Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/708334/ KG ZA 26-750
Vonnis in kort geding van 7 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat: mr. S.L.D. van den Brink,
tegen:
1. [gedaagde 1] te [woonplaats 2] ,
2. [gedaagde 2] te [woonplaats 1] ,
3. [gedaagde 3] te [woonplaats 1] ,
gedaagden,
advocaat: mr. R.D. Kersbergen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagden] c.s.’. [gedaagden] c.s. worden ieder afzonderlijk aangeduid als ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’ en ‘ [gedaagde 3] ’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 respectievelijk 17 juli 2026 met producties 1 tot en met 17;
- de door [gedaagden] c.s. overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4;
- de op 3 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 17 augustus 2026, maar nadien vervroegd naar vandaag.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[eiser] is eigenaar van het perceel met woonhuis aan de [adres 1] . [eiser] woont daar met zijn vriendin.
[gedaagde 1] is de tante van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn partners.
[gedaagden] c.s. zijn sinds juli 2024 gezamenlijk eigenaar van het perceel met woonhuis aan de [adres 2] . [gedaagden] c.s. zijn daar nog niet woonachtig.
Partijen zijn elkaars buren. De percelen van partijen grenzen aan elkaar op de wijze zoals hieronder weergegeven (links [eiser] , rechts [gedaagden] c.s.).
Tussen de percelen van partijen loopt een steeg, die leidt naar (de deuren van) de achtertuinen van partijen. De steeg is gemiddeld twee meter breed. De kadastrale erfgrens loopt nagenoeg in het midden van de steeg. Op de onderstaande foto is een waterpas op de erfgrens gelegd.
[gedaagden] c.s. zijn voornemens om hun woning om te bouwen tot een zogenoemde kangoeroewoning (twee huishoudens onder één dak), zodat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan [gedaagde 1] mantelzorg kunnen verlenen.
[gedaagden] c.s. hebben in september 2024 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend bij de gemeente Den Haag (hierna: de gemeente) voor het veranderen van de woning door (onder meer) een interne verbouwing. [eiser] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Bij brieven van 4 en 11 juli 2025 aan [gedaagden] c.s. heeft [eiser] zijn bezwaren geuit tegen de verbouwingsplannen van [gedaagden] c.s., waaronder het plaatsen van een deur in de zijgevel van de woning (dus in de steeg), die toegang zal geven tot de bovenverdieping.
De gemeente heeft op 14 juli 2025 aan [gedaagden] c.s. een omgevingsvergunning verleend voor (onder meer) een interne verbouwing.
Bij brief van 1 oktober 2025 heeft de (toenmalige) advocaat van [gedaagden] c.s. aan [eiser] onder meer het volgende geschreven:
“Raam in de muur
In de zijmuur van de woning van cliënten bevindt zich, grenzend aan de gezamenlijke oprit, een raam dat daar ook reeds meer dan twintig jaar aanwezig is.
Cliënten zijn echter voornemens dit raam te vervangen door een deur met een aanzienlijk kleiner glasoppervlak. De reden hiervoor is dat in de woning twee afzonderlijke huishoudens zullen gaan wonen, waardoor een deur praktisch noodzakelijk wordt. Met deze wijzigingen wordt de inkijk voor u en cliënten juist sterk verminderd, hetgeen tegemoetkomt aan uw privacybelangen.
Het voorstel
Ter voorkoming van een rechtszaak (die tijdrovend is, veel geld kost en veel zijwaartse energie geeft), stellen cliënten het volgende voor:
1. (…)
2. U maakt geen bezwaar tegen het feit dat cliënten het bestaande raam vervangen door een deur met een veel kleiner glasoppervlak.”
[gedaagden] c.s. hebben een van de twee vensters in de zijgevel van hun woning (aan de kant van de steeg) in april 2026 laten vervangen door een doorzichtige deur met daarboven een raam (ook te zien op de foto in 2.5, hierna te noemen: de deur).
oude situatie nieuwe situatie
Indien vanuit de woning van [gedaagden] c.s. recht vooruit kijkend naar buiten wordt gekeken, is dit het uitzicht:
Bij brief van 22 mei 2026 heeft (de advocaat van) [eiser] [gedaagden] c.s. gesommeerd de deur binnen veertien dagen te verwijderen en verwijderd te houden. In de brief staat onder meer het volgende:
“U bent sinds 2024 de gezamenlijke eigenaren van het perceel grond met woning gelegen aan de [adres 2] (kortweg ‘de woning’). Sinds de eigendomsverkrijging hebben cliënten herhaaldelijk bezwaar gemaakt tegen meerdere plannen die u met de woning heeft. Een van deze plannen betrof de plaatsing van een deur in de muur van de woning, welke binnen een afstand van twee meter van het erf van cliënten is geplaatst. In reactie op zowel de door u aangevraagde als nadien verleende omgevingsvergunning, hebben cliënten meermaals hun juridisch onderbouwde bezwaren tegen deze deur kenbaar gemaakt. (…) Zoals cliënten immers meermaals aan zowel u als in de procedures bij de gemeente kenbaar hebben gemaakt, is de komst van deze deur in strijd met het bepaalde in artikel 5:50 lid 1 BW. Daaruit volgt, kort gezegd, dat het behoudens toestemming van cliënten niet toegestaan is om binnen twee meter van de grenslijn met het erf van (in dit geval) cliënten muuropeningen te hebben. Vaste jurisprudentie is daarbij dat een deur als een dergelijke muuropening kwalificeert.
(…)
Duidelijk moge zijn dat cliënten de aanwezigheid van de deur onder geen beding tolereren. Nu de aanwezigheid daarvan voorts onrechtmatig is en met de plaatsing doch in ieder geval de ingebruikneming daarvan direct en permanent een inbreuk op de rechten van cliënten wordt gemaakt, hebben cliënten reeds opdracht aan mij verleend om in kort geding verwijdering van de deur te vorderen indien u niet tot vrijwillige verwijdering daarvan overgaat.”
[gedaagden] c.s. hebben de deur niet verwijderd.
3. Het geschil
[eiser] vordert, verkort en zakelijk weergegeven:
I. [gedaagden] c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen een maand na betekening van het vonnis de deur te verwijderen en verwijderd te houden;
II. [gedaagden] c.s. hoofdelijk te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat binnen een maand na betekening van het vonnis binnen de volledige zijgevel van de woning van [gedaagden] c.s. waarin de deur zich bevindt, geen vensters, andere muuropeningen, balkons of soortgelijke werken (meer) aanwezig zijn die uitzicht op het erf van eiser geven, anders dan de vensters van maximaal hetzelfde formaat die reeds voor de komst van de deur aanwezig waren;
III. [gedaagden] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat zij met het onder I of II gevorderde in gebreke blijven, tot maximum van € 25.000;
IV. [gedaagden] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De deur in de zijgevel van de woning van [gedaagden] c.s. is op grond van artikel 5:50 lid 1 BW niet toegestaan, nu de deur zich binnen een afstand van twee meter van de erfgrens bevindt en [eiser] daar geen toestemming voor heeft gegeven. De deur geeft uitzicht op het erf van [eiser] en maakt een inbreuk op de privacy van [eiser] en zijn vriendin. De deur moet daarom worden verwijderd. [eiser] heeft er belang bij dat de privacy-inbreuk zo snel mogelijk ongedaan wordt gemaakt.
[gedaagden] c.s. voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
Het spoedeisend belang van [eiser] ligt in de aard van de vorderingen (inbreuk op privacy) besloten. Dat [eiser] eerst drie maanden na de plaatsing van de deur een kort geding is gestart, doet daaraan niet af. [eiser] is dan ook ontvankelijk in zijn vorderingen.
In deze zaak gaat het kort gezegd om de vraag of [gedaagden] c.s. de deur in de zijgevel van hun woning moeten verwijderen en verwijderd moeten houden omdat inbreuk wordt gemaakt op de privacy van [eiser] , c.q. de aanwezigheid van de deur in strijd is met het bepaalde in artikel 5:50 BW.
Het bezwaar van [eiser] is er met name in gelegen dat hij en zijn vriendin zich in hun privacy voelen aangetast wanneer de deur wordt gebruikt door bewoners of derden (momenteel klussers die bezig zijn met de verbouwing in de woning van [gedaagden] c.s.), vooral omdat die personen direct de tuin van [eiser] in kunnen kijken op het moment dat de tuindeur van [eiser] openstaat. Een ander bezwaar van [eiser] is dat de steeg door de komst van de deur intensiever zal worden gebruikt, onder meer door bezoekers van [gedaagden] c.s. en bijvoorbeeld pakketbezorgers. Dat geeft [eiser] een onveilig gevoel.
In artikel 5:50 lid 1 BW is bepaald dat het niet is toegestaan binnen twee meter van de erfgrens vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op het naburige erf uitzicht geven. Een deur wordt aangemerkt als een ‘andere muuropening’ als hiervoor bedoeld.
Voor zover [gedaagden] c.s. aanvoeren dat artikel 5:50 BW in het onderhavige geval toepassing mist, omdat de deur geen direct uitzicht geeft op de tuin van [eiser] , gaat de voorzieningenrechter hieraan voorbij. De deur kijkt (in ieder geval) uit op de zijgevel van de woning van [eiser] . Daarmee is sprake van uitzicht op het erf van [eiser] . Tussen partijen is niet in geschil dat de deur zich binnen een afstand van twee meter tot aan de erfgrens bevindt. Duidelijk is dat [eiser] hiervoor geen toestemming heeft gegeven.
Bij de vraag of de deur uitzicht geeft op het erf van [eiser] , gaat het alleen om rechtstreeks uitzicht en niet ook om zijdelings/schuin uitzicht. In lid 3 van artikel 5:50 BW staat dan ook dat de in dat artikel bedoelde afstand (van twee meter) wordt gemeten rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt. Dat betekent dat artikel 5:50 BW slechts bescherming biedt tegen recht naar voren uitzicht. Van recht naar voren uitzicht op de tuin(deur) van [eiser] is geen sprake. Uit de door [gedaagden] c.s. overgelegde foto’s (zie 2.12) kan worden opgemaakt dat vanuit de deur recht naar voren wordt uitgekeken op een blinde muur (de zijgevel van [eiser] ).
[gedaagden] c.s. beroepen zich op de uitzondering die is neergelegd in lid 2 van artikel 5:50 BW, waarin staat dat de nabuur zich niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van zodanige openingen of werken, indien het uitzicht niet verder reikt dan tot een binnen twee meter van de opening of het werk zich bevindende muur. Ter zitting is duidelijk geworden dat de blinde muur zich op verder dan twee meter van de deur bevindt, namelijk tussen 2.17 en 2.35 meter. De uitzondering van lid 2 van artikel 5:50 BW is strikt genomen niet van toepassing. De deur is in beginsel dan ook niet geoorloofd. Voor ‘analoge’ toepassing van art. 5:50 lid 2 BW in dit geval, zoals bepleit door [gedaagden] c.s., bestaat geen grond.
De voorzieningenrechter acht het evenwel aannemelijk dat [eiser] misbruik van bevoegdheid maakt door zich onder de gegeven omstandigheden te beroepen op de bescherming van artikel 5:50 lid 1 BW. De blinde muur waarop vanuit de deur wordt uitgekeken staat op een iets grotere afstand dan die genoemd in lid 2 van artikel 5:50 BW, maar [gedaagden] c.s. voeren terecht aan dat in dit geval geen sprake is van enige reële aantasting van de visuele privacy van [eiser] , die artikel 5:50 BW beoogt te beschermen. Al vele jaren waren er twee ramen in de zijgevel van de woning van [gedaagden] c.s., van waaruit uitzicht bestond op (de steeg,) de muur en (zijdelings) op de tuindeur van [eiser] . In plaats van een van de ramen is nu een deur gekomen, die hetzelfde uitzicht biedt. Voor zover [eiser] aanvoert dat er vanuit de deur/de steeg zicht is op zijn tuin als hij zijn tuindeur open laat staan, geldt dat dit zicht er altijd al was voor de bewoners van het pand van [gedaagden] c.s. In ieder geval is het reeds bestaande uitzicht niet (wezenlijk) anders geworden door de komst van de deur. Het ligt voor de hand dat [eiser] de (ondoorzichtige) tuindeur sluit als hij zicht in zijn tuin bezwaarlijk vindt. Daarmee wordt elk zicht vanuit de steeg in de tuin ontnomen en wordt de privacy van [eiser] volledig gewaarborgd. Dat is een kleine moeite. Daarbij hebben [gedaagden] c.s. ter zitting toegelicht dat zij het glas in de deur ondoorzichtig zullen maken, waarmee zij beogen het belang van [eiser] te dienen. [eiser] vindt het verder bezwaarlijk dat er via de steeg (de strook grond die grotendeels aan [gedaagden] c.s. toebehoort) meer passages van personen zullen plaatsvinden, maar daartegen biedt artikel 5:50 BW geen bescherming. Het staat [gedaagden] c.s. en hun bezoek vrij om over het gedeelte van de steeg dat aan [gedaagden] c.s. toebehoort naar de tuin en (nu ook:) naar de deur te lopen. Er is geen rechtsregel die zich daartegen verzet; onzorgvuldig jegens [eiser] is intensiever gebruik van die strook niet. Het is wellicht een verandering ten opzichte van de situatie die [eiser] tot nu toe gewend was, maar daarvoor geldt dat hij die verandering te dulden heeft: ook in de nabije leefomgeving kunnen dingen veranderen.
Voor het oordeel dat [eiser] misbruik van bevoegdheid maakt wegens de onevenredigheid tussen het belang van [eiser] enerzijds en dat van [gedaagden] c.s. anderzijds, weegt ook het volgende mee. De voorziening die [gedaagde 2] c.s. hebben getroffen (het aanbrengen van de deur die toegang biedt tot het bovengedeelte van de woning) strekt ertoe de woning het karakter van een kangoeroewoning te geven. [gedaagde 1] , de tante van [gedaagde 2] die wat ouder en lichamelijk wat kwetsbaar is, zal beneden gaan wonen en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] - die boven zullen wonen - vervullen de rol van mantelzorgers. Deze constructie past in een tijd waarin de gezondheidszorg onder druk staat (vooral) als gevolg van de vergrijzing, en het daardoor noodzakelijk is dat ouderen die zorg nodig hebben zoveel mogelijk thuis blijven wonen en zich waar mogelijk voorzien van hulp en bijstand uit familie- en vriendenkring (mantelzorg). Tegen de achtergrond van deze ontwikkeling hebben [gedaagden] c.s. gekozen voor een verbouwing van de woning waarbij voor [gedaagde 2] en [gedaagde 3] een separate ingang in de steeg is/wordt gecreëerd. Ter zitting hebben [gedaagden] c.s. toegelicht dat er met zorg is gekeken naar de geschikte locatie voor de (tweede) ingang en dat de nu gecreëerde ingang, via een deur in de steeg, daarvoor de enige echt passende locatie bleek.De maatschappelijke ontwikkeling in welk kader de door [gedaagden] c.s. gepleegde aanpassing van de woning past, vraagt van [eiser] enig begrip en inschikkelijkheid. Het zou veel beter zijn dat partijen in goed overleg afspraken maken over het gebruik van de steeg met de aanwezigheid van de deur als uitgangspunt, maar helaas is dat ter zitting (nog) niet mogelijk gebleken.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiser] met zijn beroep op een (zeer beperkte) inbreuk op het in artikel 5:50 lid 1 BW bepaalde misbruik van bevoegdheid maakt. [gedaagden] c.s. zijn niet gehouden om de deur te verwijderen. Vordering I is daarom niet toewijsbaar. Datzelfde geldt voor de vordering onder II, die er in feite toe strekt dat de zijgevel van de woning van [gedaagden] c.s. wordt teruggebracht naar de oude situatie voor de komst van de deur. Alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] c.s. worden begroot op:
- griffierecht € 341
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.707
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026.
yd