RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres], eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna te noemen: de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.26104 (beroep) en NL25.26105 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
geboren op [geboortedag] 2010, van Surinaamse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. A.S. Bodha),
en
(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).
Procesverloop
1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar vader (hierna: referent). De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 8 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 mei 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende dat zij de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Besluitvorming
Achtergrond
2. Eiseres is geboren in Suriname. De ouders van referent hebben voor haar gezorgd. Toen eiseres drie jaar oud was, is referent naar Nederland gegaan. De moeder van eiseres is nauwelijks bij haar opvoeding betrokken geweest. Zij is naar China gegaan en later naar de Verenigde Staten verhuisd. Eiseres heeft tot haar vertrek naar Nederland in 2023, bij haar grootouders in Suriname gewoond. Zij is middels een Schengenvisum in 2023 bij referent op bezoek gekomen. Eiseres heeft op 23 oktober 2023 vanuit Nederland een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij referent ingediend.
3. De minister heeft de aanvraag van eiseres met het primaire besluit afgewezen, omdat zij niet in bezit is van een mvv en ook niet in aanmerking komt voor een vrijstelling daarvan. De minister heeft doorgetoetst aan artikel 8 van het EVRM en is tot de conclusie gekomen dat er weliswaar sprake is van familie- en privéleven, maar dat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt.
In het bestreden besluit is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister overweegt dat eiseres niet heeft aangetoond dat referent altijd op afstand, toen zij nog in Suriname bij haar grootouders woonde, betrokken was bij haar opvoeding en daar financieel aan heeft bijgedragen. Verder is niet onderbouwd dat haar moeder niet voor haar kan of wil zorgen, terwijl er wel contact is, en is niet aangetoond dat referent het gezag over eiseres heeft. Ook is er geen toestemmingsverklaring van de moeder van eiseres overgelegd. Ten aanzien van het familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM, overweegt de minister dat de belangenafweging nog steeds in haar nadeel uitvalt. Haar banden met Suriname zijn sterker en de algemene omstandigheden in Suriname zijn onvoldoende om aan eiseres een vergunning te verlenen. Dat referent hier andere minderjarige Nederlandse kinderen heeft, heeft geen gevolgen voor het familieleven van eiseres met referent omdat referent geen gezag heeft over eiseres.
De beoordeling van het beroep
4. Eiseres voert aan dat zij in bezwaar wel heeft aangetoond dat referent financieel heeft bijgedragen aan haar opvoeding, toen zij nog in Suriname woonde. Daarnaast heeft zij met bewijsmiddelen aangetoond dat haar moeder op dit moment en in het verleden nauwelijks een rol heeft gespeeld in jaar leven. De moeder van eiseres heeft in een verklaring laten weten dat zij niet voor eiseres kan zorgen en uitdrukkelijk toestemming verleent dat eiseres bij referent in Nederland kan wonen. Dat referent onder deze omstandigheden wordt gevraagd om aan te tonen dat hij met het gezag is belast, is onnodig. De grootouders van eiseres kunnen niet meer voor haar zorgen. Opa is bijna blind en oma moet voor hem en voor haar eigen moeder zorgen. De overgrootmoeder van eiseres is dement en heeft dagelijks verzorging nodig. Referent heeft in totaal negen kinderen met wie hij allemaal contact heeft. De in Nederland woonachtige kinderen hebben allemaal de Nederlandse nationaliteit. Er is daarom ook een belemmering om het familieleven in Suriname uit te oefenen. Daarnaast heeft de minister de belangen van het kind onvoldoende bij de besluitvorming betrokken.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Met betrekking tot het maken van een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM waar minderjarige kinderen bij betrokken zijn, moet het belang van het kind voorop staan. Volgens het beleid van de minister moet het belang van minderjarige kinderen daarin tot uitdrukking worden gebracht en moet daar aanzienlijk gewicht aan toekomen. In de belangenafweging dienen daarnaast alle relevante belangen kenbaar betrokken te worden.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangen van het kind onvoldoende in de belangenafweging heeft meegenomen. De rechtbank acht daarbij het volgende relevant. De moeder van eiseres heeft in een verklaring gezet dat er tot haar grote spijt geen plek is voor eiseres in haar leven, dat eiseres het grootste deel van haar leven bij de ouders van referent heeft doorgebracht en dat eiseres, nu die niet meer voor haar kunnen zorgen, bij referent moet verblijven. De moeder van eiseres wenst in de huidige situatie geen verandering te brengen. De rechtbank leest in deze verklaring dat de moeder van eiseres kennelijk toestemming voor het verblijf van eiseres bij referent geeft. Verder hebben de grootouders van eiseres in een verklaring laten weten dat zij door hun leeftijd niet meer voor eiseres kunnen zorgen. Referent heeft daar op zitting aan toegevoegd dat zijn moeder de zorg voor eiseres niet meer aan kan, mede omdat zij zorg voor haar eigen moeder verleent. Eiseres heeft een e-mail van 1 april 2025 in beroep overgelegd waarin deze verklaringen aan een medewerker van de IND zijn verstuurd. Dat de minister op zitting stelt dat deze verklaringen pas in beroep worden overgelegd, volgt de rechtbank daarom niet.
Verder heeft eiseres aangeven dat zij al haar hele leven zeer weinig contact met haar moeder heeft gehad en altijd goed contact heeft onderhouden met referent. Referent heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar en op de zitting nogmaals toegelicht dat hij na zijn vertrek uit Suriname eiseres heeft bezocht. Tussen 2013 en 2016 onderhield hij telefonisch contact, maar sinds 2016 is hij drie á vier keer per jaar voor twee á drie weken naar Suriname afgereisd om eiseres te bezoeken. Eiseres heeft aangegeven dat zij momenteel één keer per maand per WhatsApp kort contact heeft met haar moeder en dat dit minder is dan zij zou willen. Ook woont eiseres bij referent met twee van zijn minderjarige kinderen en hebben alle in Nederland woonachtige kinderen de Nederlandse nationaliteit. De band die eiseres met referent heeft, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende kenbaar in de belangenafweging betrokken. Verder heeft referent op de zitting toegelicht dat hij met al zijn kinderen in Nederland frequent contact onderhoudt en dat hij hen regelmatig ziet. Ook heeft hij goed contact met zijn twee kinderen die in België wonen. Dat geldt ook voor eiseres. Daarnaast heeft referent op de zitting verteld dat hij in totaal zeven broers en zussen heeft die allemaal in Nederland wonen. Het bovenstaande zegt naar het oordeel van de rechtbank ook iets over de banden van eiseres met Nederland. Ook dat heeft de minister onvoldoende bij de belangenafweging betrokken. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 3:45 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, nu de rechtbank geen aanleiding ziet om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister dient opnieuw een belangenafweging te maken waarbij de belangen van het kind als uitgangspunt worden genomen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het oordeel van de rechtbank geen doelmatige afdoening van het geding is. Dat betekent dat de rechtbank de minister zal opdragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
7. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek om die reden af.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten aan eiseres vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het dienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van€ 934,- en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Beslissing
De rechtbank,
ten aanzien van de zaak geregistreerd onder NL25.26104:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
ten aanzien van de zaak geregistreerd onder NL25.26105:
- wijst het verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening af;
in beide zaken:
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 388,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Beste [eiseres],
Op 6 augustus 2026 hebben wij met elkaar gesproken op de rechtbank. Je hebt mij verteld dat jij graag bij jouw vader in Nederland wil komen wonen. Je hebt aangegeven weinig contact met jouw moeder te hebben en dat je dat jammer vindt, maar dat dit de situatie is. Als jij terug moet naar Suriname zal dat lastig voor jou zijn, omdat jouw moeder naar de Verenigde Staten is verhuisd en jouw grootouders niet meer voor jou kunnen zorgen. Jij woont in Nederland samen met jouw vader, [naam 1] en hun kinderen [naam 2] en [naam 3]. De andere kinderen van jouw vader wonen in Heerhugowaard en België. Ook heb jij verteld dat jij net bent geslaagd en psycholoog wil worden. Verder heb jij verteld over jouw werkzaamheden voor de Jongerenrechtbank op de middelbare school.
Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief. Op 6 augustus 2026 was ook de zitting. Toen heb ik gepraat met jouw vader, zijn advocaat en met een meneer die kwam namens de minister voor Asiel en Migratie.
Ik heb op de zitting verteld wat jij vindt van de situatie, zoals wij dat aan het eind van ons gesprek met elkaar hadden afgesproken. De mensen die op de zitting waren, hebben verteld hoe zij er tegenaan kijken. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing. Ik vind dat jij en je vader gelijk hebben. Jullie hebben de zaak dus gewonnen. De minister moet van mij opnieuw naar de zaak kijken en een nieuw besluit nemen. Ik neem die beslissing omdat de minister niet goed genoeg heeft gekeken naar jouw belangen, de band met jouw vader en de banden met Nederland.
Als de minister het niet eens is met mijn beslissing, dan kan hij binnen vier weken in hoger beroep gaan bij een hogere rechter, die dan nog eens naar de zaak gaat kijken. Als er geen hoger beroep komt dan moet de minister een nieuw besluit nemen en nog een keer naar jouw zaak kijken.
Ik hoop dat het voor jou zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik die beslissing heb genomen. Verder hoop ik dat het goed met jou zal gaan.
Met vriendelijke groeten,
De rechter: meneer Hirzalla
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.