ECLI:NL:RBDHA:2026:25966

ECLI:NL:RBDHA:2026:25966

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer NL26.34966
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Voorlopige voorziening hangende bezwaar. Mondelinge uitspraak. Verzoekster en haar familie verblijven in Gaza. Alle familieleden hebben een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van nareis verleend gekregen, behalve verzoekster. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht om aan haar een mvv te verlenen zodat zij samen met haar familie Gaza kan verlaten. Dit verzoek kan alleen worden toegewezen in zeer uitzonderlijke situaties waarbij sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit. Daarvan is in het geval van verzoekster sprake. Alles bij elkaar genomen, weegt het belang van verzoekster dan ook zwaarder dan het belang van de minister. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[verzoekster], verzoekster

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.34966

V-nummer: [v-nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

geboren op [geboortedag] 1947, staatloos,

(gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem),

en

(gemachtigde: mr. B. Maas).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoekster om verlening van een mvv voor ‘verblijf bij [referent] (referent)’ afgewezen. Referent is de kleinzoon van verzoekster.

Op 23 juni 2026 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen deze beschikking en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek strekt ertoe dat de voorzieningenrechter zelf in de zaak voorziet en aan verzoekster een mvv verleent zodat zij met de rest van haar familie, die wel een mvv hebben gekregen, Gaza kan verlaten.

De minister heeft een verweerschrift ingediend waarin hij onder andere heeft laten weten zich te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 augustus 2026 ter zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: de neef van referent en andere kleinzoon van verzoekster, mr.

M. Wijngaarden als waarnemer van de gemachtigde van verzoekster en de voornoemde gemachtigde van de minister.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de gevraagde voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat de minister aan verzoekster een machtiging tot voorlopig verblijf moet verlenen;

- bepaalt dat consulaire bijstand moet worden verleend aan verzoekster, zodat zij samen met het gezin Gaza kan verlaten; en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van €1.868,-.

Overwegingen

Griffierecht

1. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De griffier heeft het verzoek om vrijstelling bij bericht van 9 juli 2026 al voorlopig toegewezen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht definitief toe.

Juridisch kader

2. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, teneinde verzoekster een mvv te verlenen, feitelijk een voorlopig karakter ontbeert. De toewijzing van deze voorlopige voorziening zou betekenen dat verzoekster Nederland in kan reizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die zij met haar aanvraag beoogt, terwijl verweerder nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van de voorlopige voorziening zijn dan ook onomkeerbaar. Enkel in zeer bijzondere omstandigheden zal een dergelijk verzoek voor toewijzing in aanmerking komen, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek - in verhouding tot het belang van de minister bij het handhaven van de afwijzing van de aanvraag - zodanig onevenredig zijn dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Voor een dergelijke vergaande beslissing is in principe alleen plaats indien een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit.

Zwaarwegend spoedeisend belang

3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister terecht naar voren gebracht dat de toewijzing van het verzoek onomkeerbare gevolgen heeft en dat daar alleen in zeer uitzonderlijke situaties gebruik van kan worden gemaakt. Dus enkel wanneer een zwaarwegend spoedeisend belang daarom vraagt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar in dit geval sprake van is.

De ouders en zussen van referent wonen samen met verzoekster in Gaza. Niet in geschil is dat verzoekster deel uitmaakt van het gezin in Gaza. Zij heeft ook altijd bij het gezin ingewoond, ook toen haar zoon volwassen werd en is getrouwd. Verzoekster heeft ook de geboorte van haar kleinkinderen kunnen meemaken. De ouders en zussen van referent hebben wel een mvv gekregen om Gaza te verlaten en zich bij referent te voegen.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 13 augustus 2026 een voorlopige voorziening aan de familie van verzoekster toegewezen. In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter aan de minister van Buitenlandse Zaken een inspanningsverplichting opgelegd om consulaire bijstand te verlenen, zodat de gezinsleden van verzoekster Gaza kunnen verlaten. Gelet op de algehele veiligheidssituatie in Gaza als ook dat de minister van Asiel en Migratie heeft erkend dat artikel 8 van het EVRM ertoe leidt dat de gezinsleden en referent bij elkaar moeten kunnen zijn, dient de minister van Buitenlandse Zaken de uitspraak getrouw, en daardoor ook zo snel als mogelijk, uit te voeren.

De voorzieningenrechter overweegt verder dat de situatie in Gaza uiterst schrijnend is. Niet alleen door de dagelijkse doden die nog steeds vallen als gevolg van geweld door het Israëlische leger, maar ook doordat de overlevingskansen sowieso steeds kleiner worden als gevolg van de humanitaire crisis en de bijna ingestorte gezondheidszorg. De voorzieningenrechter leidt dit af uit de door verzoekster overgelegde landeninformatie en uit andere algemeen beschikbare informatie. Alles bij elkaar genomen is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat er sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang.

Redelijke kans van slagen van het bezwaar

4. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het bezwaar redelijke kans van slagen heeft. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteert ten aanzien van de beoordeling van familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM een volle toets. Op basis daarvan is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij alle van belang zijnde elementen dient te betrekken bij de vaststelling van het familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

Verzoekster heeft altijd samengewoond met haar zoon, schoondochter en kleinkinderen. Dat is iets dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter opvalt nu dat niet bij elk gezin het geval is, zeker niet als mensen eenmaal zijn getrouwd en een eigen gezin hebben gevormd.

Ten aanzien van de medische afhankelijkheid is niet in geschil dat verzoekster lijdt aan diabetes type 2. Zij heeft daar een medische verklaring van 23 december 2025 van Palestine red Crescent Society, Al-Amal City Hospital Khanyounes overgelegd. Daarin staat:

The above mentioned female patient [[verzoekster]] is known history of Type tow diabetes Meletus and Hypertension diagnosed since long time and has been follow up in our clinic. Her chronic illness controlled with her regular medications. She needs follow up regularly in our clinic and close follow up for her adherence and management by her family”.

Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidelijk dat verzoekster een medische behandeling en begeleiding van haar familie nodig heeft. Het is niet in geschil dat haar familie in Gaza die begeleiding nu aan verzoekster verleent. Dit is ook een element dat de voorzieningenrechter meeneemt bij de vaststelling van het familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM.

Uit de verklaring van de neef ter zitting is gebleken dat de rol van verzoekster in het gezin die van tweede moeder ten aanzien van de kleinkinderen is geweest.

Ook is van belang dat verzoekster en haar familie hun huis hebben moeten verlaten op last van de Israëlische troepen en dat zij nu al geruime tijd in tenten verblijven, onder erbarmelijke leefomstandigheden. Deze omstandigheid doet iets met het samenzijn en daarmee met de emotionele afhankelijkheid. Dit acht de voorzieningenrechter ook een relevant element dat dient te worden meegenomen.

Alles bij elkaar genomen is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter zowel sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen verzoekster en haar zoon, schoondochter en meerderjarige kleindochter als sprake van hechte persoonlijke banden tussen verzoekster en haar twee minderjarige kleindochters. De voorzieningenrechter stelt dus vast dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

5. Ten aanzien van de daaropvolgende belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM heeft de minister op zitting aangegeven dat het economisch belang van de Nederlandse staat een belangrijke rol speelt. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat de zorg die verzoekster nodig heeft bij vertrek van haar familie uit Gaza door kennissen kan worden verleend.

Aan de kant van verzoekster speelt het belang van het samenzijn met het gezin omdat verzoekster anders alleen achterblijft. De voorzieningenrechter vraagt zich daarbij sterk af of kennissen in Gaza bij vertrek van de familie van verzoekster daadwerkelijk bereid en in staat zullen zijn om de zorg voor haar op zich te nemen. Gelet op de zware omstandigheden in Gaza zullen de meeste mensen in een overlevingsstand staan. Het is sterk de vraag of zij dan ruimte hebben om anderen dan de eigen familie te helpen. Op de zitting is ook duidelijk geworden dat het ziekenhuis vier tot vijf kilometer verderop is. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat uit de informatie die door de gemachtigde van verzoekster is overgelegd, blijkt dat de gezondheidszorg in Gaza momenteel uiterst slecht is. Deze informatie ziet ook op mensen met diabetes en ouderen. Zij zijn extra kwetsbaar en volgens de landeninformatie juist afhankelijk van hun gezin of familie. En dus niet van kennissen. De vraag is dan ook in hoeverre verzoekster in staat zal zijn om zich alleen staande te kunnen houden. De voorzieningenrechter betwijfelt dat ten zeerste. Daarnaast is er sprake van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Gaza uit te oefenen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wegen de belangen van verzoekster dan ook zwaarder dan die van de minister.

6. Alles bij elkaar genomen heeft het bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook een meer dan gerede kans van slagen. Die kans acht de voorzieningenrechter zelfs zeer groot.

De verzochte voorziening

7. Wanneer de voorzieningenrechter kijkt naar de gevraagde voorziening, een onomkeerbare beslissing, en de belangen van verzoekster, de kans dat zij niet met haar familie mee kan reizen, dan stelt hij vast dat bij het niet toewijzen ervan haar familie dan voor de keuze zou worden gesteld om te kiezen om bij verzoekster te blijven of zonder haar uit Gaza te vertrekken. Dat is een dilemma dat de voorzieningenrechter niemand toewenst. Wanneer verzoekster alleen achterblijft, zal dat een situatie zijn die sneller tot de dood kan leiden door de slechte toegang tot zorg en door de huidige humanitaire situatie. Dit geldt voor verzoekster temeer nu zij gelet op haar diabetes zich steeds moet verzekeren van goed voedsel. Alles bij elkaar genomen, weegt het belang van verzoekster dan ook zwaarder dan het belang van de minister. Het geschetste risico van verzoekster draagt namelijk een duidelijk zwartere onomkeerbaarheid met zich dan het risico van de minister.

Conclusie

8. Al het bovenstaande brengt de voorzieningenrechter ertoe dat de minister aan verzoekster een mvv dient te verstrekken op grond van nareis.

9. Ook bepaalt de voorzieningenrechter dat consulaire bijstand moet worden verleend aan verzoekster, zodat zij samen met het gezin Gaza kan verlaten. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de minister van Buitenlandse Zaken.

10. De voorzieningenrechter kent verder twee punten aan proceskostenvergoeding toe (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting), met een waarde van €934,- per punt. Dit komt in totaal neer op een bedrag van €1.868,-.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026 door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.

Dit proces-verbaal is bekend gemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. Hol

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand