand ten tijde van het besluit wel of niet afhankelijk is van medische zorg. Bovendien acht de rechtbank de klachten niet voorzienbaar. Bij eiseres gaat het niet enkel om een ‘normaal’ verouderingsproces, maar is ook sprake van een aandoening aan de rug waardoor haar beperkingen met de tijd toenemen. Ook is zij met de tijd meer vergeetachtig geworden. De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat de aard en omvang van de zorg wel inzichtelijk is. Dan resteert enkel de tegenwerping ten aanzien van de medische afhankelijkheid dat de zorg ook door anderen geleverd kan worden in Suriname en dit mag de minister niet als enige tegenwerpen als exclusief element gebaseerd op bovenstaande uitspraken. Daarnaast acht de rechtbank het ook onduidelijk of de zorg die eiseres nodig heeft door anderen geleverd kan worden. Gebleken is immers dat eiseres voor haar vertrek niet de nodige zorg heeft gekregen in Suriname, waardoor ze verzwakt en verwaarloosd raakte.
Samenwonen en financiële afhankelijkheid
7. Vervolgens stelt de rechtbank het volgende vast ten aanzien van de samenwoning en de financiële afhankelijkheid. Eiseres is met een visum naar Nederland gekomen, omdat haar dochters zagen dat zij niet meer voor zichzelf kon zorgen in Suriname en zichzelf verwaarloosde. Zij is daarna samen gaan wonen met referente en haar gezin. Verder is op de zitting duidelijk geworden dat referente en haar gezin betalen voor de dagelijkse kosten van eiseres.
De rechtbank kan de minister niet volgen in het standpunt dat aan de samenwoning minder waarde moet worden gehecht, nu deze is begonnen zonder een verblijfsvergunning. Eiseres kon niet meer voor zichzelf zorgen en verwaarloosde zich. De omstandigheid dat eiseres eerder in Suriname zelfstandig heeft gewoond, maakt ook niet dat er minder waarde aan de samenwoning gehecht moet worden. De situatie van eiseres is namelijk dusdanig gewijzigd ten tijde van de komst naar Nederland en het moment van het bestreden besluit, dat zij niet meer zelfstandig kan wonen omdat zij afhankelijk is van mantelzorg die geleverd wordt door in ieder geval referente en haar gezin. Daarin onderscheidt de situatie van referente zich ook van die van de andere dochters.
Banden met land van herkomst
8. De minister heeft bij de beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid ook de banden met het land van herkomst betrokken en die beoordeeld als sterke banden met Suriname. De rechtbank is van oordeel dat deze banden genuanceerder bekeken dienen te worden. Eiseres heeft dan wel van 1976 tot 2022 in Suriname gewoond, vrijwillig haar Nederlandse nationaliteit opgegeven en in Suriname een sociaal netwerk gehad, maar haar kinderen en kleinkinderen wonen allen in Nederland en zij hebben allen de Nederlandse nationaliteit. Ook hebben zij en haar man van 1964 tot 1976 gewoond in het Nederlandse deel van het Koninkrijk der Nederlanden en heeft zij blijkens overgelegde verklaringen nog vrienden die zij toen heeft leren kennen. Daarnaast is het vaak een gegeven dat een sociaal netwerk wegvalt naarmate men ouder wordt. Bovendien kon eiseres zich juist niet goed meer staande houden in Suriname en heeft zij enkele nare omstandigheden meegemaakt. Er is een inbraak geweest in haar huis en ook heeft een keer een man met een koevoet voor haar deur gestaan. Verder was zij slachtoffer van een aanrijding.
Conclusie beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en haar dochters
9. De rechtbank is gelet op bovenstaande van oordeel dat er beschermenswaardig familieleven bestaat tussen eiseres en referente. Eiseres is namelijk medisch en praktisch afhankelijk van referente, zij woont bij haar in, referente betaalt de dagelijkse kosten en de banden met Suriname van eiseres wegen niet zo zwaar. De minister heeft dit niet onderkend. De minister heeft zich wel terecht op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en haar andere twee dochters geen beschermenswaardig familieleven bestaat. Zij wonen niet samen met eiseres en niet is onderbouwd dat eiseres van hen afhankelijk is voor zorg.
Dit betekent dat het besluit ten aanzien van het gezinsleven tussen eiseres en referente onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. Daarom kan het bestreden besluit geen standhouden en moet de minister een nieuw besluit nemen met een belangenafweging waarin het gezinsleven tussen referente en eiseres als uitgangspunt wordt genomen.
Hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar overige kleinkinderen
10. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat familie- of gezinsleven tussen grootouders en hun kleinkinderen wordt aangenomen als sprake is van hechte persoonlijke banden. De vraag of sprake is van ‘hechte persoonlijke banden’ is een kwestie van feitelijke aard. Of sprake is van hechte persoonlijke banden moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Een omstandigheid die kan duiden op hechte persoonlijke banden is bijvoorbeeld samenwoning. Ook als de relatie de gebruikelijke omgang ontstijgt, kan dit duiden op hechte persoonlijke banden. Ten aanzien van grootouders en kinderen heeft het EHRM overwogen dat, hoewel het samenwonen van een grootouder en een kleinkind geen vereiste is voor het aannemen van familie- en gezinsleven, aangezien frequent contact ook voldoende kan zijn voor het ontstaan van hechte persoonlijke banden, deze banden doorgaans worden aangenomen indien een grootouder en een kleinkind een tijd hebben samengewoond.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en haar andere kleinkinderen geen beschermenswaardig familieleven bestaat. Zij wonen namelijk niet samen met eiseres. Daarin onderscheidt hun situatie zich met die van [kleinkind 1]. Daarnaast is niet onderbouwd dat om andere redenen sprake zou zijn van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en deze kleinkinderen.
Belangenafweging
Ten aanzien van het gezinsleven met [kleinkind 1]
11. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen. De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat de minister aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister een onjuist uitgangspunt hanteert voor de belangenafweging door uit te gaan van een eerste toelating en niet van een inmengingssituatie. Het standpunt van de minister dat sprake moet zijn van een beëindiging of inperking van een verblijfsrechtelijke positie voor een inmengingssituatie, kan de rechtbank niet volgen. Dit volgt niet uit wet- of regelgeving of rechtspraak. Uit het eigen beleid van de minister volgt dat inmenging in het familie- en gezinsleven wordt aangenomen als de vreemdeling ooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. De stelling van de minister op de zitting dat dit niet van toepassing is op eiseres, omdat zij nooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning vanwege haar Nederlandse nationaliteit, kan de rechtbank niet volgen. Ook als iemand ooit de Nederlandse nationaliteit heeft gehad, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van inmenging.
De rechtbank is van oordeel dat in de belangenafweging ten onrechte de belangen van [kleinkind 1] niet voorop zijn gesteld in de zin van artikel 3 van het IVRK. [kleinkind 1] is door de minister niet gehoord, waardoor sommige aspecten ten onrechte niet zijn betrokken bij de belangenafweging. Tijdens het kindgesprek en de zitting kwam duidelijk de rol naar voren die eiseres en [kleinkind 1] in elkaars leven hebben. [kleinkind 1] heeft duidelijk gemaakt dat eiseres als een extra ouder voor hem is en zij hem mentale steun biedt. Verder heeft [kleinkind 1] duidelijk gemaakt wat het voor hem zou betekenen als eiseres terug zou moeten naar Suriname. Hij heeft gezegd dat hij niet meer naar haar toe zou kunnen, vanwege zijn sport en school. Verder zullen zijn ouders naar eiseres toe moeten als er iets met haar is, en dan heeft hij niemand om mee te praten als hij ergens mee zit. De gedachte dat eiseres het land zou moeten verlaten maakt hem erg verdrietig. Hij heeft verklaard er erg graag te zijn voor eiseres in haar laatste levensfase. De minister heeft ten onrechte niet kenbaar betrokken wat het gescheiden moeten leven van eiseres zou betekenen voor [kleinkind 1] en zijn ontwikkeling, ook bezien zijn sportcarrière. Ook is de minister ten onrechte niet kenbaar ingegaan op de moeilijkheden die [kleinkind 1] zal ervaren als eiseres terug zou moeten naar Suriname en dat deze dus mogelijke een subjectieve belemmering vormen.
De minister is verder ten onrechte in de belangenafweging niet ingegaan op de subjectieve belemmeringen die zijn aangevoerd door eiseres. Zoals met betrekking tot de vereiste mantelzorg voor eiseres. Ook heeft de minister onvoldoende kenbaar in de belangenafweging betrokken dat eiseres haar gehele leven een band heeft gehad met Nederland. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit gehad, heeft eerder in het Nederlandse deel van het Koninkrijk der Nederlanden gewoond en had en heeft hier vrienden. Deze banden hebben zich door de jaren heen verder ontwikkeld, doordat bijvoorbeeld haar dochters terug naar Nederland zijn gegaan en hier gezinnen hebben gesticht. Het centrum van haar sociale leven bevindt zich hiermee inmiddels in Nederland. Verder heeft de minister ook in de belangenafweging ten onrechte de banden met Suriname niet genuanceerd, net zoals bij het beoordelen van de bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank acht het aannemelijk dat een groot gedeelte van het netwerk van eiseres is weggevallen gelet op de leeftijd van eiseres. Ook is juist aangevoerd dat eiseres in Suriname verwaarloosd was en het daar niet goed ging. Zij bleek zich daar moeilijk te kunnen handhaven. Bovendien voelde eiseres zich in Suriname onveilig vanwege de overvallen en een aanrijding.
Aan de kant van de minister weegt het belang van het restrictief toelatingsbeleid, waaronder de economische belangen vallen. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit belang te eenzijdig heeft uitgelegd en niet alle elementen heeft betrokken. De minister heeft namelijk ten onrechte niet betrokken dat eiseres huisvesting heeft bij haar dochter en er geen indicatie is dat dit op enig moment anders zal zijn. Ook doet eiseres geen beroep op de bijstand en ontvangt zij een Nederlandse AOW-uitkering, waar zij ook recht op heeft als zij in Suriname zou wonen. Verder betaalt zij premie voor een zorgverzekering.
Eiseres heeft verder aangevoerd dat in haar voordeel betrokken moet worden dat zij als oud-Nederlander kan opteren voor het Nederlanderschap als zij gedurende één jaar met een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk doel in Nederland heeft gewoond. De rechtbank ziet dit niet als een belang dat de minister dient te betrekken bij de belangenafweging, nu dit een toekomstige gebeurtenis is die losstaat van de huidige aanvraag voor verblijf bij familie- of gezinslid. De minister dient echter wel te betrekken dat eiseres langere tijd in Nederland heeft gewoond en de Nederlandse nationaliteit heeft gehad.
Uit rechtsoverwegingen 11.1 tot en met 11.4 volgt dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Dat maakt dat de belangenafweging ten aanzien van het gezinsleven tussen eiseres en [kleinkind 1] onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. De minister zal dus een nieuwe belangenafweging moeten maken.
Belangenafweging ten aanzien van het privéleven
12. De onder 11.1 tot en met 11.4 genoemde punten zijn ook van toepassing voor de belangenafweging ten aanzien van het privéleven. Nu het besluit op die punten onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is, is ook de belangenafweging ten aanzien van het privéleven onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. Ook ten aanzien van het privéleven zal de minister een nieuwe belangenafweging moeten maken.
Discretionaire bevoegdheid en beroep op schrijnendheid
13. Eiseres stelt dat de minister haar ten onrechte geen verblijfsvergunning verleent in het kader van de hardheidsclausule. Eiseres voldoet aan alle voorwaarden die genoemd zijn in het Informatiebericht van de IND van 13 juli 2015 voor ouderen in de laatste levensfase. Dit betreft een categorie die als schrijnend in de zin van de discretionaire bevoegdheid is bestempeld. Uit recente rechtspraak blijkt volgens haar dat een beroep op het informatiebericht moet worden beoordeeld door de commissie schrijnende zaken. Dat de minister stelt dat de genoemde omstandigheden van eiseres niet bijzonder zijn, kan volgens eiseres geen standhouden, nu deze expliciet als voorwaarden in het informatiebericht worden genoemd, en dus als schrijnend of bijzonder aangemerkt moeten worden.
De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet kan slagen. Ook al bestaat de discretionaire bevoegdheid om in schrijnende gevallen een vergunning te verlenen op grond van artikel 3.6ba van het Vb nog wel, het informatiebericht waarnaar eiseres verwijst is niet langer geldig. Daarom kan een beroep op dat informatiebericht ook niet slagen. Het beroep van eiseres op uitspraken om het standpunt te onderbouwen dat nog steeds getoetst dient te worden aan dit informatiebericht, slaagt evenmin. In de uitspraken waarnaar eiseres verwijst is namelijk geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit informatiebericht niet kan leiden tot toepassing van de hardheidsclausule of het voorleggen aan de Commissie Schrijnende zaken. In de zaak van eiseres is wel gemotiveerd uiteengezet waarom de minister geen gebruik maakt van deze discretionaire bevoegdheid. Deze uitspraken zijn dus niet van toepassing op de zaak van eiseres en maken het oordeel ook niet anders.
Overschrijding van de redelijke termijn
14. Eiseres verzoekt om een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het EVRM.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene. Als uitgangspunt geldt dat voor een bezwaar- en een beroepsprocedure een totale lengte van twee jaar redelijk is. Het bezwaar moet in beginsel binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar worden afgehandeld. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een immateriële schadevergoeding van € 500,00 voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Volgens vaste rechtspraak vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De termijn is dus aangevangen op 5 september 2022. Twee jaar daarna, dus op 5 september 2024, is de redelijke termijn verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn eindigt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet. Vanaf de dag van ontvangst van het bezwaarschrift, dus 5 september 2022 tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank zijn vier jaar verstreken, ofwel 48 maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn met 24 maanden is overschreden. Eiser heeft per half jaar recht op een vergoeding. Nu er naar boven afgerond twee jaar na de overschrijding van de redelijke termijn zijn verstreken, heeft eiseres recht op een vergoeding van € 2.000,-.
De rechtbank dient dan te beoordelen aan wie deze overschrijding toe te rekenen is. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding volledig aan de minister is te wijten. Het bezwaar moet in beginsel binnen een half jaar worden afgehandeld. De minister heeft het bezwaarschrift op 5 september 2022 ontvangen en pas op 5 december 2025 beslist op het bezwaar van eiseres. Het beroep is ruim binnen anderhalf jaar afgedaan, zodat de overschrijding niet (deels) voor rekening van de Nederlandse Staat komt. De minister wordt daarom veroordeeld tot een vergoeding van het bedrag van € 2.000,- aan eiseres.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
Aangezien de rechtbank nu heeft beslist op het beroep, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.269,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL25.63774:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.63775:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt de minister tot het betalen van € 2.000,- aan schadevergoeding aan eiseres;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 388,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.269,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. A.E.J.M. Gielen en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Samenvatting van de uitspraak voor [kleinkind 1]
Beste [kleinkind 1],
Op 4 augustus 2026 hebben wij met elkaar gepraat bij de rechtbank. Jij hebt mij verteld dat jij graag wil dat jouw oma in Nederland mag blijven. Jouw oma is als een extra ouder voor je en brengt je gezelschap. Ook heb jij verteld dat jouw oma jou Surinaamse gerechten leert koken. Verder heb jij verteld dat oma vergeleken met vijf jaar geleden flink achteruit is gegaan. Zij kan bijvoorbeeld geen zware dingen meer tillen en wordt vergeetachtiger.
Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou laat weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief.
Vlak na ons gesprek was de zitting. Daar was jij ook. Daar heb ik gepraat met jouw moeder, jouw oma en haar advocaat. Ik heb ook gepraat met de mensen die namens de minister van Asiel en Migratie kwamen. Na de zitting heb ik samen met mijn collega’s nagedacht over onze beslissing.
Wij hebben besloten dat de minister beter naar de situatie van jouw oma moet kijken. De minister moet beter kijken naar de band die jouw oma met jouw moeder heeft. Ook moet de minister jouw belangen vooropstellen en kijken wat het betekent voor jou om zonder de aanwezigheid van jouw oma te moeten leven. Verder moet de minister ook nog andere belangen betrekken bij het besluit. Zoals dat jouw oma eerder al in Nederland heeft gewoond en de Nederlandse nationaliteit heeft gehad.
Onze beslissing betekent niet dat jouw oma nu een vergunning krijgt om hier te blijven. De minister moet eerst opnieuw naar de situatie kijken en opnieuw een beslissing nemen. Wij hebben de minister daarvoor acht weken de tijd gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen acht weken een nieuw besluit krijgen. Ook moet de minister een schadevergoeding aan jouw oma betalen omdat deze procedure inmiddels al veel te lang duurt.
Als de minister het niet eens is met mijn beslissing, dan kan die binnen vier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de situatie gaat kijken. Ook jouw familie kan in hoger beroep gaan. Als er geen hoger beroep komt, dan is de rechterlijke procedure na onze beslissing klaar en moet de minister een nieuw besluit nemen.
Ik vind het heel goed van je dat je bij me langs bent gekomen om mij te vertellen wat jij ervan vindt. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing heb genomen. Verder wens ik jou heel veel succes toe met het nieuwe schooljaar en met jouw sportcarrière.
Groeten,
De rechter
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.