RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.31744 en NL26.31745
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk. Verweerder heeft de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser terecht ongeloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 juni 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1989. Hij is homoseksueel en hierdoor heeft hij problemen ondervonden met zijn familie, zijn omgeving, de politie en een criminele bende in Marokko. Eiser vreest bij terugkeer problemen te ondervinden met zijn familie en de drugshandelaren door wie hij is bedreigd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante motieven:
Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig, maar eisers homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die het tweede asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft verweerder de verklaring van eiser op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder vindt dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo blijven de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele geaardheid summier en oppervlakkig, verklaart hij oppervlakkig en ongerijmd over de homoseksuele gevoelens tijdens zijn jeugd, oppervlakkig en onsamenhangend over zijn relaties met mannen, summier en onsamenhangend over de gestelde problemen en heeft eiser weinig kennis over de LHBTI-situatie in Europa. Daarnaast heeft eiser niet zo spoedig mogelijk asiel aangevraagd en heeft hij daarvoor geen goede verklaring. Ten slotte kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat hij heeft gelogen over zijn nichtje in Duitsland waarmee hij zou trouwen, over een vriendin in Spanje waarmee hij zou trouwen en verklaart hij tegenstrijdig over zijn werkzaamheden in een autogarage in Nederland.
Eiser is geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en eiser loopt bij terugkeer naar Marokko geen reëel risico op ernstige schade. Dat eiser uit Marokko komt is daarvoor onvoldoende. Het asielmotief waar de vrees betrekking op heeft is daarnaast niet geloofwaardig geacht.
Verweerder wijst de asielaanvraag daarom af als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder d, e, f en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), zoals dit artikel luidde tot 12 juni 2026. Dit betekent dat verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt, verklaringen heeft afgelegd die zijn beoordeeld als kennelijk inconsequent, tegenstrijdig, kennelijk vals en duidelijk onwaarschijnlijk, eiser zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen en eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.
Eiser heeft al een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd gekregen.
Zienswijze
5. Eiser verzoekt in zijn gronden om al hetgeen hij heeft gesteld in de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank overweegt dat die algemene verwijzing onvoldoende is om te kunnen dienen als een beroepsgrond. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Heeft verweerder eisers homoseksualiteit terecht ongeloofwaardig gevonden?
6. Eiser voert, kortgezegd, aan dat verweerder ten onrechte zijn homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig heeft geacht. Hij heeft wel over zijn seksuele gerichtheid verklaard, maar aanvankelijk vooral op het erotische vlak. Toen hij jong was had hij ook vooral lustgevoelens en pas later, op volwassen leeftijd, beschouwde hij zich als homoseksueel en heeft hij relaties gehad. Eiser heeft zijn best gedaan om gedachten en gevoelens onder woorden te brengen. Hij heeft ook uitgebreid verklaard over zijn relatie met [naam] . Hierbij moet worden opgemerkt dat eiser nauwelijks school heeft gehad en dat je in Marokko niet geleerd wordt om dergelijke gedachten en gevoelens te uiten. Eiser blijft er ook bij dat het geen zin had om zich te verdiepen in de LHBTI-situatie in Europa omdat hij vrij was om op dat vlak te doen wat hij wilde.
De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen terecht ongeloofwaardig heeft gevonden. De rechtbank is als volgt tot deze conclusie gekomen.
De rechtbank volgt de argumenten van verweerder waarin hij uitlegt dat eiser oppervlakkig en onsamenhangend heeft verklaard over zijn relaties met mannen. Hierbij betrekt de rechtbank dat het bevreemdend is dat eiser plotseling geen contact meer met [naam] heeft kunnen krijgen, terwijl hij tien jaar een liefdesrelatie met hem heeft gehad en met hem wilde trouwen. Dat door corona de grens tussen Melilla en Nador werd gesloten en eiser zijn telefoon is kwijtgeraakt terwijl hij het nummer van [naam] niet uit zijn hoofd wist, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank volgt ook het standpunt van verweerder dat eiser zijn seksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt, doordat eiser weinig kennis heeft over de LHBTI-situatie in Marokko en Europa. Eiser heeft immers verklaard dat [naam] hem vertelde over hoe homoseksualiteit was in Europa en eiser heeft ongeveer negen á tien jaar in Europa dan wel Spanje verbleven. De rechtbank stelt verder vast dat het referentiekader van eiser is beschreven in het bestreden besluit en uit het bestreden besluit ook blijkt dat verweerder hier rekening mee heeft gehouden. De stelling dat eiser nauwelijks school heeft gehad en hij uit een omgeving komt waarin je niet wordt geleerd om dergelijke gedachten en gevoelens te uiten, waarmee eiser kennelijk bedoelt dat verweerder te veel van hem verwacht, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank acht deze stelling bovendien tegenstrijdig met de verklaringen van eiser in het gehoor, waarin eiser heeft verklaard dat hij echt alles aan [naam] kon vertellen, zoals over zijn problemen en de maatschappij waar hij inzat. Ten slotte weegt de rechtbank ook mee dat eiser zowel heeft gelogen over zijn nichtje in Duitsland als zijn vriendin in Spanje waarmee hij wilde trouwen en dat hij wisselend heeft verklaard over zijn werkzaamheden in de garage in Nederland. De rechtbank volgt verweerder dat eiser hierdoor in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de ontdekking van zijn homoseksuele gevoelens op 14-jarige leeftijd niet. Verweerder stelt dat eiser enerzijds verklaart dat hij zijn geaardheid ontdekte nadat hij stopte met school en anderzijds tijdens de basisschool, toen hij seksuele ervaringen had met leeftijdgenoten. De rechtbank acht deze verklaringen niet ongerijmd, nu eiser in zijn antwoord op de vraag naar zijn ontdekking een periode beschrijft. Hij noemt in hetzelfde antwoord achter elkaar “nadat ik was gestopt met school”, “het laatste jaar van de basisschool” en “ik was 14 jaar oud”. De rechtbank leidt hieruit af dat hij al pratend het moment aan het duiden is. Daarbij geldt dat het ontdekken van je geaardheid niet hetzelfde hoeft te zijn als het hebben van (jeugdige) seksuele ervaringen met jongens. Aan het wegvallen van deze tegenwerping komt evenwel geen doorslaggevende betekenis toe, nu er nog voldoende tegenwerpingen overblijven om de ongeloofwaardigheid van dit asielmotief te dragen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht verweerder de asielaanvraag als kennelijk ongegrond afwijzen?
7. Eiser voert aan dat verweerder de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eiser zou wel zijn paspoort willen ophalen in Spanje maar dat is vanuit vreemdelingenbewaring onmogelijk en het paspoort is voor niemand bereikbaar. Verder heeft eiser nooit relaties gehad met vrouwen en dit direct verduidelijkt. Eiser blijft erbij dat bij niet in de garage werkzaam was en hij verstopte zich daar ook niet als illegale vreemdeling. Hij is van mening dat er een goede reden was om pas asiel aan te vragen toen hij was opgepakt. Aan het aanvragen van asiel zit immers ook een risico, namelijk dat je wordt teruggestuurd.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eiser heeft de kennelijke afwijzingsgrond dat hij zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen niet betwist in zijn beroepsgronden. Omdat de kennelijke afwijzingsgronden van artikel 30b, eerste lid, van de Vw op zichzelf genoeg zijn om de aanvraag kennelijk ongegrond te verklaren, kan hetgeen eiser heeft aangevoerd daarom al niet tot een ander oordeel leiden.
De beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
8. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijkt krijgt.
Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om het verzoek tot een voorlopige voorziening verder te behandelen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramondt, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.