RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51523
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
(gemachtigde: L. Verhaegh).
Procesverloop
Verweerder heeft op 2 september 2026 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 en de rechtbank daarvan in kennis gesteld op 3 september 2026.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep en wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1976 en heeft de Oezbeekse nationaliteit.
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als gronden heeft verweerder vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft aangevoerd dat grond h onterecht is tegengeworpen omdat hij wel
meewerkt en ook wil terugkeren. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat eiser de IOM
om hulp heeft gevraagd bij terugkeer. Eiser vindt ook dat in het bewaringsgehoor beter had moeten worden doorgevraagd naar de mogelijkheden om met een lichter middel te volstaan.
4. De rechtbank overweegt dat het onttrekkingsrisico voldoende is onderbouwd. Gronden b en p zijn feitelijk juist en goed gemotiveerd en zijn daarvoor reeds voldoende, ongeacht of verweerder de eerdere proceshouding en verklaringen van eiser mag laten meewegen bij grond h. Verweerder heeft niet hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel. In het bewaringsgehoor is met eiser besproken dat hij in april 2017 illegaal Nederland is ingereisd en dat op 3 oktober 2020 een terugkeerbesluit is vastgesteld. Eiser is daarna meerdere malen aangetroffen waaruit blijkt dat eiser niet voldoet aan zijn vertrekplicht. Eiser is ook meerdere keren concreet de gelegenheid geboden om uit eigen beweging te vertrekken, maar heeft daartoe nimmer inspanningen verricht. Eiser is op 24 augustus 2026 in bewaring gesteld op de asielgrond waarbij hij heeft verklaard asiel aan te vragen omdat hij in Nederland wil werken. Vervolgens heeft eiser deze asielaanvraag weer ingetrokken en is, aansluitend aan die maatregel, de thans te beoordelen maatregel opgelegd. Weliswaar heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken en wil hij inmiddels terugkeren. Ten tijde van het opleggen van deze maatregel heeft echter te gelden dat eiser reeds in bewaring werd gehouden en voorafgaand aan de bewaringstelling geen enkele intentie heeft gehad om terug te keren. Verweerder heeft de opmerking van eiser in het bewaringsgehoor dat hij nu ‘graag wil terugkeren’ in samenhang met het langdurig illegaal verblijf en de overige verklaringen van eiser mogen beoordelen. Eiser heeft in ditzelfde bewaringsgehoor ook verklaard hij nu de oplegging van het inreisverbod prima vindt maar wellicht zal terugkomen als de duur van het inreisverbod is verstreken. Verweerder heeft op grond van al deze feiten en omstandigheden niet hoeven aannemen dat eiser, indien de maatregel niet zou worden opgelegd, uit eigen beweging alsnog zou voldoen aan zijn vertrekplicht of zich beschikbaar zou houden voor de gedwongen verwijdering. Dat eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel reeds contact had opgenomen met de IOM maakt dit niet anders. Eiser heeft dit contact namelijk pas gezocht toen hij reeds in bewaring werd gehouden op grond van de voorgaande maatregel. In de jaren dat eiser na het vaststellen van het terugkeerbesluit illegaal in Nederland heeft verbleven heeft eiser geen inspanningen verricht om terug te keren of hier ondersteuning bij te vragen. Verweerder heeft in het bewaringsgehoor voldoende vragen gesteld om te onderzoeken of volstaan kon worden met een lichter middel en heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat het in bewaring houden van eiser nodig is om de terugkeer van eiser te verzekeren. Er bestaat verder geen enkele indicatie dat het ondergaan van de maatregel onevenredig bezwarend is en gelet op de lange duur van het illegaal verblijf is het opleggen van de maatregel ook proportioneel.
5. Het opleggen van de maatregel is op zichzelf beschouwd niet onrechtmatig geweest. De rechtbank zal de maatregel desondanks opheffen omdat de tenuitvoerlegging onrechtmatig is geworden en motiveert dit als volgt.
6. Eiser heeft in het bewaringsgehoor verklaard terug te willen keren naar Oezbekistan en heeft daartoe contact opgenomen met de IOM. Ter zitting is gebleken dat eiser op
25 september 2026 met ondersteuning van de IOM kan terugkeren. Verweerder is echter gehouden om tegelijkertijd zelf de verwijdering ter hand te nemen en dient -in ieder geval- vanaf het moment van het opleggen van de maatregel voortvarend te werken aan de terugkeerprocedure. De maatregel is opgelegd op 2 september 2026. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat met het aanvragen van een LP is gewacht totdat de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden tegen het besluit van 1 september 2026, waarbij de asielaanvraag van eiser van 24 augustus 2026 buiten behandeling is gesteld, is verlopen. In dat besluit is vermeld dat eiser tot en met 8 september 2026 in beroep kan gaan tegen dat besluit. Ter zitting is tevens toegelicht dat op 8 september 2026, tevens de dag waarop het beroep tegen de maatregel ter zitting wordt behandeld, een vertrekgesprek zal plaatsvinden.
7. De rechtbank stelt vast dat er vanaf het moment van het opleggen van de maatregel op 2 september 2026 tot aan het sluiten van het onderzoek ter zitting op 8 september 2026 geen enkele vertrekhandeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank is bekend met de Afdelingsjurisprudentie waarin -ook- de Afdeling uiteen heeft gezet dat voor het beoordelen van de voortvarendheid waarmee verweerder in de vertrekprocedure werkt, geen vast aantal dagen voor een eerste vertrekhandeling geldt waarbij altijd wordt aangenomen dat voldaan is aan het voortvarendheidvereiste, maar dat de voortvarendheid waarmee moet worden gewerkt en de rechterlijke controle van de bewaringsmaatregel maatwerk vereisen. Eiser heeft ter zitting benadrukt dat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en dat hij reeds op
31 augustus 2026, tijdens het vertrekgesprek dat heeft plaatsgevonden voordat de actuele bewaringsmaatregel is opgelegd, heeft aangegeven terug te willen keren naar Oezbekistan en daar ook geen gevaar te lopen. De rechtbank overweegt dat hieruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat eiser geen rechtsmiddel zal aanwenden tegen de buiten behandeling stelling van zijn asielaanvraag. Het wachten met het in gang zetten van het LP-traject voordat de rechtsmiddelentermijn is verstreken, levert evenwel een zodanige vertraging in de terugkeerprocedure op dat de rechtbank dit als een gebrek aan voortvarend handelen aanmerkt dat in deze concrete procedure tot opheffing van de maatregel leidt.
8. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 19 november 2025 -kort gezegd- geoordeeld dat presenteren in persoon gedurende de asielprocedure niet mag (ECLI:NL:RVS:2025:5547), maar een LP aanvragen wel is toegestaan (ECLI:NL:RVS:2025:5548). Verweerder heeft dus ten onrechte gewacht met het starten van de LP-aanvraag en dat betekent dat eiser van 2 september 2026 tot en met het onderzoek ter zitting op 8 september 2026 in bewaring ter fine van terugkeer is gehouden, maar er geen handelingen zijn verricht om de terugkeer voor te bereiden en uit te voeren. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat indien een LP wordt aangevraagd en vervolgens toch een rechtsmiddel wordt aangewend, dat LP-traject dan weer moet worden gestuit. De rechtbank is het daar niet mee eens. Het stuiten van een LP-traject is alleen aan de orde als de Oezbeekse autoriteiten eiser uitnodigen voor een presentatie terwijl de asielprocedure nog zou lopen. Het stuiten betekent dan dat de vreemdeling niet gevraagd wordt om mee te werken aan de presentatie. De Afdeling heeft zich overigens over deze kwestie moeten buigen omdat verweerder steevast zodra een niet-inwilligend besluit op een asielaanvraag was genomen, een LP-traject opstartte. In die zin is het dus ook merkwaardig dat nu de Afdeling uit het LP-aanvragen geen gevolgen voor een refoulementrisico ziet, er geen vertrekhandelingen zijn uitgevoerd omdat eiser wellicht beroep zou willen in stellen tegen de buiten behandeling van de asielaanvraag. De asielaanvraag is bovendien op
1 september 2026 buiten behandeling gesteld omdat eiser niet is verschenen voor zijn asielgehoor terwijl hij in bewaring werd gehouden en eiser daarover in zijn vertrekgesprek op 31 augustus 2026 heeft verklaard dat hij niet is verschenen omdat hij geen asiel wil, maar wil terugkeren naar Oezbekistan.
9. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de te toetsen periode ten onrechte geen vertrekhandelingen heeft verricht. Omdat de reden voor het tijdsverloop waarin geen vertrekhandelingen zijn verricht is gelegen in een beslissing die is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting en dus bewust geen vertrekhandelingen zijn verricht, maakt dit de tenuitvoerlegging van de maatregel in deze procedure onrechtmatig. De rechtbank zal daarom de maatregel opheffen en eiser in vrijheid stellen zodat eiser, zoals hij ter zitting heeft verklaard, naar de ambassade kan gaan om een paspoort aan te vragen en op
25 september 2026 met ondersteuning van de IOM kan terugkeren naar Oezbekistan. Omdat de tenuitvoerlegging van de maatregel vanwege het onvoldoende voortvarend handelen van aanvang af onrechtmatig is, ziet de rechtbank geen reden om de overige rechtmatigheidsvereisten te controleren.
10. De rechtbank zal eiser in aanmerking brengen voor schadevergoeding omdat de tenuitvoerlegging van de maatregel van aanvang af onrechtmatig is. Eiser heeft voor de tenuitvoerlegging van deze maatregel alleen in het detentiecentrum verbleven en maakt daarom aanspraak op € 960,- (8 x € 120,-).
11. De rechtbank zal ook een proceskostenveroordeling ten gunste van de raadsman toekennen en gelet op de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2026 ook een punt toekennen voor de verweerder gedane kennisgeving (ECLI:NL:RVS:2026:4927).
12. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel;
- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 960,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.C. Mellendijk - Leinders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 9 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.