ECLI:NL:RBGEL:2026:922

ECLI:NL:RBGEL:2026:922

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer 459869
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Wraking
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Artikel 1033 Rv. Wraking arbiter Raad van Arbitrage in bouwgeschillen. Voorlopig oordeel. Wraking ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer / rekestnummer: C/05/459869 / KG RK 25-865

Beschikking van 5 februari 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PREFAB FABRIEK CULEMBORG B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Culemborg,

verzoekende partij, hierna: PFC,

advocaat: mr. P. Koeslag te Schijndel,

tegen

[Verweerder],

domicilie kiezende ten kantore van

de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen te Utrecht,

verwerende partij, hierna: de arbiter.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 26 november 2025 met 4 producties,

- de schriftelijke reactie van de arbiter van 22 januari 2026,

- de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarvan de griffier aantekening heeft gehouden.

Bij de mondelinge behandeling van het verzoek zijn verschenen:

- namens PFC: [medewerker verzoekende partij] , directeur, en mr. Koeslag,

- de arbiter (via videobellen) en mevrouw mr. C.F. van Spanje, als secretaris werkzaam voor de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen (hierna: de secretaris),

- namens de belanghebbenden [groep belanghebbenden] : mr. H.P. de Lange, [groep belanghebbenden] .

De beschikking is bepaald op vandaag.

2. De feiten

PFC drijft een onderneming op het gebied van geprefabriceerde houtskeletbouw, onder meer van woningen. PFC heeft in Almere woningen gerealiseerd en in 2020 opgeleverd aan een groep bewoners (hierna: [groep belanghebbenden] ).

[groep belanghebbenden] hebben klachten over lekkage in de woningen. Tussen PFC en [groep belanghebbenden] is inmiddels een arbitrageprocedure aanhangig bij de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen (hierna: de RvA). Deze procedure is door de RvA aangemerkt als een spoedgeschil.

Verweerder is benoemd tot arbiter in deze procedure.

De mondelinge behandeling in de arbitrageprocedure heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. Deze behandeling is gestart in een hotel te Almere. Na een onderbreking voor de lunch heeft de arbiter, vergezeld van de secretaris en van partijen en hun advocaten, een aantal woningen bezichtigd (descente). Daarna is de behandeling voortgezet in het hotel en die middag gesloten.

Op 18 november 2025 heeft PFC een e-mail gestuurd naar de RvA waarin zij de arbiter wraakt. De arbiter heeft per brief van 19 november 2025 laten weten dat hij in het verzoek tot wraking geen aanleiding ziet om zijn benoeming terug te geven.

3. Het verzoek en het verweer

PFC verzoekt de voorzieningenrechter om de wraking van de arbiter gegrond te verklaren. Het ontbreekt de arbiter aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid, aldus PFC.

De arbiter zei tijdens de bezichtiging (van de derde en laatste woning) dat hij een tipje van de sluier wilde lichten. Toen gaf de arbiter aan dat PFC zou moeten onderzoeken op welke wijze het herstel zou moeten plaatsvinden. Volgens PFC kwam dat feitelijk neer op een veroordeling. PFC ging er op dat moment vanuit dat partijen zouden terugkeren naar het hotel om nadere vragen te beantwoorden en in te gaan op wat tijdens de bezichtiging aan de orde was geweest, waaronder getoond videomateriaal. Terug in het hotel zei de arbiter dat hij een voorlopig oordeel zou geven, waarover niet zou worden gediscussieerd. De arbiter zei toen: “De aansprakelijkheid ligt bij de aannemer en dat is tevens mijn eindoordeel. U zult het vonnis moeten afwachten voor de onderbouwing.”. Daarmee gaf de arbiter een eindoordeel, dat was verpakt als een voorlopig oordeel. Een eindoordeel lag niet in de rede omdat er zeer uitvoerig door partijen was gediscussieerd, mede op basis van ingediende producties en wijzigingen van eis. Vragen daarover zouden na de descente, in tweede termijn, worden gesteld. De arbiter wachtte dat niet af en wilde kennelijk aansturen op een pragmatische oplossing. Het oordeel van de arbiter stond kennelijk al vast en de zitting heeft daaraan niet daadwerkelijk bijgedragen. De arbiter heeft de partijautonomie gebroken, omdat de rechter pas overgaat tot het geven van een voorlopig oordeel indien partijen dat wensen, aldus PFC.

De arbiter vraagt om afwijzing van het verzoek. Hij is niet vooringenomen en hij heeft evenmin de schijn daartoe gewekt. Tijdens de mondelinge behandeling hebben

beide partijen hun standpunt toegelicht, daarop over en weer gereageerd en heeft hij vragen gesteld. Hij heeft besproken hoe het bezoek aan de woningen (descente) vervolgens zou plaatsvinden en of men daarna nog in het hotel zou terugkomen. In het procesdossier bevonden zich filmpjes over de lekkages terwijl PFC bij de mondelinge behandeling een model van de dakconstructie heeft getoond. De arbiter heeft voor de descente gezegd dat hij bereid was een voorlopig oordeel te geven als partijen daarmee instemden. Partijen stonden daar positief tegenover, aldus de arbiter. Tijdens de descente heeft de arbiter gevraagd of er behoefte was om terug te gaan naar het hotel, waar hij mogelijk extra vragen zou stellen en een voorlopig oordeel zou kunnen geven. Daarop is opnieuw positief gereageerd. Hij heeft toen gezegd een tip van de sluier op te lichten zodat partijen daarover alvast konden nadenken tijdens hun terugkeer naar het hotel. De arbiter heeft vervolgens medegedeeld dat de aannemer zou moeten onderzoeken hoe het herstel zou moeten worden uitgevoerd. Dit hield volgens de arbiter niet een oordeel in over de eisen waaraan dat onderzoek moest voldoen en wie in welke mate de kosten van het onderzoek zou moeten dragen. Evenmin hield dit een oordeel in over de vraag of en hoe de dakconstructie moest worden aangepast, binnen welke termijnen herstel moet plaatsvinden en over dwangsommen. Terug in het hotel heeft de arbiter gezegd dat hij geen vragen meer had en dat hij een voorlopig oordeel wilde geven. Dat vond hij wenselijk omdat het een spoedgeschil betreft en met een schikking verdere schade kan worden beperkt en onnodige proceskosten kunnen worden voorkomen. Partijen hadden namelijk al erkend dat er lekkages zijn, dat de dakconstructie/folie niet goed is en dat onderzoek naar de vervolgschade noodzakelijk is. De arbiter heeft gezegd dat hij niet in discussie wilde gaan over het voorlopig oordeel. Vervolgens heeft de arbiter als zijn voorlopig oordeel uitgesproken dat hij de aannemer aansprakelijk acht en dat - om discussie over het voorlopig oordeel te voorkomen - de motivering uit het vonnis zou volgen. Na een schorsing bleek dat partijen niet tot een schikking kwamen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Uit artikel 1033 Rv volgt dat een arbiter kan worden gewraakt als er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid of onafhankelijkheid van een arbiter in de zin van dat artikel dient uitgangspunt te zijn dat een arbiter kan worden gewraakt indien er objectief gerechtvaardigde twijfel bestaat aan zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol.

De voorzieningenrechter stelt verder voorop dat het wrakingsverzoek moet worden beoordeeld op basis van de wrakingsgronden zoals kenbaar gemaakt in de e-mail van PFC van 18 november 2025 (artikel 1035 Rv).

Bij de mondelinge behandeling op 27 januari 2026 heeft PFC toegelicht dat zij niet twijfelt aan de onafhankelijkheid van de arbiter. Het gaat dus uitsluitend om de vraag of er objectief gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid van de arbiter. De wrakingsgronden zien op het moment waarop de arbiter zijn voorlopig oordeel kenbaar heeft gemaakt en op de woorden die hij daarbij (verder) heeft gebruikt.

De omstandigheid dat de arbiter een voorlopig oordeel gaf voordat de mondelinge behandeling was “afgerond”, waarmee PFC blijkens haar toelichting aan de voorzieningenrechter bedoelt: “gesloten”, rechtvaardigt niet de schijn van partijdigheid. PFC heeft bij de voorzieningenrechter verklaard dat het klopt dat partijen vóór de descente in twee termijnen het woord hebben gevoerd. Vaststaat ook dat partijen toen vragen van de arbiter hebben beantwoord en dat zij bij de daaropvolgende descente aanwezig zijn geweest. PFC heeft niet weersproken dat het in de woningen getoonde beeldmateriaal zich al in het dossier bevond. Zelfs in het geval het in de derde woning gegeven “tipje van de sluier” een voorlopig oordeel inhoudt, heeft de arbiter ruimschoots hoor en wederhoor toegepast voordat hij, aan het eind van de descente en daarna in het hotel, zijn voorlopig oordeel gaf. Dat de arbiter, eenmaal terug in het hotel, tot de conclusie kwam dat hij geen vragen meer had, duidt niet op partijdigheid. De voorzieningenrechter ziet hier niet meer in dat dat de arbiter op dat moment geen vragen meer had.

PFC en de arbiter bewaren elk een andere herinnering aan wat de arbiter heeft gezegd voordat hij zijn voorlopig oordeel gaf. Volgens de arbiter heeft hij (meerdere keren) gevraagd of partijen een voorlopig oordeel wilden en is daarop (steeds) bevestigend geantwoord, ook voor de descente. Volgens PFC heeft de arbiter in ieder geval op één moment gevraagd of er bezwaar bestond tegen het geven van een voorlopig oordeel en heeft mr. Koeslag daartegen toen geen bezwaar gemaakt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de exacte toedracht op dit punt in het midden blijven. Ook in het geval wordt uitgegaan van de herinnering van PFC, was er gelegenheid bezwaar te maken tegen het geven van een voorlopig oordeel, heeft PFC daarvan geen gebruik gemaakt en kan zij daardoor dus niet zijn overvallen. Deze gang van zaken geeft in elk geval geen blijk van vooringenomenheid.

Blijft over de vraag wat de arbiter heeft gezegd tijdens het geven van zijn voorlopig oordeel. Volgens PFC heeft de arbiter zijn voorlopig oordeel afgesloten met de woorden “en dat is ook mijn eindoordeel”. Daar staat tegenover de verklaring van de arbiter dat hij alleen een voorlopig, richtinggevend, oordeel heeft gegeven en dat hij zich niet herkent in de weergave door PFC. Er was ook een aantal andere eisen, waarover hij toen geen oordeel gaf, aldus de arbiter.

Nu niet komt vast te staan dat de arbiter heeft gezegd “en dat is ook mijn eindoordeel”, kan deze grond niet leiden tot gegrondverklaring van de wraking. Mogelijk had de arbiter ter voorkoming van misverstanden zich vollediger kunnen uitdrukken toen hij - naar zijn zeggen - na het mededelen van het voorlopig oordeel zei dat de motivering uit het vonnis zou volgen. Hij had daaraan kunnen toevoegen dat het oordeel na overleg in raadkamer kon wijzigen, maar dit noopt niet tot de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid of de schijn daarvan. De arbiter is namelijk duidelijk geweest door te spreken van een voorlopig oordeel.

De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat de vrees voor partijdigheid niet objectief gerechtvaardigd is. Dit betekent dat het verzoek om de wraking gegrond te verklaren, zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzochte af.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl TVA 2026/35
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand