ECLI:NL:RBDHA:2026:26125

ECLI:NL:RBDHA:2026:26125

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer NL25.64212
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Iran. Afwijzing reguliere verblijfsvergunning met terugkeerbesluit (TKB) na studie & zoekjaar. Verzocht om 8 EVRM verblijf bij zoon. Belangenafweging mocht in het nadeel van eiser uitvallen. Persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact kan buiten Nederland worden ingevuld. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.64212

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. W. Volkers),

en

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om verblijf bij zijn zoon. Eiser is niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk en de afwijzing van de aanvraag blijft in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van zijn reguliere verblijfsvergunning, tot verblijf bij zijn zoon [naam] (referent). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 augustus 2025 afgewezen. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Met het bestreden besluit van 5 december 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De minister heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft tweemaal aanvullende gronden ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht

3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht, omdat hij geen inkomen of vermogen heeft. De rechtbank ziet, gelet op wat met betrekking tot het verzoek is aangevoerd, aanleiding om het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe te wijzen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Eiser beoogt op grond van artikel 8 van het EVRM verblijf bij zijn zoon. [naam] is geboren in 2014 en verblijft in Nederland bij zijn moeder, de ex-echtgenote van eiser. Zij heeft een verblijfsvergunning regulier met beperking humanitair tijdelijk. Alle betrokkenen zijn van Iraanse nationaliteit. Eiser had eerder in 2022 een verblijfsvergunning regulier met beperking studie. Zijn (toenmalige) echtgenote en zoon hebben zich bij hem gevoegd in het kader van gezinshereniging. Eiser heeft in 2024 zijn studie afgerond en kreeg aansluitend een verblijfsvergunning voor het zoeken en verrichten van arbeid met een geldigheidsduur tot 7 mei 2025 (het zoekjaar). Op 24 februari 2026 is de echtscheiding tussen eiser en zijn echtgenote uitgesproken. De ex-echtgenote beticht eiser van huiselijk geweld, maar hij betwist dit. Ter onderbouwing van de onderhavige aanvraag heeft eiser een aantal documenten overgelegd waaronder kopieën van de paspoorten en geboorteakten van hemzelf en zijn zoon, een belastingaangifte en -aanslag van 2024, een inburgerings- en masterdiploma, aanbevelingsbrieven van docenten, steunverklaringen van kennissen, communicatie van eiser over zijn zoon met de kinderopvang en school, een beschrijving van gezamenlijke activiteiten en kopieën van de WhatsAppgeschiedenis tussen eiser en zijn zoon uit de periode juli 2024 tot augustus 2025. Ook is een brief overgelegd van Veilig Thuis uit 2025, over een melding die zij hebben ontvangen van de politie.

5. De minister heeft de aanvraag van eiser ontvangen op 8 mei 2025, maar acht de aanvraag tijdig ingediend. De minister heeft de aanvraag daarom aangemerkt als een verzoek tot verlenging én als een verzoek tot wijziging van de beperking van eisers verblijfsvergunning. De minister heeft aangenomen dat tussen eiser en referent gezinsleven bestaat. Dat betekent volgens de minister niet dat eiser in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. De minister moet het belang van eiser om dit familie- en gezinsleven in Nederland uit te oefenen namelijk afwegen tegen het belang van de Nederlandse Staat. Deze belangenafweging valt volgens de minister uit in het nadeel van eiser. Daarnaast heeft de minister gesteld dat eisers verblijfsvergunning, onder de beperking van het zoekjaar, niet kan worden verlengd. Daarom heeft de minister de aanvraag tot wijziging, dan wel het verzoek tot verlenging, afgewezen. Daarbij is eiser aangezegd dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten en dat hij moet terugkeren naar Iran.

Standpunten van partijen

6. De minister heeft in de besluitvorming in het voordeel van eiser betrokken dat hij intensief gezinsleven uitoefent met referent, doordat hij twee tot drie keer per week contact heeft. Ook is met de afwijzing sprake van inmenging, omdat eiser rechtmatig verblijf had. Volgens de minister weegt dit niet zwaar in het voordeel, omdat sprake was van een tijdelijk verblijfsrecht. Ook heeft de minister gesteld dat eiser heeft onderbouwd dat hij sociale contacten heeft en inspanningen verricht tot inburgering in Nederland, maar de minister neemt niet aan dat sprake is van sterke banden met Nederland. Ook heeft de minister in het voordeel van eiser betrokken dat referent hier naar school gaat, vrienden heeft, de taal machtig is en dat volgens eiser in Iran minder mogelijkheden en gelijkheid is. In het nadeel van eiser is afgewogen het economisch belang van Nederland. Eiser en zijn minderjarige zoon hebben geen eigen inkomen. De ex-echtgenote van eiser wel. Daarom zal eiser aanspraak maken op algemene voorzieningen, zoals gezondheidszorg en infrastructuur, terwijl huisvesting en medische zorg in Nederland onder druk staan. Volgens de minister bestaan er geen objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Iran uit te oefenen. Eisers zoon kan met eisers ex-echtgenote terug naar Iran, dat is hun eigen keuze. Ook is het volgens de minister mogelijk om buiten Nederland of op afstand invulling te geven aan het gezinsleven. In het nadeel van eiser is verder betrokken dat referent nog geen sterke banden heeft met Nederland, omdat niet gebleken is van een bijzondere binding. Volgens de minister kan referent opnieuw aarden in Iran en zal dit niet leiden tot grote problemen in de ontwikkeling van het kind. Volgens de minister weegt het belang van de Nederlandse Staat zwaarder en valt de afweging van deze elementen uit in het nadeel van eiser. In het verweerschrift heeft de minister gemotiveerd dat hij het besluit en het afzien van het horen in bezwaar terecht acht.

7. Eiser heeft aangevoerd dat de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel is uitgevallen. De minister heeft dit niet deugdelijk gemotiveerd. Eiser betwist dat het uitoefenen van het gezinsleven in Iran dan wel op afstand mogelijk is. Volgens eiser bestaan er weldegelijk objectieve belemmeringen. In bezwaar heeft eiser aangegeven dat een echtscheidingsprocedure aanhangig was. De echtscheiding is uitgesproken op 24 februari 2026. In deze beschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser, zijn ex-echtgenote en referent een zodanig sterke sociale en economische band hebben met Nederland, dat zij geen maatschappelijke band meer hebben met Iran. Ook heeft de rechtbank de zorg- en opvoedingstaken verdeeld en is als omgang vastgesteld dat eiser en zijn zoon elkaar twee tot drie keer per week persoonlijke omgang hebben. Deze omgangsregeling is in het belang van het kind en is na de beschikking bindend. Ter onderbouwing is in beroep de echtscheidingsbeschikking overgelegd. Eiser heeft aangevoerd dat deze echtscheiding in Iran niet wordt erkend, waardoor de ex-echtgenote in Iran geen zeggenschap over referent heeft. Dit kan ook worden bepaald in een uit te spreken echtscheiding en vormt voor haar een belemmering om terug te keren. Daar komt bij dat eiser de bruidsschat zal moeten terugbetalen en hij dit niet kan. Eiser zal daarom gevangen worden gezet en in Iraanse gevangenissen worden mensenrechten geschonden. Ten onrechte stelt de minister dat de minderjarige zoon van eiser zelf een weloverwogen keuze kan maken tussen Nederland en Iran. Referent heeft op grond van de artikelen 7 en 24 van het Handvest recht op persoonlijk contact met beide ouders. Kiezen tussen zijn ouders levert een loyaliteitsconflict op. Bovendien is op en neer vliegen naar Iran duur. Ook wordt contact op afstand belemmerd, omdat de Iraanse overheid geregeld het internet afsluit, net als het telefoonverkeer met het buitenland. Verder kan contact op afstand niet het contact in persoon vervangen. Daartoe heeft eiser in beroep een wetenschappelijk artikel overgelegd met deze conclusie.

Eiser betwist daarnaast de weging van het economische belang van de Nederlandse Staat. Hij stelt dat hij geen gebruik maakt van zorg- of onderwijs, wel van infrastructuur, maar dat de minister eraan voorbij gaat dat eiser tijdens zijn studie en zoekjaar werk heeft verricht, in zijn levensonderhoud heeft voorzien en belasting heeft betaald. Ook stelt eiser dat het sinds het aflopen van zijn verblijfsrecht praktisch onmogelijk was om werk te krijgen, omdat hij telkens een verblijfssticker van korte duur (drie maanden) kreeg. Voor werkgevers was dat niet aantrekkelijk. Eiser wordt hierin beperkt door het wettelijke systeem. Eiser beroept zich in dit verband op een uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026. De minister mag niet steeds evenveel gewicht aan het economische belang hechten, maar moet de omstandigheden in het concrete geval afwegen. Volgens eiser is de minister hier in het verweerschrift ten onrechte niet op ingegaan.

Verder heeft eiser aangevoerd dat hij zich inspant voor de Nederlandse samenleving. Ter onderbouwing zijn in beroep negen steunverklaringen van kennissen overgelegd. Ook doet eiser vrijwilligerswerk voor het Leger des Heils, het Rode Kruis en het Alfa College. Ter onderbouwing zijn vrijwilligersovereenkomsten met deze drie instellingen overgelegd, van respectievelijk 1 december 2025, 27 februari 2026 en 1 april 2026. Volgens eiser drukt de huidige situatie psychisch zwaar op hem. Hij ontvangt hiervoor hulp van een therapeut. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat sprake is van een oorlog tussen de Verenigde Staten en Iran en als gevolg daarvan een besluit- en vertrekmoratorium van kracht is. Dit moet volgens eiser worden betrokken en is geen situatie voor een kind op in op te groeien, terwijl het belang van het kind een eerste overweging dient te zijn. Ook zijn eiser, zijn ex-echtgenote en referent meer vooruitstrevend dan in de Iraanse maatschappij gebruikelijk is en verblijft referent al vier jaar, een derde van zijn leven in Nederland. Onder deze omstandigheden is het niet in het belang van het kind om terug te keren naar Iran.

Oordeel van de rechtbank 8. De rechtbank stelt vast dat in een zaak als deze sprake is van een ex tunc toetsing. Dat is alleen anders voorzover het gaat om het terugkeerbesluit. Verder is van belang dat het gaat om een aanvraag om verlening van een reguliere verblijfsvergunning. Het door eiser aangehaalde besluit- en vertrekmoratorium is niet van toepassing, omdat dat betrekking heeft op aanvragen om verlening van een asielvergunning.

De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat een belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht stelt dat de ex-echtgenote en referent eiser kunnen volgen naar Iran. Ook kunnen eiser en referent buiten Nederland, of via digitale communicatiemiddelen invulling geven aan het familieleven. De door eiser aangevoerde subjectieve belemmeringen liggen in de keuze en verantwoordelijkheid van de ouders (eiser en zijn ex-echtgenote) van referent. Voor zover eiser betoogt dat zijn ex-echtgenote niet zal terugkeren naar Iran omdat de in Nederland uitgesproken echtscheiding daar niet wordt erkend dan wel bekrachtigd moet worden, overweegt de rechtbank dat gesteld, noch gebleken is dat het voor eiser na terugkeer naar Iran onmogelijk is om de echtscheiding daar te regelen. Voor zover eiser stelt dat de ex-echtgenote in Iran de bruidsschat kan opeisen en dat eiser daarvoor geen financiële middelen heeft en om die reden in de gevangenis zal belanden, overweegt de rechtbank dat eiser dit niet heeft onderbouwd. Eiser heeft het huwelijkscontract niet overgelegd en evenmin onderbouwd of toegelicht dat hij een bruidsschat niet kan betalen, eventueel met behulp van familie. Ook ligt het in de sfeer van de keuze van de ex-echtgenote om de bruidsschat op te eisen.

Verder is de rechtbank van oordeel dat het belang van referent voldoende is meegewogen door de minister. De ontwikkeling van het kind is gebaat bij contact met beide ouders en de invulling van deze omgang is nadrukkelijk een keuze en verantwoordelijkheid van de beide ouders. De rechtbank ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om te oordelen dat de Nederlandse Staat op grond van artikel 8 van het EVRM verplicht is eiser een reguliere vergunning te verlenen. De stelling van eiser dat referent op grond van het Handvest recht heeft op persoonlijk contact met beide ouders en een keuze tussen één van hen leidt tot een loyaliteitsconflict, berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van de betreffende bepalingen uit het Handvest. Daarin is bepaald dat ieder kind een recht heeft op persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten. Gesteld noch gebleken is dat contact buiten Nederland of via digitale communicatiemiddelen geen persoonlijke betrekking of rechtstreeks contact zou vormen. Indien eiser meent dat communicatie op afstand niet als vervanging van contact in persoon moet worden beschouwd, is het allereerst aan hem en zijn ex-echtgenote om, als verantwoordelijke ouders, gezamenlijk afspraken te maken en waar nodig de omgangregeling te wijzigen. Eisers beroep op de conclusie uit een wetenschappelijk artikel slaagt dan ook niet. Verder heeft de minister betrokken dat eiser gedurende zijn rechtmatig verblijf in Nederland inspanningen heeft verricht op het gebied van inburgering en werk. Daarbij heeft de minister in het nadeel van eiser het economische belang van de Nederlandse Staat kunnen meewegen. Eiser en referent hebben geen werk (meer) en eiser heeft niet concreet gemaakt welke omstandigheden door de minister te zwaar of niet individueel zijn gewogen.

Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord omdat hij de situatie zelf goed kan toelichten. De rechtbank oordeelt dat ook deze beroepsgrond niet slaagt. Hoewel het uitgangspunt is dat een vreemdeling in bezwaar wordt gehoord, kan hiervan worden afgezien indien er naar objectieve maatstaven bezien, geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet tot een andere besluit kan leiden. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiser in bezwaar geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij het gezinsleven niet in Iran zou kunnen uitoefenen, terwijl in het primaire besluit uitgebreid is gemotiveerd waarom de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Namens eiser zijn summiere bezwaargronden en stellingen ingediend die niet tot twijfel aan de juistheid van het primaire besluit leiden. Daarom heeft de minister mogen afzien van het horen van eiser in bezwaar. De stellingen in beroep leiden niet tot een ander oordeel, omdat deze (ook) niet nader zijn onderbouwd.

Met betrekking tot het opgelegde terugkeerbesluit overweegt de rechtbank dat zij dient na te gaan of uit de uitvoering van het bestreden besluit een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement voortvloeit, op basis van de haar ter kennis gebrachte elementen van het dossier en zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak. In dat verband is van belang dat ter zitting door de minister is aangegeven dat eiser op 2 juni 2026 een asielaanvraag heeft ingediend en dat als gevolg daarvan de werking van het opgelegde terugkeerbesluit is opgeschort. Eiser heeft gedurende de behandeling van de asielaanvraag procedureel rechtmatig verblijf. Eiser heeft dit ter zitting niet weersproken. Dit betekent dat het terugkeerbesluit dat voorligt in deze procedure niet wordt uitgevoerd zolang niet op de asielaanvraag van eiser is beslist. In die beslissing op de asielaanvraag dient de minister dan opnieuw een actuele refoulementsbeoordeling te maken. Gegeven deze omstandigheden ontbreekt op dit moment het belang om een oordeel van de rechtbank te geven over het in het bestreden besluit opgelegde terugkeerbesluit. Dat wordt dan ook achterwege gelaten.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijg. De minister heeft de aanvraag mogen afwijzen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand