RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13058
geboren op [datum] 1988,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
(gemachtigde: mr. G. Dreijer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij niet terug kan keren naar Syrië, omdat zijn echtgenote en kinderen in Jordanië verblijven en omdat zijn echtgenote weigert naar Syrië te gaan. Om deze reden zou eiser zijn kinderen niet meer kunnen zien. Eiser verklaart verder dat hij zelf ook niet kan terugkeren naar Jordanië. Eiser heeft verder geen problemen gehad in Syrië. Eiser beroept zich verder ook op de humanitaire noodsituatie in Syrië.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. vrees voor militaire dienstplicht; en
3. vrees voor de algemene veiligheidssituatie.
De minister gelooft het eerste asielmotief. Het tweede en derde asielmotief worden door de minister niet op geloofwaardigheid beoordeeld, omdat dit asielmotieven zijn die op de toekomst gericht zijn en niet op geloofwaardigheid kunnen worden beoordeeld. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging dan wel dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft er in dit verband op gewezen dat uit het landenbeleid Syrië volgt dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en dat eiser niet met relevante landeninformatie heeft onderbouwd dat zijn individuele omstandigheden een verhoogd
risico geven om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen als ongegrond.
Zienswijze ingelast
5. Voor zover eiser verzoekt om de zienswijze als ingelast te beschouwen in de gronden van beroep, stelt de rechtbank vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering van het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.
Afbakening van het geschil
6. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat het beroep zich richt op vrees voor de algehele veiligheidssituatie in Syrië, artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en de vraag in hoeverre de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië daarbij betrokken moeten worden. Het standpunt van de minister ten aanzien van de vrees voor militaire dienstplicht wordt door eiser niet langer betwist.
De algehele veiligheidssituatie in Syrië en humanitaire omstandigheden
7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Volgens eiser heeft de minister de beoordeling of aan iedereen uit Syrië subsidiaire bescherming moet worden verleend onjuist uitgevoerd en weegt de minister de humanitaire omstandigheden ten onrechte niet mee. Eiser wijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van deze rechtbank, Den Haag van 23 februari 2026 en die van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025. Ook heeft eiser verwezen naar de prejudiciële vraag van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 29 december 2025. Eiser stelt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, omdat de humanitaire omstandigheden niet zijn meegewogen.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al heeft overwogen geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Uit het ambtsbericht van januari 2026 volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is verslechterd. Met wat eiser heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet uit mag gaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.
Ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en de door eiser genoemde rapporten en artikelen, in overwegende mate het gevolg zijn van handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de nu nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld.
De humanitaire situatie en artikel 3 van het EVRM
8. Eiser betoogt verder dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Syrië terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden. Eiser heeft daarbij in algemene zin gewezen op het arrest Sufi en Emi.
Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als een slechte humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt terecht dat eiser in de gronden van beroep geen onderbouwing heeft gegeven van deze zeer uitzonderlijke humanitaire omstandigheden, en dat ook niet heeft toegespitst op de situatie in Damascus. Hoewel sprake is van een zeer slechte en complexe humanitaire situatie, is de rechtbank op basis van de nu in het dossier aanwezige stukken, niet gebleken dat in Syrië, en Damascus in het bijzonder, zeer uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld onder rechtsoverweging 8.1., bestaan. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat volgens UN OCHA naar schatting 16,5 miljoen Syriërs, onder wie 7,2 miljoen binnenlands ontheemden en bijna 2 miljoen teruggekeerde binnenlands ontheemden, behoefte hadden aan humanitaire hulp. Naar schatting 90% van de bevolking leefde onder de armoedegrens. Meer dan de helft van de bevolking had te kampen met voedselonzekerheid en bijna drie miljoen mensen had te maken met ernstige voedselonzekerheid. Tegelijk blijkt uit het ambtsbericht van mei 2025 dat verschillen bestonden tussen stedelijke en rurale gebieden; diensten waren over het algemeen in grotere steden geconcentreerd. Bovendien zijn internationale hulporganisaties actief in Syrië en niet is gebleken dat deze organisaties, anders dan aan de orde was in de zaak Sufi en Elmi, geen toegang hebben tot de getroffen gebieden. De humanitaire situatie in Damascus is op zichzelf dan ook onvoldoende om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen.
Voorzover eiser heeft betoog dat de minister ten onrechte niet zou hebben vastgesteld of sprake is van een gewapend conflict, faalt dit betoog, omdat reeds uit het feit dat de minister ten aanzien van Damascus uitgaat van de laagste gradatie van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, volgt dat de minister uitgaat van een gewapend conflict.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat hij moet terugkeren naar Syrië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.