uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 september 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R. Lammers),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 13.715 (excl. € 28 belastingrente) opgelegd ( [aanslagnummer] ).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding toegekend.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. J.H.J. Joosten en [persoon] .
Feiten
1. Belanghebbende heeft op 14 juli 2022 BPM-aangifte gedaan voor de volgende auto’s:
BMW X5
een BMW X5 xDrive40d High Executive. De historische nieuwprijs heeft belanghebbende bepaald op € 145.196 en de bruto-BPM op € 35.261 (tarief 2020). Datum van eerste toelating van de auto (in Duitsland) is 25 januari 2021.
BMW X7
een BMW X7 xDrive40d High Executive. De historische nieuwprijs heeft belanghebbende bepaald op € 158.780 en de bruto-BPM op € 38.455 (tarief 2022). Datum van eerste toelating van de auto (in Hongarije) is 22 februari 2022.
2. Bij beide aangiftes is een taxatierapport, inclusief foto’s van de betreffende auto, van [bedrijf] gevoegd. De taxatierapporten vermelden onder meer:
BMW X5
een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto van € 65.511, en een schadecalculatie van € 15.081, waarvan 98.67 % als waardevermindering in aanmerking is genomen. Het rapport vermeldt daarnaast een correctie van € 3.550 vanwege het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand. Het taxatierapport concludeert tot een handelsinkoopwaarde van de auto na waardevermindering van € 47.080.
BMW X7
een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto van € 92.054, en een schadecalculatie van € 18.727, waarvan 99.2 % als waardevermindering in aanmerking is genomen. Het rapport vermeldt daarnaast een correctie van € 3.850 vanwege het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand en een correctie van € 1.500 vanwege een schadeverleden. Het taxatierapport concludeert tot een handelsinkoopwaarde van de auto na waardevermindering van € 68.127.
3. Bij de aangiftes heeft belanghebbende ook de inkoopfacturen van de auto’s overgelegd. De factuur voor de BMW X5 met datum 14 juli 2022 vermeldt een aankoopprijs van € 70.587,39 (incl. 19% omzetbelasting). De factuur voor de BMW X7 met datum 20 juni 2022 vermeldt een aankoopprijs van € 87.000 (incl. 19% omzetbelasting).
4. Belanghebbende heeft de volgende bedragen aan BPM op aangifte voldaan:
BMW X5 € 11.433
BMW X7 € 16.499
5. Desgevraagd heeft belanghebbende de auto’s getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Daarvan heeft DRZ met datum 21 juli 2022 per auto een rapport uitgebracht (de DRZ-rapporten). De DRZ-rapporten vermelden de volgende gegevens:
BMW X5
een historische nieuwprijs van € 131.285, een handelsinkoopwaarde van € 65.076 (X-Ray), en een schadecalculatie van € 0.
BMW X7
een historische nieuwprijs van € 156.202, een handelsinkoopwaarde van € 98.196 (X-Ray), en een schadecalculatie van € 0.
6. Vervolgens heeft de inspecteur per auto een “kennisgeving naheffingsaanslag BPM” met datum 12 januari 2023 naar belanghebbende verzonden. In die brieven kondigt de inspecteur aan dat hij zal naheffen. Volgens de kennisgevingen is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade en moet de afschrijving van de auto’s bepaald worden aan de hand van de koerslijst zonder daarop een correctie wegens schade toe te passen. De verschuldigde BPM moet overeenkomstig de bevindingen in de DRZ-rapporten worden vastgesteld. De verschuldigde BPM voor de BMW X5 bedraagt € 17.475. Het verschil tussen de verschuldigde BPM en de voor deze auto betaalde BPM is € 6.042. De verschuldigde BPM voor de BMW X7 bedraagt € 24.172. Het verschil tussen de verschuldigde BPM en de voor deze auto betaalde BPM is € 7.673.
7. Met dagtekening 3 maart 2023 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag BPM van € 13.743 (incl. € 28 belastingrente) aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
8. In de uitspraak met dagtekening 20 december 2023 heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard, de historische nieuwprijs van de BMW X5 verhoogd met € 747, en een proceskostenvergoeding toegekend.
Beoordeling door de rechtbank
9. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag BPM terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
10. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij voor het berekenen van de vermindering, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid van de Wet BPM, de taxatiemethode toe mocht passen en dat de aangegeven schade en verminderingen worden onderbouwd door de taxatierapporten van belanghebbende. De koerslijst van DRZ kan bovendien niet dienen om de handelsinkoopwaarde vóór correctie van de BMW X7 te bepalen. Daarnaast is de inspecteur voor beide voertuigen van een te lage historische nieuwprijs uitgegaan door geen rekening te houden met de daadwerkelijke CO2-uitstoot van de voertuigen. Ook is belanghebbende van mening dat hij onevenredig vaak wordt opgeroepen voor DRZ controles.
11. De inspecteur stelt dat belanghebbende de waardeverminderingen niet aannemelijk heeft gemaakt. De taxatierapporten van belanghebbende zijn niet betrouwbaar vanwege verschillende materiële en formele gebreken. De koerslijsten van zowel belanghebbende als DRZ zijn niet bruikbaar voor de berekening van de verminderingen. Daarom moet worden teruggevallen op de tabel. De naheffingsaanslag is eerder te laag dan te hoog vastgesteld. Subsidiair is de taxatiemethode van toepassing omdat de voertuigen in de huidige uitvoering niet voorkomen op een koerslijst, en moeten de waarden worden vastgesteld aan de hand van de inkoopfacturen. Voor een ophoging van de historische nieuwprijzen vanwege de afwijkende CO2-uitstoot is geen reden, want belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet ook leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde.
12. De bruto BPM van respectievelijk € 35.261 (BMW X5) en € 38.455 (BMW X7) is niet in geschil.
Dient het taxatierapport van belanghebbende te worden verworpen?
13. De inspecteur stelt primair dat de taxatierapporten van belanghebbende buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat ze verschillende formele en materiële gebreken bevatten. De inspecteur wijst daarvoor onder andere op: het korte tijdsbestek waarin de fysieke opnames hebben plaatsgevonden (45 min.); het gebrek aan motivering voor de in mindering gebrachte schade; de toegepaste correcties voor het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand en de afwijkende CO2-uitstoot; en het marktonderzoek naar referentievoertuigen waarbij onvoldoende informatie is opgenomen en is uitgegaan van vraagprijzen in plaats van verkoopprijzen. Volgens de inspecteur brengt dit mee dat de taxatiemethode niet van toepassing is. Omdat de auto’s ook niet voorkomen in een koerslijst, moet de verschuldigde BPM worden bepaald op grond van de forfaitaire afschrijvingstabel zoals genoemd in artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM.
14. De rechtbank verwerpt het standpunt van de inspecteur dat in dit geval moet worden teruggevallen op de forfaitaire tabel. Op grond van artikel 10, achtste lid, van de Wet BPM kan de taxatiemethode worden toegepast als sprake is van meer dan normale gebruikssporen of (juist) als de auto niet voorkomt in een koerslijst. De taxatierapporten van belanghebbende zijn naar het oordeel van de rechtbank niet dermate onbetrouwbaar dat deze in zijn geheel buiten beschouwing moeten worden gelaten. De taxateur heeft bij de bepaling van de handelsinkoopwaarde gebruik gemaakt van een koerslijst en een onderbouwing gegeven voor de toegepaste waardeverminderingen. Dat deze waardeverminderingen mogelijk niet aannemelijk zijn gemaakt, maakt niet dat de taxatierapporten in zijn geheel buiten beschouwing moeten worden gelaten.
Dient rekening te worden gehouden met een waardevermindering wegens schade?
15. Belanghebbende is van mening dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door hem gecalculeerde waardevermindering wegens schade. Belanghebbende verwijst voor de onderbouwing naar zijn taxatierapporten. Volgens belanghebbende is sprake van relatief jonge voertuigen uit het hogere c.q. luxere segment. Kopers van dit type voertuig verwachten dat deze in complete nieuwstaat verkeert, waardoor de aanwezige schades niet kwalificeren als gebruikssporen. Daarnaast is er bij de BMW X7 sprake van een schadeverleden.
16. De inspecteur is subsidiair van mening dat de taxatiemethode van toepassing is, maar dat voor waardevermindering vanwege schade geen plaats is. Gelet op de aankoopprijs die volgt uit de overgelegde inkoopfacturen, kan de getaxeerde waarde van de auto’s niet kloppen. DRZ heeft bovendien geen schade vastgesteld die niet als gebruikersschade kan worden aangemerkt. Ook de aanwezigheid van een schadeverleden en het eventuele waardedrukkende effect daarvan zijn door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.
17. De bewijslast inzake waardevermindering door schade ligt op grond van constante jurisprudentie van de Hoge Raad bij belanghebbende. De rechtbank komt tot het oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto’s meer dan normale gebruiksschade hadden. DRZ heeft geen schade vastgesteld. Ook uit de foto’s bij de door belanghebbende ingediende taxatierapporten volgt niet dat er sprake is van schade anders dan gebruikssporen. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van belanghebbende dat voor deze auto’s geen sprake is van gebruikssporen, omdat het zou gaan om vrij jonge auto’s uit het luxere segment. Het gaat in dit geval om gebruikte auto’s, die niet meer in nieuwstaat verkeren (daarom is er reden voor afschrijving op de BPM). Daarmee heeft belanghebbende de gestelde waardeverminderingen vanwege schade niet aannemelijk gemaakt. Te meer omdat uit de inkoopfacturen volgt dat belanghebbende aanzienlijk meer voor de auto’s heeft betaald dan ze volgens zijn eigen taxateur waard zijn.
18. Omdat de rechtbank van oordeel is dat er geen schade aannemelijk is gemaakt, komt de rechtbank ook niet toe aan een oordeel over het standpunt van belanghebbende dat de 72% norm buiten beschouwing moet worden gelaten.
Handelsinkoopwaarde
19. Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van schade, is de taxatiemethode alleen van toepassing als de auto’s niet op een koerslijst voorkomen. Partijen zijn het erover eens dat de auto’s niet voorkomen op een koerslijst, zodat de taxatiemethode (ook zonder dat sprake is van schade) gebruikt kan worden.
20. Bij de taxatiemethode kunnen voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde koerslijsten worden gebruikt van voertuigen die overeenkomen met de in geschil zijnde auto’s, dan wel zo dicht mogelijk aanleunen bij de kenmerken van de auto’s.
21. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zijn taxateur koerslijsten heeft gebruikt die overeenkomen met de voertuigen, dan wel zo dicht mogelijk aanleunen bij de kenmerken van het voertuig.
22. De inspecteur stelt subsidiair dat de taxatiemethode van toepassing is, omdat beide auto’s niet op een koerslijst voorkomen. De koerslijsten van belanghebbende zijn niet bruikbaar omdat is uitgegaan van de verkeerde kleur (blauw metallic in plaats van carbonschwarz metallic) en een onjuiste inchmaat voor de velgen. Beide koerslijsten die DRZ heeft gebruikt, zijn eveneens niet bruikbaar omdat de calculatiedatum van deze koerslijsten na de datum goedkeuring door de RDW ligt, ten onrechte is uitgegaan van de kleur zwart, en geen rekening is gehouden met het bi-lederen interieur en de zwarte daklijsten. De inspecteur heeft ter zitting aangevoerd dat de handelsinkoopwaarden aan de hand van de inkoopfacturen moeten worden vastgesteld.
23. De rechtbank constateert dat partijen het er over eens zijn dat de koerslijsten die DRZ heeft gehanteerd voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de auto’s niet bruikbaar zijn. De rechtbank ziet geen reden om partijen hierin niet te volgen. De taxatiemethode kan daarom worden toegepast.
24. Belanghebbende heeft ter zitting bepleit dat de door zijn taxateur gehanteerde koerslijsten bruikbaar zijn voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde vóór correctie. In de koerslijst is (via het sportpakket) voor de BMW X5 de juiste inchmaat opgenomen en is voor de BMW X7 zo dicht mogelijk aangesloten bij de juiste inchmaat. Daarnaast is gekozen voor een kleur die het beste aansluit bij de feitelijke situatie. ‘Carbonschwarz’ is volgens belanghebbende een Duitse benaming voor een metallic kleur die in de praktijk donkerblauw is. De rechtbank overweegt dat de exacte uitvoering en kleur niet voorkomen op een koerslijst. Gelet hierop zal de rechtbank de handelsinkoopwaarde in goede justitie vaststellen.
25. De rechtbank gaat daarbij niet mee in het standpunt van belanghebbende dat er rekening moet worden gehouden met een waardevermindering vanwege het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand. Hoewel dit (theoretisch) een waardedrukkende factor kan zijn, is het enkele ontbreken van een oordeel van de RDW niet voldoende om waardedruk aan te nemen. De RDW geeft immers in de regel geen oordeel over de juistheid van de kilometerstand van auto’s die parallel worden ingevoerd. Belanghebbende heeft met betrekking tot deze specifieke auto’s geen omstandigheden gesteld die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van de kilometerstand en niets wijst op onregelmatigheden op dat punt. Belanghebbende heeft daarom voor deze auto’s niet aannemelijk gemaakt dat een waardevermindering in acht moet worden genomen vanwege het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto.
26. De rechtbank zal de handelsinkoopwaarde voor de BMW X5 in goede justitie vaststellen op € 65.511. Voor de BMW X7 geldt dat de koerslijst van belanghebbende onder andere een kleinere inchmaat van de velgen vermeldt, zodat de rechtbank ook de handelsinkoopwaarde van de BMW X7 in goede justitie zal vaststellen, en wel op € 94.000.
Historische nieuwprijs
27. Belanghebbende stelt vervolgens dat de inspecteur de historische nieuwprijs te laag heeft bepaald in de DRZ-rapporten, omdat geen rekening is gehouden met de afwijkende CO2-uitstoot van de ingevoerde auto’s. Bij de bepaling van de historische nieuwprijs moet worden uitgegaan van de daadwerkelijke CO2-uitstoot van de getaxeerde auto. Dit betekent dat voor de BMW X5 moet worden uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 145.196, rekening houdend met een netto-catalogusprijs en BTW van in totaal € 109.935 en een bruto-BPM van € 35.261. Voor de BMW X7 moet worden uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 158.780, rekening houdend met een netto-catalogusprijs en BTW van in totaal € 120.325 en een bruto-BPM van € 38.455.
28. De inspecteur heeft ter zitting betoogd dat voor een ophoging van de historische nieuwprijs vanwege de afwijkende CO2-uitstoot geen reden is, omdat aannemelijk is dat dit tevens leidt tot een (even) hogere handelsinkoopwaarde, althans dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet zo is.
29. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op de som van onder meer het bedrag aan BPM dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet op het bedrag aan BPM van een referentievoertuig. Daaruit volgt dat bij de bepaling van de historische nieuwprijs rekening moet worden gehouden met de (van de referentievoertuigen afwijkende) CO2-uitstoot van de auto’s. De inspecteur heeft zijn stelling dat dit niet nodig is, omdat de CO2-uitstoot ook gevolgen heeft voor de handelsinkoopwaarde van de auto’s, niet met argumenten onderbouwd. Weliswaar rust op belanghebbende de last om een vermindering aan BPM te bewijzen, maar de blote stelling van de inspecteur dat een hogere CO2-uitstoot leidt tot een (even) hogere handelsinkoopwaarde, is een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de berekeningen en standpunten die door belanghebbende zijn ingebracht. Het is ook geen feit van algemene bekendheid dat een hogere CO2-uitstoot een hogere handelsinkoopwaarde tot gevolg heeft. Tegen de berekeningen van belanghebbende van de historische nieuwprijs van de auto’s heeft de inspecteur verder geen (cijfermatige) gronden aangevoerd, de rechtbank zal belanghebbende hierin volgen.
Wordt belanghebbende overmatig en onterecht opgeroepen voor DRZ controles?
30. Belanghebbende is van mening dat hij onevenredig vaak wordt opgeroepen voor hercontroles. In een half jaar tijd is hij negen keer opgeroepen voor een hercontrole, dit is niet meer willekeurig te noemen en is disproportioneel.
31. De inspecteur is van mening dat er geen sprake is van disproportioneel handelen. Belanghebbende heeft in 2022 ongeveer 203 aangiftes ingediend, hiervan zijn er zes naar DRZ gegaan voor een hercontrole. In 2024 heeft belanghebbende ongeveer zes aangiftes ingediend, hiervoor is belanghebbende niet opgeroepen voor hercontrole.
32. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hoeveel aangiftes die zijn ingediend, belanghebbende niet disproportioneel vaak is opgeroepen voor hercontroles. Er is geen sprake van willekeur.
Tussenconclusie
33. Gelet op het voorgaande dient de verschuldigde en de na te heffen BPM als volgt te worden berekend.
BMW X5
Handelsinkoopwaarde € 65.511
Historische nieuwprijs € 145.196
Bruto bpm € 35.261
Verschuldigde bpm € 15.909
Op aangifte voldaan € 11.433
Na te heffen € 4.476
BMW X7
Handelsinkoopwaarde € 94.000
Historische nieuwprijs € 158.780
Bruto bpm € 38.455
Verschuldigde bpm € 22.765
Op aangifte voldaan € 16.499
Na te heffen € 6.266
Het totale bedrag van de naheffing komt dan op € 10.742. Het beroep is daarom gegrond.
34. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien belanghebbende geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikking belastingrente heeft aangevoerd, moet de in rekening gebrachte belastingrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
35. Belanghebbende heeft in zijn stuk van 11 februari 2026 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in de arresten van 19 februari 2016 en 14 juni 2024. Op grond van een beleidsregel van de minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
36. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 8 maart 2023. De periode tussen de datum van ontvangst van dat bezwaarschrift en de datum van deze uitspraak is achttien maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) achttien maanden overschreden. Dat is drie keer een half jaar, hetgeen correspondeert met een schadevergoeding van € 1.500 (drie maal € 500). De uitspraak op bezwaar dateert van 20 december 2023. De periode gelegen tussen 8 maart 2023 en 20 december 2023 is (afgerond) vier maanden langer dan de termijn van zes maanden die geldt voor de inspecteur. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van € 333 (4/18 van €1.500). De Staat moet de rest betalen, dus € 1.167. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
37. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de naheffingsaanslag wordt verminderd.
38. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op een bedrag van € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934, en een wegingsfactor 1). Belanghebbende krijgt ook het griffierecht terug.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 4 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.