RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.259240.25
Datum uitspraak : 21 augustus 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1970 in [geboorteplaats], wonende aan de [adres], ([postcode]) in [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. S.K.S. Toelsie, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 augustus 2026.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 december 2006 tot en met 21 december 2010 en/of de periode van 22 december 2013 tot en met 21 december 2015 te [plaats], met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1999, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
te weten
- het (tong)zoenen van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de borsten en/of de vulva van die [slachtoffer].
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tongzoenen. Daartoe is aangevoerd dat de verklaringen van verdachte en aangeefster op dit punt tegenover elkaar staan. De verklaring van aangeefster vindt hiervoor geen steun in andere bewijsmiddelen. Voor het overige is geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Algemeen
De rechtbank overweegt allereerst dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerde) seksuele handelingen, namelijk het veronderstelde slachtoffer en de vermeende dader. Indien de verdachte ontkent, moet de rechtbank beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.
Tongzoen
Verdachte heeft bekend dat hij de borsten en de vulva van [slachtoffer] heeft betast. Dit vond plaats in [plaats]. Daarnaast heeft hij verklaard dat [slachtoffer], toen zij bij hem en zijn vrouw logeerde, bij hem op schoot kwam zitten en hem begon te zoenen. Volgens verdachte was dit geen tongzoen.
[slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1999) verklaart hierover dat zij op een avond bij verdachte en zijn vrouw in [plaats] verbleef, omdat haar ouders een feestje hadden. Zij kon niet slapen en is toen naar beneden gegaan. Verdachte was toen ook nog beneden. [slachtoffer] is bij hem gaan zitten. Zij kan zich herinneren dat verdachte een televisieprogramma opzette waarin sexy vrouwen in beeld kwamen. Er stond een telefoonnummer waar je naartoe kon bellen. Zij moest toen tongzoenen met verdachte.
De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] op dit punt voldoende betrouwbaar en concreet nu ze hierover ook details noemt. Bovendien wordt haar verklaring op onderdelen, het zoenen op zichzelf, ondersteund door de verklaring van verdachte. De rechtbank ziet niet in waarom [slachtoffer] over dit detail niet de waarheid zou spreken. De rechtbank zal op dit punt dan ook uitgaan van haar verklaring.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het tongzoenen van [slachtoffer].
Periode
Verdachte heeft wisselend verklaard over de periode waarin de tenlastgelegde feiten hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] 14 jaar dan wel 15 jaar oud was. Ter zitting heeft verdachte eerst verteld dat [slachtoffer] 12 jaar was, en ook dat hij het niet meer weet. [slachtoffer] heeft verklaard dat het gebeurde tussen 2007 en 2010.
De rechtbank gaat bij het bepalen van de pleegperiode uit van de door haar betrouwbaar geachte verklaring van [slachtoffer]. De verklaring van verdachte op dit punt is wisselend en uiteindelijk zegt hij het niet meer precies te weten.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 december 2006 tot en met 21 december 2010 en/of de periode van 22 december 2013 tot en met 21 december 2015 te [plaats], met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1999, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
te weten
- het (tong)zoenen van die [slachtoffer] en/of
- het betasten van de borsten en/of de vulva van die [slachtoffer].
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen meermalen gepleegd
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, gelet op het tijdsverloop sinds de feiten hebben plaatsgevonden, het reclasseringsadvies, de beperkingen van verdachte en de ernst van het feit, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 210 dagen waarvan 209 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] en een taakstraf van 200 uren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat aan verdachte een volledig voorwaardelijke taakstraf wordt opgelegd, omdat deze ook recht doet aan de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daartoe is aangevoerd dat verdachte spijt heeft en beseft dat hij anders had moeten handelen. Daarnaast zijn de feiten inmiddels lang geleden, heeft verdachte geen strafblad en is sprake van een laag recidiverisico. Er moet rekening worden gehouden met het vrijwilligerswerk van verdachte bij de zorgboerderij en de zorg die hij voor zijn vrouw heeft.
Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat bij de vaststelling van de omvang van een taakstraf rekening moet worden gehouden met de beperkte belastbaarheid van verdachte, zodat een dergelijke straf ook daadwerkelijk uit te voeren is voor hem.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermaals plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] , die op dat moment minderjarig was. Deze handelingen bestonden uit het betasten van haar vulva en borsten en het tongzoenen met [slachtoffer]. [slachtoffer] was tussen de 7 en 10 jaar oud toen de feiten plaatsvonden. [slachtoffer] was tijdens in ieder geval één moment aan de zorg van verdachte toevertrouwd. Hij paste op haar. Van verdachte had mogen worden verwacht dat hij in die positie de grenzen van [slachtoffer] zou respecteren. In plaats daarvan heeft hij misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen.
Dat [slachtoffer] verdachte zou hebben uitgelokt tot het plegen van de ontuchtige handelingen, is volstrekt niet aan de orde. Verdachte was dertig jaar ouder. Hij kan zich nooit beroepen op ‘uitlokking’ door een kind van minder dan tien jaar oud. Hij wist dat wat hij deed niet goed was en hij was zich bovendien bewust van de kwetsbare positie van de jonge [slachtoffer]. Verdachte had zich door dit bewustzijn moeten laten leiden, ook al vond hij dat moeilijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich veel te veel laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens. Zij neemt dit verdachte kwalijk.
Met zijn handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van een kwetsbare minderjarige, waarbij hij haar lichamelijke en geestelijke integriteit ernstig heeft aangetast. Dit soort feiten brengen, juist aan minderjarigen die nog aan het begin van hun (seksuele) ontwikkeling staan, grote schade toe. Dat [slachtoffer] veel nadelige gevolgen heeft ondervonden en nog altijd de gevolgen van wat verdachte haar heeft aangedaan ondervindt, blijkt ook uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding. [slachtoffer] heeft bijna dagelijks klachten die haar kwaliteit van leven in ernstige mate negatief beïnvloeden. Zij was en is hiervoor nog steeds onder behandeling.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 18 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 28 mei 2026. De reclassering beschrijft verdachte als een kwetsbare man met een licht verstandelijke beperking (IQ 55). Zijn cognitieve beperkingen in combinatie met mogelijke onderontwikkeling op seksueel gebied hebben geleid tot het delictgedrag. Meerdere leefgebieden zijn stabiel. De reclassering ziet geen problemen op het gebied van werk, inkomen, relatie partner, middelengebruik en houding. Verdachte en zijn vrouw ontvangen al tientallen jaren begeleiding van Sius. Ondanks de aanwezigheid van risicofactoren wordt de kans op recidive ingeschat als laag. De reclassering vindt het opleggen van interventies niet nodig. De vraag is immers ook hoeveel gedragsverandering er mogelijk is, gezien de verstandelijke beperking van verdachte en de overvraging van een meldplicht en behandelafspraken. Verdachte is vanwege de onrust die in zijn woonplaats is ontstaan vanwege (onder meer) deze verdenking verhuisd naar elders.
De straf
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van het feit, het leeftijdsverschil tussen [slachtoffer] en verdachte, de tussen hen bestaande vertrouwensrelatie, de kwetsbare positie van [slachtoffer], het feit dat het seksuele misbruik in de huiselijke sfeer heeft plaatsgevonden en op verschillende momenten. Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie en vond zijn eigen seksuele verlangens belangrijker dan de belangen van [slachtoffer]. De rechtbank houdt daarnaast ook rekening met het tijdsverloop, de verstandelijke beperking van verdachte en het feit dat hij de zorg voor zijn vrouw draagt. De rechtbank vindt het voor de beperking van het recidiverisico bovendien van belang dat de huidige dagbesteding van verdachte behouden blijft. Ten slotte moet de rechtbank het taakstrafverbod, dat van toepassing is, in acht nemen.
Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen waarvan 209 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] passend. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf aan verdachte opleggen voor de duur van 180 uren.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 8.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank. Zij merkt daarbij op dat door de benadeelde is aangesloten bij de categorie ‘seksueel binnendringen’ van de Rotterdamse Schaal terwijl daar juridisch gezien geen sprake van is.
De verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd kan worden toegewezen. Daartoe is aangevoerd dat wordt aangesloten bij de categorie ‘ontucht met seksueel binnendringen’ van de Rotterdamse Schaal, terwijl daar in deze zaak geen sprake van is. Verder kan het geestelijk letsel naar objectieve maatstaven niet worden vastgesteld, omdat geen sprake is van een psychiatrische diagnose. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het feit dat uit het dossier en de onderbouwing van de vordering volgt dat ook andere omstandigheden een rol hebben gespeeld in het psychisch welzijn van benadeelde, zodat niet al hetgeen nu speelt is te relateren aan het handelen van verdachte.
Overweging van de rechtbank
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld onder meer als de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
De rechtbank overweegt dat uit de aard en de ernst van de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen al blijkt dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dergelijke feiten maken immers een flinke inbreuk op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers. Ten aanzien van benadeelde is uit de toelichting op de vordering duidelijk geworden dat het handelen van verdachte voor een groot deel de rest van haar leven heeft bepaald en nog steeds bepaalt. In de toelichting wordt genoemd een PTSS en (onder andere) slaapproblemen.
Bij de vaststelling van de schade weegt de rechtbank de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte tenlastegelegde feit mee. Ook kijkt zij voorts naar de bedragen die de Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen hebben toegekend. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’ en de door de Rechtspraak geformuleerde aanbevelingen daarop, die zij geaccordeerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de bandbreedte van smartengeldbedragen in het geval dat bij de benadeelde partij slachtoffer is geworden van aanranding waarbij sprake is van het herhaaldelijk dwingen van benadeelde tot het dulden van ontuchtige handelingen, waarin tevens sprake is van enige afhankelijkheidsrelatie tussen dader en benadeelde.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het smartengeld vaststellen op een bedrag van
€ 5.000,00. Voor het overige wordt de benadeelde niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Wettelijke rente
Verdachte is bij gebreke aan een andere gestelde of gebleken ingangsdatum wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf 21 december 2010, als de laatste dag van de bewezen tenlastgelegde periode.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partijen toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 24c, 36f en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen;
stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1999;
legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2010 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 5.000,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2010 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 50 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.