RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1], V-nummer: [v-nummer 1]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6995
[eiser 2], V-nummer: [v-nummer 2]
[eiser 3], V-nummer: [v-nummer 3]
samen: eisers
(gemachtigde: mr. D. Brouwer),
en
(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing daarvan. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat er een aantal motiveringsgebreken kleeft aan het bestreden besluit. De rechtbank laat echter wel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eisers om een mvv terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Referent in deze zaak is [referent]. Hij is geboren op [geboortedag 1] 2001. Referent is in 2021 vertrokken uit de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) en is Nederland ingereisd. Hij heeft in Nederland asiel gekregen.
Referent heeft op 6 januari 2022 voor eisers een aanvraag voor een mvv ingediend, op grond van artikel 8 van het EVRM. [naam 1] is de vader van referent, hij is geboren op [geboortedag 2] 1958. [naam 2] is de moeder van referent, zij is geboren op [geboortedag 3] 1966. [naam 3] is de tweelingbroer van referent, hij is geboren op [geboortedag 1] 2001. De moeder van referent heeft de Syrische nationaliteit. De vader van referent, de tweelingbroer van referent en referent zelf zijn Palestijns.
Met het primaire besluit van 14 september 2023 heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen. Verweerder heeft vastgesteld dat referent als jongvolwassene nog behoort tot het gezin van zijn ouders en dat daarmee sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft de belangenafweging in dat kader echter in het nadeel van eisers laten uitvallen. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat tussen referent en zijn tweelingbroer geen sprake is van familieleven. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Verweerder heeft twee rapportages Digitaal Onderzoek (OSINT-rapporten) laten opstellen gedateerd 12 november 2024 en 4 december 2024. Uit deze rapportages blijkt dat onderzoek is gedaan naar de werkzaamheden van de vader en de tweelingbroer. Uit deze rapportages volgt – zo stelt verweerder – dat de vader van referent zeer waarschijnlijk nog steeds werkt en dat de broer werkt als intern physician, waarvoor hij een verblijfsvisum in de VAE nodig heeft. Eisers hebben op 23 januari 2025 aanvullende bezwaargronden ingediend met een reactie op de OSINT-rapporten.
Op 15 januari 2025 is een hoorzitting gehouden in de bezwaarfase.
Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft familieleven aangenomen tussen referent en zijn ouders, maar heeft de belangenafweging in dat kader wederom in het nadeel van eisers laten uitvallen. Verweerder heeft geen familieleven aangenomen tussen referent en zijn tweelingbroer. Verweerder heeft het bestreden besluit (deels) gebaseerd op de OSINT-rapporten.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, M. Majdoubi als tolk in de Arabische taal en mr. C.J. Ohrtmann als de gemachtigde van verweerder.
Op de zitting is de behandeling van het beroep aangehouden, omdat de aangevoerde beroepsgronden te omvattend bleken om deze binnen de daarvoor ingeruimde zittingstijd te behandelen.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op de zitting van 31 augustus 2026. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, M. Essebai als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eisers voor een mvv terecht heeft afgewezen.
Reactie op de OSINT-rapporten
Eisers voeren aan dat het onzorgvuldig is dat verweerder hun reactie op de OSINT-rapporten niet heeft betrokken in de besluitvorming. Eisers hebben namelijk gereageerd en gesteld dat de site [website] niet door de vader zelf wordt geüpdatet omdat het een open source website is en dat [naam 3] bij de inschrijving van zijn studie de verblijfsvergunning die afhankelijk is van zijn vader heeft ingediend. Verweerder heeft daar geen rekening mee gehouden.
De rechtbank volgt eisers hierin. Verweerder heeft in het verweerschrift ook erkend dat de reactie op de OSINT-rapporten niet is betrokken, omdat de stukken elkaar hebben gekruist. De rechtbank stelt vast dat daarmee een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit. Verweerder is in het verweerschrift echter wel ingegaan op de reactie op de OSINT-rapporten. Verweerder heeft – kortgezegd – toegelicht dat het hem vrij staat om nader onderzoek te doen naar de stelling van eisers dat zij de VAE worden uitgezet. Verweerder heeft verder gesteld dat, hoewel het oorspronkelijke verblijfsrecht van de vader kennelijk op 1 januari 2023 is geëindigd, eisers nog altijd woonachtig zijn in de VAE. Daarbij is [naam 3] in september 2024 begonnen aan zijn stage en daarvoor heeft hij volgens verweerder ook een geldig verblijfsvisum nodig. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee de reactie op de OSINT-rapporten voldoende betrokken en is het gebrek hersteld. Eisers zijn daarom niet geschaad in hun belangen. De rechtbank zal aan het einde van deze uitspraak terugkomen op de gevolgen van het motiveringsgebrek.
Belangenafweging
De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat tussen referent en zijn ouders sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. In geschil is wel of verweerder de belangenafweging in dat kader in het nadeel van de ouders mocht laten uitvallen.
Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen. De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.
Te weinig gewicht aan familieleven
Eisers voeren aan dat verweerder te weinig gewicht heeft toegekend aan het familieleven. Volgens eisers had verweerder hierbij niet mogen betrekken dat referent in de toekomst mogelijk de VAE kan bezoeken, omdat hij een naturalisatieaanvraag heeft ingediend. Dit is een onzekere toekomstige gebeurtenis en op het moment van de aanvraag kon hij zijn familieleden niet bezoeken.
De rechtbank stelt vast dat het familieleven in het voordeel van de ouders is gewogen. Bij de vraag hoe zwaar dit belang weegt, heeft verweerder betrokken dat referent een naturalisatieaanvraag heeft ingediend en dat hij na het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit zijn ouders en [naam 3] kan bezoeken in de VAE. De rechtbank kan volgen dat verweerder dit heeft meegenomen in de vraag hoe zwaar het familieleven in dit geval weegt. Eisers worden niet gevolg in hun standpunt dat hiermee te veel is vooruitgelopen op een mogelijke naturalisatie. Het is een omstandigheid die meeweegt bij het gewicht dat wordt toegekend aan de bestaande objectieve belemmering. De rechtbank is verder van oordeel dat eisers onvoldoende hebben gemotiveerd waarom er zwaarder gewicht moest worden toegekend aan het familieleven dan in dit geval is gedaan.
Te weinig gewicht aan objectieve belemmering
Eisers voeren aan dat verweerder te weinig gewicht heeft toegekend aan de objectieve belemmering. Volgens eisers heeft verweerder een kleinere beoordelingsruimte door het artikel 3 EVRM-risico. Voor vluchtelingen gelden gunstigere voorwaarden en verweerder had daar rekening mee moeten houden. Eisers verwijzen ook naar het arrest van het EHRM B.F. e.a. tegen Zwitserland.
De rechtbank stelt vast dat de objectieve belemmering in het voordeel van de ouders is gewogen. Voor zover eisers hebben gesteld dat dit zwaarder zou moeten wegen, volgt de rechtbank eisers niet. De rechtbank merkt hierover allereerst op dat verweerder in het verweerschrift heeft gesteld dat er ‘veel’ gewicht toekomt aan de objectieve belemmering. De rechtbank heeft verder gezien dat referent een vluchtelingenachtergrond heeft. Daar wil de rechtbank niet aan af doen. Tegelijkertijd heeft referent aan de rechtbank geen nadere toelichting gegeven over waarom het voor hem zo lastig is om het familieleven uit te oefenen in zijn land van herkomst. Dat staat referent uiteraard vrij. Maar de rechtbank ziet vanwege het ontbreken van een op de zaak toegespitste toelichting geen aanknopingspunten voor het standpunt dat er in dit geval meer gewicht aan de objectieve belemmering moet worden toegekend, dan het ‘veel’ gewicht dat verweerder er al aan heeft toegekend. En hoewel verweerder beschikt over het asieldossier en dus over meer informatie over de objectieve belemmering, is het in dit geval de rechtbank die moet toetsen of verweerder er meer gewicht aan had moeten toekennen. De rechtbank komt tot de conclusie van niet. De verwijzing van eisers naar het arrest B.F. e.a. tegen Zwitserland, waar kortgezegd uit volgt dat in een belangenafweging meer gewicht toekomt aan een onoverkomelijke belemmering om het familie- en gezinsleven in een ander land uit te oefenen naarmate de tijd verstrijkt, maakt het voorgaande niet anders. Ook op dit punt hebben eisers hun standpunt onvoldoende concreet gemotiveerd.
Voortzetting familieleven op afstand
Eisers voeren aan dat voortzetting van het familieleven op afstand niet van hen kan worden verlangd. Eisers verwijzen naar de uitspraak van het EHRM Udeh tegen Zwitserland en naar de Guide on Article 8 van het EHRM.
De rechtbank overweegt als volgt. De situatie in het arrest Udeh tegen Zwitserland was een andere situatie dan die van eisers. In dat arrest ging het namelijk om de uitzetting van een vreemdeling die al jarenlang in Zwitserland verbleef met zijn gezin. Het EHRM heeft geoordeeld dat er groot gewicht toekomt aan het belang van minderjarige kinderen om met hun ouders op te groeien. Het EHRM benadrukte dat samenleven een belangrijk onderdeel is van het recht op eerbiediging van het gezinsleven en dat er, door het uitzetten van de vreemdeling, een inbreuk zou worden gemaakt op het familieleven dat in Zwitserland werd uitgeoefend. De rechtbank erkent dat het samenleven een belangrijk onderdeel is van het recht op eerbiediging van het gezinsleven. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het arrest Udeh van Zwitserland echter niet dat het zo ver moet gaan dat verweerder in de belangenafweging niet mag betrekken dat het familieleven op afstand kan worden uitgeoefend. De stelling van eisers dat het van hen niet verlangd kan worden om hun familieleven op afstand uit te oefenen, volgt de rechtbank dan ook niet.
Psychische problemen
Eisers voeren aan dat verweerder de psychische problemen van referent had moeten betrekken in de belangenafweging.
De rechtbank stelt voorop dat zij goed kan begrijpen dat het voor referent moeilijk is om al jaren niet meer samen te leven met zijn ouders en zijn tweelingbroer. De rechtbank ziet echter dat verweerder in het bestreden besluit wel aandacht heeft besteed aan de psychische problemen van referent. Verweerder heeft er echter niet het gewicht aan toegekend dat eisers zouden wensen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat er in dit geval meer gewicht moest worden toegekend aan de psychische problemen dan verweerder nu heeft gedaan.
Gedwongen scheiding
Eisers voeren aan dat verweerder de gedwongen scheiding niet heeft meegenomen bij de vaststelling dat referent al vier jaar op zichzelf is. Volgens eisers heeft verweerder te veel gewicht toegekend aan de stappen naar zelfstandigheid die referent heeft gemaakt. Als verweerder sneller had beslist, had referent minder stappen naar zelfstandigheid gezet en was verweerder tot een andere uitkomst gekomen.
De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in een uitspraak van14 juni 2024 overwogen dat de toepasselijkheid van het jongvolwassenenbeleid impliceert dat een vreemdeling of referent in enige mate afhankelijk is van zijn ouders, maar dat dit niet betekent dat aan die afhankelijkheid in de belangenafweging zonder meer een zodanig zwaar gewicht moet worden toegekend, dat alleen al daarom de belangenafweging in het voordeel van betrokkenen zou moeten uitvallen. Er is sprake van twee beoordelingskaders waarbij de weging van de feiten kan verschillen. Dit brengt met zich dat verweerder in de belangenafweging ook rekening mag houden met bijvoorbeeld de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling of referent inmiddels zelfstandig functioneert. De Afdeling heeft deze uitspraak bevestigd in haar drie uitspraken over het jongvolwassenenbeleid van 27 mei 2026. Daarin heeft de Afdeling overwogen dat verweerder in het nadeel van betrokkenen mocht meewegen hoelang zij en de referent ten tijde van het besluit op bezwaar al gescheiden van elkaar leven.
De rechtbank stelt vast dat verweerder, gelet op deze rechtspraak, rekening mag houden met de gemaakte stappen naar zelfstandigheid. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat verweerder daar te veel gewicht aan heeft toegekend, volgt de rechtbank eisers niet. De rechtbank ziet namelijk dat verweerder de stappen naar zelfstandigheid beperkt in het nadeel heeft meegewogen, door de leeftijd en psychische problemen van referent. Eisers hebben verder niet onderbouwd dat er minder gewicht aan had moeten worden toegekend dan verweerder nu heeft gedaan.
Binding met Nederland
Eisers voeren aan dat de binding met Nederland niet zeer zwak is. Referent is ingeburgerd en volgt een opleiding in Nederland.
De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder heeft gesteld dat de binding met Nederland van de ouders zeer zwak is, omdat zij de cultuur niet kennen, de taal niet spreken en nog nooit in Nederland zijn geweest. De rechtbank kan volgen dat verweerder die binding als zeer zwak heeft beoordeeld.
Landeninformatie
Eisers voeren aan dat verweerder bij de beoordeling van de binding met de VAE ten onrechte niet de in bezwaar aangevoerde landeninformatie heeft betrokken. Daaruit volgt namelijk dat uitzetting na het einde van een verblijfsrecht de vaste praktijk is in de VAE. Verweerder had moeten betrekken dat eisers geen stabiel verblijfsrecht hebben in de VAE.
De rechtbank volgt eisers hierin. De rechtbank ziet in het bestreden besluit ook niet terug dat verweerder de in het bezwaar genoemde landeninformatie heeft betrokken. Dat betekent dat er een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder op de zitting voldoende heeft toegelicht waarom niet als belang is meegenomen dat eisers geen stabiel verblijfsrecht hebben in de VAE. Verweerder heeft namelijk gesteld dat de mogelijke uitzetting van eisers uit de VAE voor verweerder onvoldoende concreet is om dit uitdrukkelijk mee te nemen als belang. De rechtbank kan deze motivering volgen, nu eisers nog steeds in de VAE wonen en het nog steeds niet helemaal zeker is of zij wel of geen verblijfsrecht hebben. Omdat verweerder op de zitting met een toereikende motivering is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het motiveringsgebrek voldoende heeft hersteld. Eisers zijn daarom niet geschaad in hun belangen. De rechtbank zal aan het einde van deze uitspraak terugkomen op de gevolgen van het motiveringsgebrek.
Staatloosheid gezinsleden
Eisers voeren aan dat door hun staatloosheid de binding met de landen anders moet worden gewogen.
De rechtbank volgt eisers hierin niet. Eisers hebben niet geconcretiseerd hoe de binding anders gewogen had moeten worden. Bovendien wonen eisers al lang in de VAE en zijn referent en [naam 3] daar geboren. Naar het oordeel van de rechtbank is er dus wel sprake van binding met de VAE en heeft verweerder dat terecht betrokken in de belangenafweging.
Economisch belang
Eisers voeren aan dat verweerder het economisch belang van de Nederlandse staat ten onrechte drie keer heeft tegengeworpen. Eisers verwijzen ter onderbouwing naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 juni 2024. Volgens eisers had verweerder niet mogen meenemen dat [naam 3] een beroep zal doen op het onderwijs en dat de moeder een beroep zal doen op de zorg in Nederland. Dat is namelijk onvermijdelijk en toepasbaar op alle vreemdelingen. Volgens eisers had verweerder ook niet mogen meenemen dat eisers mogelijk een beroep doen op huurtoeslag, omdat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte niet heeft meegenomen dat referent ook een leeg huis achterlaat.
De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in drie uitspraken van27 mei 2026 uitgelegd hoe het economisch belang gewogen moet worden. Daaruit volgt dat verweerder bij de belangenafweging een bepaalde beoordelingsruimte heeft. Verweerder mag die ruimte echter niet categorisch zo beperken dat aan het economisch belang in elk afzonderlijk geval steeds evenveel gewicht toekomt in die zin dat het altijd van doorslaggevend gewicht is, zodat er - uitzonderingen in sociaal-medisch dringende situaties daargelaten - geen andere belangen tegenover kunnen worden gesteld als gevolg waarvan de belangenafweging wel in het voordeel van een vreemdeling uitvalt. Verweerder moet in zijn beslispraktijk rekening houden met de omstandigheden van het geval in de belangenafweging en een vreemdeling kan omstandigheden in zijn voordeel aanvoeren, ook bij de weging van het economisch belang als zodanig. De Afdeling heeft overwogen dat het voor zich spreekt dat dergelijke omstandigheden dan ook in de weging moeten worden betrokken en dus ook kunnen afdoen aan het gewicht dat aan het economisch belang van Nederland in de belangenafweging in een concreet geval toekomt.
In dit geval heeft verweerder het economisch belang in het nadeel van de ouders gewogen. Verweerder heeft betrokken dat referent geen eigen middelen van bestaan heeft, maar heeft dit minder zwaar meegewogen vanwege de leeftijd en psychische problemen van referent. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met de specifieke omstandigheden van referent, zoals ook volgt uit de rechtspraak van de Afdeling.
Voor zover eisers hebben aangevoerd dat verweerder niet had mogen meenemen dat [naam 3] een beroep zal doen op het onderwijs, dat de moeder een beroep zal doen op de zorg in Nederland en dat eisers een beroep zullen doen op huurtoeslag, volgt de rechtbank eisers niet. Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt namelijk dat verweerder bij de beoordeling rekening moet houden met alle relevante aspecten en daarbij dus ook relevante onzekere toekomstige gebeurtenissen, zowel de toekomstige onzekere gebeurtenissen die verweerder in de beoordeling betrekt als de toekomstige onzekere gebeurtenissen die een vreemdeling naar voren brengt. Verweerder mag in zijn beoordeling minder gewicht toekennen aan een gebeurtenis naarmate het onwaarschijnlijker is dat die gebeurtenis zal plaatsvinden. De rechtbank is dus van oordeel dat verweerder het mogelijke beroep op onderwijs en de zorg in Nederland terecht heeft betrokken.
De rechtbank volgt eisers verder in hun standpunt dat verweerder in de weging van het economisch belang niet expliciet heeft betrokken dat referent een leeg huis achterlaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de weging van het economisch belang verder echter uitgebreid en toereikend gemotiveerd. De rechtbank kan die motivering – enigszins terughoudend toetsend – goed volgen. De enkele reden dat verweerder niet expliciet heeft benoemd dat referent een leeg huis achterlaat, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de belangenafweging niet in stand kan worden gelaten.
Restrictief toelatingsbeleid
Eisers voeren aan dat verweerder het restrictief toelatingsbeleid ten onrechte heeft aangemerkt als een belang van de Nederlandse staat.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid onderdeel is van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving, in de zin van het economisch welzijn in bredere zin, en dat dit op meer ziet dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen vanuit de openbare kas. In het bestreden besluit heeft verweerder het restrictieve toelatingsbeleid opgenomen als belang onder het kopje ‘belangen van de Nederlandse staat’. Verweerder heeft verder overwogen dat met de vermelding van het restrictieve toelatingsbeleid het kader wordt aangegeven. Daarmee heeft verweerder beoogd aan te geven dat artikel 8 van het EVRM een soort resttoets is, naast het nareisbeleid. Verweerder heeft het belang van het restrictieve toelatingsbeleid, op zichzelf, zwaar in het nadeel van eisers laten wegen.
De rechtbank kan deze weging niet helemaal volgen. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder dit belang namelijk niet op zichzelf zwaar in het nadeel kunnen laten wegen. Dit betekent dat er een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit. De rechtbank kan de weging van de belangen van de Nederlandse staat verder echter goed volgen en vindt dat verweerder dat toereikend heeft gemotiveerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers door het motiveringsgebrek niet in hun belangen zijn geschaad. De rechtbank zal aan het einde van deze uitspraak terugkomen op de gevolgen van het motiveringsgebrek.
Inspanningsverplichting
Eisers voeren aan dat verweerder niet van referent redelijkerwijs kon verwachten dat hij zijn gezin volledig financieel steunt. Referent heeft namelijk voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Hij heeft een studie gevolgd en heeft naar werk gezocht.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft in het verweerschrift erkend dat het standpunt in het bestreden besluit dat van referent mag worden verwacht dat hij zijn gezinsleden volledig financieel ondersteunt, niet juist is. Dit betekent dat er een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit. In het verweerschrift heeft verweerder echter gesteld dat verweerder wel rekening mag houden met het feit dat referent geen middelen van bestaan heeft, geen betaalde baan heeft en hij zich niet heeft gewend tot hulpinstanties bij het zoeken naar werk. De rechtbank kan deze motivering volgen. Dat betekent dat verweerder met het verweerschrift het motiveringsgebrek voldoende heeft hersteld. Eisers zijn daarom niet geschaad in hun belangen. De rechtbank zal aan het einde van deze uitspraak terugkomen op de gevolgen van het motiveringsgebrek.
Conclusie belangenafweging
17. De rechtbank concludeert dat de gemaakte belangenafweging in zijn algemeenheid een ‘fair balance’ is tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang.
Familieleven tussen de broers
Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte geen familieleven tussen referent en [naam 3] heeft aangenomen. Zij zijn een tweeling en hebben altijd samengewoond. Volgens eisers is het niet te volgen dat referent en [naam 3] beide behoren tot het gezin van de ouders, maar dat er geen familieleven tussen hen beide wordt aangenomen.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen referent en zijn ouders is sprake van familieleven. Tussen [naam 3] en zijn ouders is ook sprake van familieleven. Dat betekent echter nog niet dat tussen referent en [naam 3] sprake is van familieleven. Het toetsingskader voor de vraag of tussen meerderjarige broers sprake is van familieleven, is namelijk of tussen hen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder hierover aanvullend toegelicht dat verweerder in dit soort zaken alle banden onderling moet toetsen en dat het een technische systematiek is. Als uiteindelijk zou worden vastgesteld dat de ouders van referent vallen onder de toepassing van artikel 8 van het EVRM, zou dat betekenen dat [naam 3] ook met hen mee naar Nederland mag. De rechtbank kan deze motivering van verweerder volgen.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en [naam 3]. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar de motivering in het primaire besluit, omdat eisers die motivering niet gemotiveerd hebben bestreden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daar goed heeft uitgelegd waarom geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en [naam 3]. De rechtbank kan volgen dat het feit dat referent en [naam 3] tweelingbroers zijn en dat zij hun hele leven hebben samengewoond niet voldoende is voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen.
Conclusie en gevolgen
De rechtbank concludeert dat aan het bestreden besluit vier motiveringsgebreken kleven. Dat betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet in deze motiveringsgebreken echter geen aanleiding om verweerder op te dragen een nieuw besluit nemen. De rechtbank vindt namelijk dat verweerder deze gebreken voldoende heeft hersteld en dat, ondanks die gebreken, de belangenafweging een ‘fair balance’ is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers door de gebreken niet geschaad in hun belangen. Dat maakt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laat, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft de aanvraag van eisers om een mvv dus terecht afgewezen.
Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Eisers krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde van eisers heeft een beroepschrift ingediend en heeft twee keer aan een zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.