RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedag] 1999 en van Ghanese nationaliteit, eiseres
de Minister van Buitenlandse Zaken,
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.24067
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en
(gemachtigde: mr. S Beyik).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlening van een visum voor kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om verlening van een visum. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 30 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep op betalingsonmacht
3. Eiseres heeft verzocht om te worden vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. Dit verzoek is eerder voorlopig toegewezen. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. De rechtbank wijst daarom het verzoek om vrijstelling van het griffierecht definitief toe.
Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf
4. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt. Zij had immers gesteld dat zij haar tante [persoon 1] en haar oma [persoon 2] wenste te bezoeken, maar had de familieband met hen niet onderbouwd volgens de minister. De minister heeft deze tegenwerping ter zitting uitdrukkelijk ingetrokken. Dit is dus niet langer een geschilpunt tussen partijen.
Economische en sociale binding met Ghana
5. Wel worden partijen nog verdeeld gehouden over de vraag of voldoende gewaarborgd is dat eiseres tijdig zal vertrekken.
Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder meer afgewezen als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig – dat wil zeggen voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum – te verlaten. Bij deze beoordeling komt aan de minister beoordelingsruimte toe. De minister kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en/of sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.
Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij een sterke sociale en economische binding heeft met Ghana. Zij is weliswaar ongehuwd en heeft geen kinderen, maar zij woont samen met haar familie en heeft hechte banden met hen. Verder is zij in een vergevorderd stadium van haar studie verpleegkunde. Bovendien heeft zij goede vooruitzichten op de arbeidsmarkt in Ghana omdat er veel vraag is naar zorgpersoneel.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Ghana dat de tijdige terugkeer van eiseres voldoende gewaarborgd is. Daarbij heeft de minister terecht gewezen op het feit dat eiseres stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij op de universiteitscampus is gehuisvest. Dit ondergraaft haar stelling dat zij met haar familieleden samenwoont en dat om die reden sprake is van sociale binding. Verder wijst de minister er terecht op dat eiseres weliswaar heeft gesteld dat zij in een vergevorderd stadium van haar studie is, maar dat eiseres dit niet heeft onderbouwd. Eiseres heeft in de gronden van beroep aangekondigd dat zij een studievoortgangsoverzicht zou nasturen, maar dat heeft zij niet gedaan. Op grond daarvan heeft de minister kunnen oordelen dat ook de gestelde economische binding met Ghana onvoldoende is aangetoond.
Hoorplicht
6. Ook is nog tussen partijen in geschil of de hoorplicht is geschonden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister het bezwaar terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen en om die reden kon afzien van het horen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van
L. Fernandez Ferreiro, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.