[naam], verzoeker,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. De minister heeft op 26 juni 2026 de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 16 juli 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat het beroep wordt behandeld door een meervoudige kamer op 3 augustus 2026. Op 17 juli 2026 heeft de IND bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Op 23 juli 2026 heeft de rechtbank partijen bericht voornemens te zijn om een zitting achterwege te laten als niet uiterlijk 30 juli 2026 een van de partijen aangeeft dat zij mondeling op een zitting wil worden gehoord. Op 31 juli 2026 is partijen bericht dat de zitting achterwege zal worden gelaten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.