RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,V-nummer: [nummer],
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7992
(gemachtigde: mr. H.G.M. van Zutphen),
en
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de minister de informatie uit het meest recente ambtsbericht niet bij het bestreden besluit heeft betrokken. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet geloofwaardig is dat eiser een petitie voor onafhankelijkheid van de Druzen heeft ondertekend en daardoor problemen zal krijgen met de Syrische autoriteiten. Verder heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom eiser niet te vrezen heeft voor vervolging omdat hij Druus is en waarom eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt door willekeurig geweld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 4 januari 2024 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 5 februari 2026 afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
4. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de Druzen-minderheid in Syrië. Eiser heeft verklaard dat tegen zijn minderheid oorlog wordt gevoerd door president Al-Sharaa en dat zijn woongebied As-Suweida omsingeld is. Eiser heeft verder verklaard dat hij in 2025 via internet een petitie voor onafhankelijkheid van de Druzen heeft getekend. Eiser vreest dat hij door de autoriteiten zal worden opgepakt vanwege het ondertekenen van de petitie.
Het bestreden besluit
5. Het relaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. ondertekening van petitie voor onafhankelijkheid van de Druzen en de daarop volgende problemen;
3. vrees voor de algemene situatie van Druzen in As-Suweida;
4. politieke overtuiging.
6. De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn politieke overtuiging geloofwaardig, maar de ondertekening van de petitie en daarop volgende problemen niet. Eisers vrees voor de algemene situatie van Druzen is niet op geloofwaardigheid beoordeeld. De minister vindt allereerst dat eiser met betrekking tot de ondertekening van de petitie onvoldoende documenten heeft en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser heeft de petitie met ondertekening niet overgelegd. Eiser heeft een namenlijst overgelegd, maar niet aangetoond dat deze lijst bij de petitie hoort. Verder heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waar de petitie en namenlijst is gepubliceerd en heeft hij niet de door hem genoemde link naar de website van het Elektronisch Druzen Leger overgelegd. De minister vindt verder dat eisers verklaringen over de ondertekening van de petitie en de daarop volgende problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister rijmen de overgelegde documenten niet met eisers verklaringen en zijn eisers verklaringen over een mogelijke arrestatie vanwege de ondertekening gebaseerd op vermoedens.
7. Volgens de minister heeft eiser op basis van de geloofwaardig bevonden asielmotieven geen gegronde vrees voor vervolging en loopt hij ook geen reëel risico op ernstige schade. Het enkel behoren tot de Druzen is daarvoor niet voldoende en eiser heeft geen concrete indicaties aangedragen waaruit persoonlijke vrees blijkt. De minister vindt dat de politieke overtuiging van eiser kan worden aangemerkt als zwakke politieke overtuiging, omdat eiser heeft verklaard dat hij zich niet bezighoudt met politiek, zich niet op andere wijze inzet voor de onafhankelijkheid van de Druzen en zijn mening niet uit in het openbaar. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging. Tot slot neemt de minister voor heel Syrië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In de provincie As-Suweida is sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op grond van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
8. In het verweerschrift heeft de minister overwogen dat Druzen na het nemen van het bestreden besluit met ingang van 24 april 2024 als risicoprofiel zijn aangemerkt. Volgens de minister is dit geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van individuele omstandigheden vreest voor vervolging wegens het behoren tot een etnische minderheidsgroep. Niet is gebleken dat eiser persoonlijk problemen heeft ondervonden omdat hij Druus is.
Beoordeling door de rechtbank
Het vermogen van eiser om te verklaren
9. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser is een gesloten persoon, waardoor hij moeilijker communiceert en uit zichzelf weinig vertelt. Daardoor heeft eiser zijn verhaal wel in grote lijnen kunnen vertellen, maar niet in detail.
10. De beroepsgrond slaagt niet. Uit het medisch advies voorafgaand aan het gehoor blijken, behalve slaapproblemen, geen (medische) klachten die relevant kunnen zijn voor het horen. Verder blijkt uit het rapport van het nader gehoor niet dat eiser niet in staat is geweest om te verklaren. Eiser heeft ook niet toegelicht wat de minister gelet op eisers referentiekader tijdens de gehoren of in de besluitvorming anders had moeten doen. De enkele stelling dat eiser een gesloten persoon is en daardoor niet goed kon verklaren, kan daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit.
De ondertekening van de petitie
11. Eiser voert aan dat de minister de ondertekening van de petitie ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. Eiser heeft een lijst met namen overgelegd, waarop ook zijn naam staat. Verder heeft eiser berichten van Facebook overgelegd. Uit de lijst en de berichten blijkt dat eiser de petitie heeft ondertekend. Het lukt eiser niet om de petitie zelf te overleggen, omdat hij niet handig is met internet. De personen die de petitie hebben ondertekend zijn in principe bekend en dat de lijst met namen in handen komt van het Syrische regime lijkt een logisch gegeven.
12. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de petitie heeft ondertekend en dat niet aannemelijk is dat eiser als gevolg van het ondertekenen van de petitie in de negatieve belangstelling van het Syrische regime zou staan. De minister heeft er daarbij terecht op gewezen dat eiser de petitie niet heeft overgelegd, terwijl hij dit wel heeft toegezegd. Dat eiser niet handig is met internet is daarvoor geen verschoonbare reden. De namenlijst in het Arabisch die eiser heeft overgelegd is verder niet gelinkt aan de petitie, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eiser de petitie heeft ondertekend. Uit de berichten van Facebook blijkt wel het bestaan van een petitie, maar niet dat eiser deze zou hebben ondertekend. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eisers verklaring dat de Syrische autoriteiten op de hoogte zouden zijn van het tekenen van een petitie, berust op vermoedens. Eiser heeft in dit kader verklaard dat iedereen af weet van het feit dat er mensen zijn opgepakt naar aanleiding van het tekenen van de petitie, maar heeft dit verder niet concreet gemaakt.
Politieke overtuiging
13. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen problemen zal krijgen door zijn politieke overtuiging. De mate waarin hij betrokken is bij zijn politieke standpunt is voor de Syrische autoriteiten niet van belang. Het gegeven dat eiser van mening is dat Druzen een eigen zelfstandige staat moeten krijgen, is voldoende om in de negatieve belangstelling te komen.
14. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de politieke overtuiging van eiser niet sterk is. Eiser heeft geen activiteiten verricht en zijn politieke mening niet geuit. Bovendien heeft hij het ondertekenen van de petitie en dat de Syrische autoriteiten daarvan op de hoogte zouden zijn niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft verder niet onderbouwd dat hij door zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling van de Syrische autoriteiten zou staan.
De problemen vanwege het behoren tot de Druzen gemeenschap
15. Eiser voert aan dat de situatie van Druzen in As-Suweida erg slecht is. Deze algemene situatie levert persoonlijke problemen op, zoals controles en spanningen. Het gezin van eiser ondervindt problemen en heeft daarom twee verblijfplaatsen. Eiser verwijst verder naar het rapport Syria – Situation of certain groups van december 2025 van de Danish Immigration Service. De Syrische autoriteiten zijn zeer achterdochtig geworden en stellen zich vijandig op jegens de Druzen. Verder heeft eiser een e-mail van 1 maart 2026 van het Druze Professionals Network Netherlands overgelegd en een artikel van The National van 1 september 2026 over een vuurgevecht tussen Druzen en het overheidsleger in As-Suweida.
16. De rechtbank stelt vast dat de minister Druzen met ingang van 24 april 2026 aanmerkt als risicoprofiel. De rechtbank stelt verder vast dat de minister zich in het verweerschrift op het standpunt heeft gesteld dat dit niet leidt tot een ander oordeel over de vraag of eiser gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt.
Een groep kan op basis van landeninformatie als risicoprofiel worden aangewezen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten of derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor een vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt geen aangepaste bewijslastverdeling. De minister beoordeelt aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt.
17. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat voor hem het individualiseringsvereiste geldt. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of eiser, gelet op zijn individuele omstandigheden, te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege het behoren tot de Druzen gemeenschap. Daarbij heeft de minister allereerst terecht van belang geacht dat eiser heeft verklaard dat hij persoonlijk nooit problemen heeft ondervonden vanwege het feit dat hij Druus is. De verwijzing van eiser naar de huidige algemene situatie waarin geweldsincidenten plaatsvinden en het feit dat zijn gezin afwisselend op twee adressen verblijft in verband met deze incidenten, kunnen ook niet tot de conclusie leiden dat eiser op grond van individuele omstandigheden te vrezen heeft.
Willekeurig geweld en reëel risico op ernstige schade
18. Eiser voert aan dat de minister voor heel Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen, wat betekent dat een vreemdeling individuele risicoverhogende omstandigheden die in direct verband staan met het willekeurig geweld moet aanvoeren om te onderbouwen dat in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Eiser stelt dat daarvan in zijn geval sprake is. De positie van Druzen is erg slecht. In de zomer van 2025 is de situatie geëscaleerd. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet de actuele situatie met betrekking tot de Druzen heeft betrokken. De minister heeft bij de beoordeling van de situatie ook niet het meest recente ambtsbericht van 26 januari 2026 betrokken. Eiser verwijst verder naar informatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 10 februari 2026 over de positie van Druzen en naar informatie van The Danish Immigration Service van december 2025. Daaruit blijkt dat de nieuwe regering van Syrië bijzonder achterdochtig is geworden en zich vijandig opstelt richting de Druzen. Eiser is als landbouwer zeer kwetsbaar voor de autoriteiten. Hij krijgt geen bescherming en kan zich ook niet ergens anders vestigen.
19. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo dat hij het standpunt van de minister dat in heel Syrië, waaronder As-Suweida, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld betwist. Eisers beroepsgrond dat de minister bij die beoordeling ten onrechte niet de informatie uit het algemeen ambtsbericht Syrië van 26 januari 2026 heeft betrokken, slaagt. Dit ambtsbericht was op het moment van het voornemen en het bestreden besluit al beschikbaar. De rechtbank volgt niet de stelling van de minister op de zitting dat in het bestreden besluit wel naar dit ambtsbericht is verwezen. Dit blijkt namelijk niet uit het besluit. Het beroep is daarom gegrond wegens een motiveringsgebrek en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank laat wel de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de minister in het verweerschrift alsnog is ingegaan op de informatie uit het algemeen ambtsbericht Syrië van 26 januari 2026.
20. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats reeds heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie.
21. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen ten aanzien van As-Suweida. Eiser wijst uitsluitend op informatie die ziet op de houding van de autoriteiten tegenover Druzen of op (gericht) geweld tegen Druzen en voert daarmee niets aan wat ziet op de mate van willekeurig geweld. Voor zover eiser met de overgelegde informatie heeft willen aanvoeren dat sprake is van individuele, risicoverhogende omstandigheden, overweegt de rechtbank dat de informatie ziet op de algemene situatie. Deze informatie kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van persoonlijke omstandigheden die het risico op ernstige schade groter maken. Eiser heeft tot slot zijn stelling dat het feit dat hij landbouwer is, hij hierdoor kwetsbaar is voor de autoriteiten en dit een risicoverhogende omstandigheid is, niet concreet gemaakt of onderbouwd. De minister heeft zich daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser op grond van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Conclusie en gevolgen
22. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 19 is het beroep gegrond, omdat het besluit niet op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister dit gebrek in het verweerschrift heeft hersteld.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 5 februari 2026;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.
Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.