RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11696080 \ CV EXPL 25-2172
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
STICHTING PENSIOENFONDS ABP,
te Heerlen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Stichting Pensioenfonds ABP,
gemachtigde: mr. E. Lutjens.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident d.d. 16 juli 2025
- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek- de akte van [eiser] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
ABP is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet. [eiser] is sinds 1 april 2024 deelnemer bij ABP.
[eiser] , geboren op [datum] 1962, heeft, voordat hij deelnemer werd bij ABP, vanuit eerdere dienstbetrekkingen pensioen opgebouwd bij Aegon.
[eiser] heeft in mei 2024 aan ABP het verzoek gedaan tot het verstrekken van een opgave van zijn bij Aegon opgebouwde pensioenaanspraken / pensioenkapitaal (als bedoeld in artikel 71 lid 3 Pensioenwet). ABP heeft vervolgens op 14 mei 2024 aan Aegon (de overdragende uitvoerder) gevraagd om een opgave per de overdrachtsdatum van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens (artikel 18 lid 1 Besluit uitvoering Pensioenwet).
[eiser] had bij Aegon pensioen opgebouwd in twee verschillende soorten pensioenregelingen: een pensioenregeling met het karakter van een premieregeling (met [polisnummer 1] ) en een pensioenregeling met het karakter van een uitkeringsovereenkomst (met [polisnummer 2] ).
ABP heeft naar aanleiding van de door Aegon ontvangen gegevens aan [eiser] twee offertes uitgebracht.
In de offerte d.d. 13 augustus 2024, geldig tot 11 oktober 2024, met betrekking tot de overdracht van het premieregeling-pensioen staat onder andere:
“Dit “oude” pensioen levert u bij ABP het volgende op:
ABP KeuzePensioen vanaf AOW leeftijd € 20.770,15
ABP Nabestaandenpensioen bij overlijden voor 65e € 15.264,15
ABP Nabestaandenpensioen bij overlijden na 65e € 15.264,15
Bij de omrekening zijn wij uitgegaan van:
Uw geboortedatum: [datum] 1962
De overdrachtswaarde van uw oude pensioen: € 291.188,32”
Onder “extra informatie” staat onder andere en voor zover van belang:
Maakt uw vorige pensioenuitvoerder een ander bedrag aan ons over?
Dan berekenen wij uw pensioen bij ABP opnieuw. U krijgt dan een nieuwe berekening.
In de offerte d.d. 23 juli 2024, geldig tot 20 september 2024, met betrekking tot de overdracht van het uitkeringsregeling-pensioen staat onder andere:
“Dit “oude” pensioen levert u bij ABP het volgende op:
ABP KeuzePensioen vanaf AOW leeftijd € 15.348,08
ABP Nabestaandenpensioen bij overlijden voor 65e € 11.297,43
ABP Nabestaandenpensioen bij overlijden na 65e € 11.297,43
Bij de omrekening zijn wij uitgegaan van:
Uw geboortedatum: [datum] 1962
De overdrachtswaarde van uw oude pensioen: € 214.156,02”
Ook hier staat onder “extra informatie” onder andere en voor zover van belang:
Maakt uw vorige pensioenuitvoerder een ander bedrag aan ons over?
Dan berekenen wij uw pensioen bij ABP opnieuw. U krijgt dan een nieuwe berekening.
Aanvankelijk wilde [eiser] alleen akkoord gaan met de waardeoverdracht van de opgebouwde aanspraken in de uitkeringsovereenkomst en heeft hij daarom alleen die offerte ondertekend. Nadat Aegon aan [eiser] heeft laten weten dat het niet mogelijk is om alleen de waarde van één pensioenregeling (in dit geval de uitkeringsovereenkomst)
over te dragen, heeft [eiser] op 4 oktober 2024 aan ABP per e-mail bericht dat hij ook het opgebouwde pensioenkapitaal in de premieregeling wilde overdragen. In deze e-mail staat dat de goedkeuring voor de waardeoverdracht van het premiedeel is bijgevoegd en tevens per post is verzonden.
Op 7 oktober 2024 heeft ABP aan [eiser] een nieuwe offerte gestuurd, omdat [eiser] volgens ABP eerder een keuzeformulier zou hebben gestuurd waarin stond dat hij niet akkoord was gegaan. Deze offerte is gelijkluidend aan de offerte van 13 augustus 2024, zoals vermeld onder 2.5.1.
Op 14 oktober 2024 is [eiser] door het insturen van het toestemmingsformulier akkoord gegaan met de waardeoverdracht. Dit is door ABP bij brief van 16 oktober 2024 bevestigd. In deze brief staat:
“Wij vroegen uw vorige pensioenuitvoerder Aegon Levensverzekering N.V. om € 291.188,32 onder [polisnummer 1] aan ons over te maken. Dit is de overdrachtswaarde van uw pensioen.”
Op verzoek van [eiser] heeft ABP op 28 oktober 2024 aan Aegon verzocht welk bedrag zij zullen gaan overmaken. Op basis van het antwoord van Aegon heeft ABP op 26 november 2024 een nieuwe offerte aan [eiser] gestuurd, met een begeleidende brief.
In deze brief staat:
“Onlangs nam u contact met ons op. U geeft aan dat de opgave die wij van Aegon Levensverzekeringen NV ontvingen voor uw waardeoverdracht achterhaald is. In deze mail leest u hier meer over.
(…)
Op basis van deze nieuwe opgave hebben wij een nieuwe offerte opgesteld, deze vindt u bijgevoegd bij deze e-mail. De rekendatum van deze offerte is 18 november 2024.
Geen nieuwe offerte voor de tweede polis
Zoals Aegon in hun e-mail aangeeft is de tweede polis geen beleggingspolis. Dit gaat over een zogenaamde uitkeringsovereenkomst. De waarde van deze polis is niet direct afhankelijk van beleggingen en de overdrachtswaarde wordt niet hoger of lager tussen het moment van berekenen en het moment van overmaken van de overdrachtswaarde.
(…)”
In de bijgevoegde offerte staat:
“Dit “oude” pensioen levert u bij ABP het volgende op:
ABP KeuzePensioen vanaf AOW leeftijd € 21.644,68
ABP Nabestaandenpensioen bij overlijden voor 65e € 15.906,85
ABP Nabestaandenpensioen bij overlijden na 65e € 15.906,85
Bij de omrekening zijn wij uitgegaan van:
Uw geboortedatum: [datum] 1962
De overdrachtswaarde van uw oude pensioen: € 306.318,06”
Onder “extra informatie” staat wederom onder andere en voor zover van belang:
Maakt uw vorige pensioenuitvoerder een ander bedrag aan ons over?
Dan berekenen wij uw pensioen bij ABP opnieuw. U krijgt dan een nieuwe berekening.
Op 1 december 2024 heeft [eiser] een nieuwe akkoordverklaring gestuurd naar ABP, verwijzend naar de offerte van 29 november 2024 (de kantonrechter begrijpt: 26 november 2024). Hij heeft in deze e-mail tevens geschreven:
“(…)
Na overdracht van de waarde van het Aegon beleggingspensioen ontvang ik graag een duidelijke specificatie van de waarde berekening, waarbij in ieder geval wordt vermeld:
De datum waarop de beleggingen door Aegon zijn verkocht. Zie tevens bijgaande e-mail van Aegon d.d. 24 oktober jl. hieromtrent;
Het aantal beleggingseenheden
De koers van het Aegon Equity fonds
Het bij ABP aangekochte pensioen.”
Op 2 december 2024 heeft ABP aan [eiser] per brief het volgende geschreven:
“Wij ontvingen het door u ingevulde Keuze- en toestemmingsformulier voor waardeoverdracht. Hartelijk dank hiervoor. In deze brief leest u wat dit voor u betekent.
U hoeft niets meer te doen
Wij vroegen uw vorige pensioenuitvoerde Aegon Levensverzekering N.V. om € 306.318,06 (…) aan ons over te maken. Dit is de overdrachtswaarde van uw pensioen.
(…)”
Op 9 december 2024 heeft ABP aan [eiser] het volgende bericht:
“Wij vroegen uw vorige pensioenuitvoerder om de overdrachtswaarde van uw pensioen met [polisnummer 1] aan ons over te maken. Dat las u in onze vorige brief. Wij ontvingen inmiddels de overdrachtswaarde. Hierover gaat deze brief.
Wij ontvingen een ander bedrag dan in de eerdere opgave stond
Dat komt omdat u bij uw vorige pensioenuitvoerder een beleggingspolis had. De waarde van een beleggingspolis wordt bij de betaling opnieuw vastgesteld.
Daarom hebben wij uw pensioen bij ABP opnieuw berekend
De waardeoverdracht levert u bij ABP het volgende op:
ABP KeuzePensioen vanaf AOW leeftijd € 21.037,76
ABP Nabestaandenpensioen bij overlijden voor 65e € 15.460,82
ABP Nabestaandenpensioen bij overlijden na 65e € 15.460,82
(…)”
Op 10 december 2024 heeft [eiser] per e-mail aan ABP bericht dat de opgave van 9 december 2024 niet strookt met hetgeen is overeengekomen. Hij verzoekt deze opgave ten minste te corrigeren naar de eerder door ABP gecommuniceerde pensioentoezegging d.d. 26 november 2024. [eiser] wijst erop dat de koersen van Aegon Equity fonds waarin werd belegd in de periode november/december 2024 alleen maar zijn gestegen. Ook wijst hij op artikel 71 lid 5 van de pensioenwet waarin staat dat het verboden is om bij waardeoverdracht kosten in rekening te brengen.
In een e-mailbericht van 17 december 2024 heeft ABP erop gewezen dat in de offerte staat dat als de pensioenuitvoerder een ander bedrag overmaakt, het pensioen bij ABP opnieuw wordt berekend en dat Aegon een lager bedrag heeft overgemaakt dan in de offerte was vermeld.
Volgens ABP heeft zij van Aegon de volgende waardes ontvangen:
Op 28 november 2024 een bedrag van € 293.545,78 voor [polisnummer 1]
Op 3 december 2024 een bedrag van € 214.156,02 voor [polisnummer 2]
Per e-mail van 17 december 2024 heeft [eiser] opnieuw ABP gesommeerd om zijn pensioenaanspraken te corrigeren op basis van tenminste een overdrachtswaarde van € 306.318,06.
Partijen hebben vervolgens over en weer e-mails gestuurd over de vraag of ABP de pensioenaanspraken van [eiser] juist heeft berekend.
Op 9 januari 2025 heeft ABP schriftelijk gereageerd op een door [eiser] op 18 december 2024 ingediende klacht.
In deze brief staat onder meer het volgende:
“Hoe is waardeoverdracht gegaan?
• 14 mei 2024: U dient een verzoek tot waardeoverdracht in van Aegon naar ABP.
• 16 juli 2024: ABP ontvangt de opgave van Aegon van [polisnummer 2]
• 23 juli 2024: ABP stuurt u de offerte van bovenstaand polisnummer
• 1 augustus 2024: ABP ontvangt de opgave van polisnummer: [polisnummer 1]
• 13 augustus 2024: ABP stuurt u de offerte van bovengenoemd polisnummer.
• 26 september 2024: ABP ontvangt beide keuzeformulieren. U gaat akkoord met de
waardeoverdracht van polisnummer: [polisnummer 2] . U gaat niet akkoord met de
waardeoverdracht van [polisnummer 1] .
• 27 september 2024: ABP stuurt Aegon een betaalverzoek voor de waardeoverdracht van
[polisnummer 2] en laat Aegon weten dat u afziet van de
waardeoverdracht van [polisnummer 1] .
• 3 oktober 2024: U ontvangt telefonisch uitleg over het feit dat de waardeoverdracht van
polisnummer [polisnummer 2] nog lopende is.
• 7 oktober 2024: Op uw verzoek ontvangt u een nieuwe offerte van polisnummer
[polisnummer 1] . U wil alsnog akkoord gaan met de waardeoverdracht van dit
polisnummer, omdat Aegon niet kan meewerken aan de waardeoverdracht van slechts één
polis.
• 16 oktober 2024: ABP ontvangt het keuzeformulier voor bovenstaande waardeoverdracht
• 16 oktober 2024: ABP stuurt Aegon het betaalverzoek voor polisnummer:
[polisnummer 1]
• 19 november 2024: U neemt contact op met ABP over de stand van zaken met betrekking tot
beide waardeoverdrachten van Aegon naar ABP. U wil graag weten wat de huidige
beleggingswaarde is bij Aegon. ABP neemt hierover, op uw verzoek, contact op met Aegon.
• 26 november 2024: ABP ontvangt van Aegon een herziene opgave met betrekking tot
[polisnummer 1] .
• 26 november 2024: ABP stuurt u een nieuwe offerte aan de hand van de herziene opgave
• 2 december 2024: ABP ontvangt het keuzeformulier van bovenstaande offerte
• 2 december 2024: ABP stuurt Aegon het betaalverzoek voor polisnummer
[polisnummer 1] .
• 9 december 2024: ABP stuurt u de bevestiging dat de waardeoverdrachten zijn verwerkt
• 10 december 2024: U neemt via e-mail contact op over de betalingen van Aegon aan ABP. U
geeft aan dat u denkt dat ABP u een te laag bedrag aan pensioenaanspraken heeft
toegekend.
• 17 december 2024: ABP bevestigt per e-mail dat de waardeoverdrachten correct zijn
verwerkt.
• 18 december 2024: U uit uw ongenoegen over de afronding van de waardeoverdrachten. U
geeft aan dat in de offerte een ander bedrag staat vermeld dan het bedrag dat u uiteindelijk
aan pensioenaanspraken erbij gekregen heeft. U verzoekt ons dit te corrigeren.
• 30 december 2024: U stuurt per e-mail aanvullende informatie over beide
waardeoverdrachten. U geeft wederom aan dat u bedrag aan pensioenaanspraken te laag is.
U verzoekt ons wederom dit te corrigeren.
ABP heeft uw de correcte bedragen toegekend
ABP heeft de door Aegon betaalde bedragen verwerkt. Voor [polisnummer 2] is
dit bedrag gelijk aan het bedrag in de offerte. Voor [polisnummer 1] is dit bedrag
zoals u zelf al schrijft, lager dan het bedrag in de offerte. Dit komt, omdat de waarde bij een
beleggingspolis rechtstreeks afhankelijk is van de waarde van de beleggingen. Daarom staat in de
offerte vermeld dat het uiteindelijke bedrag kan afwijken. ABP berekent de waardeoverdracht dan
opnieuw. U bent akkoord gegaan met de offerte waar deze clausule in vermeld staat.
ABP kan niet controleren hoe de waarde bij Aegon tot stand is gekomen.
U schrijft dat de waarde van uw polissen bij Aegon is gestegen. Voor ABP is dit niet relevant. ABP
heeft geen zicht op de waarde van beleggingen bij Aegon. ABP berekent uw aanspraken aan de hand
van het door Aegon betaalde bedrag.
Het verschil in bedragen komt door de wettelijke rente
De verschillen die u benoemt in uw e-mail van 30 december 2024 komen door de rentevergoeding.
Deze rentevergoeding, officieel het U-rendement genoemd, is bedoeld als vergoeding tussen de
overdragende en ontvangende pensioenuitvoerder. Deze rentevergoeding wordt door het
overdragende pensioenfonds toegevoegd aan de overdrachtswaarde van het door u opgebouwd
pensioen bij Aegon.
Zoals in artikel 23 lid 4 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling beschreven is de rente onderdeel van het aan ABP betaalde bedrag.
“De overdragende uitvoerder is rente verschuldigd aan de ontvangende uitvoerder over de
overdrachtswaarde over de periode tussen de overdrachtsdatum en de datum waarop de
overdrachtswaarde wordt betaald, tenzij het de waardeoverdracht betreft van een
premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een andere
premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd. Bij overdracht van een
premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een kapitaal- of
uitkeringsovereenkomst of een kapitaal- of uitkeringsregeling wordt de rente geacht in de
overdrachtswaarde begrepen te zijn. Onze Minister stelt regels over de berekening van de rente.”
De aanvraagdatum is de overdrachtsdatum
De wettelijke rente gaat over de periode tussen de overdrachtsdatum en de betaaldatum. De
overdrachtsdatum is de oorspronkelijke aanvraagdatum. Zoals beschreven in artikel 1 van het Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling staat beschreven:
“overdrachtsdatum: datum waarop de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn
pensioenaanspraken aan de ontvangende uitvoerder”,
U heeft op 14 mei 2024 het verzoek ingediend. Zoals in bovenstaand artikel beschreven, is dit de
datum waar op uw pensioenaanspraken van Aegon overgedragen worden naar ABP.
Beslissing op uw klacht
We verklaren uw klacht over de waardeoverdracht ongegrond. ABP heeft hier gehandeld volgens
wettelijke voorschriften. Voor zover uw klacht betrekking heeft op Aegon merken we op dat u zich
hiervoor tot Aegon dient te wenden. Hier staan wij buiten.
Wij herzien de pensioenbedragen niet
Wij hebben de omrekening van uw ‘oude’ pensioen naar het pensioen bij ABP berekend aan de hand
van de voor ons geldende wettelijke factoren en bepalingen die zijn vastgelegd in het
Pensioenreglement van ABP. Ook hebben wij alle communicatie op tijd verzonden. De bedragen zijn
dan ook correct tot stand gekomen en worden niet herzien.”
Bij brief van 4 februari 2025 heeft ABP aan [eiser] op diens verzoek nadere informatie gegeven over de bedragen die zij van Aegon heeft ontvangen.
Hierin staat het volgende overzicht opgenomen:
Aegon heeft op 26 november 2024 in een brief aan [eiser] bericht dat zij de overdrachtswaarde van € 297.728,81 van polis [polisnummer 1] uiterlijk 3 december 2024 naar ABP zal overmaken.
Aegon heeft op 19 december 2024 aan [eiser] bericht dat zij de volgende bedragen heeft overgemaakt:
Verder staat in deze brief:
“Berekening van de overdrachtswaarde
Voor uw pensioenkapitaal geldt de waarde van uw beleggingen op de datum dat wij de getekende akkoordverklaring van ABP hebben ontvangen. Dit is 26 november 2024. Uw pensioenkapitaal bedraagt op deze datum € 297.728,81. Wij sturen een overzicht mee van de waardeontwikkeling in de maand november 2024. Door afronding kan er een klein verschil ontstaan.
Wij verwijzen u naar onze e-mail van 24 oktober 2024 voor de berekening van de overdrachtswaarde van uw pensioenaanspraak. Het bedrag dat wij hebben overgemaakt naar ABP is inclusief een rentevergoeding van € 3.051,72.”
Op 23 juli 2025 (dus tijdens deze procedure) heeft Aegon een extra bedrag aan ABP overgemaakt. Nadat ABP daar in augustus 2025 vragen over had gesteld heeft Aegon per brief van 11 september 2025 aan ABP het volgende geschreven:
“(…)
Dit gaat over de premieovereenkomst met [polisnummer 1] . (…)
Nabetaling waardeoverdracht
Uit interne controle is gebleken dat de overgedragen overdrachtswaarde te laag is geweest. Dit hebben wij gecorrigeerd. De heer [eiser] heeft recht op een aanvullende overdrachtswaarde van € 8.695,02 (inclusief € 333,40 rente). Dit bedrag hebben wij op 23 juli 2025 aan u overgemaakt.”
ABP heeft vervolgens de pensioenaanspraken van [eiser] opnieuw berekend en per brief van 24 oktober 2025 aan hem meegedeeld:
3. Het geschil
[eiser] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat ABP onrechtmatig heeft gehandeld en tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en dat zij aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden pensioenschade;
ABP zal veroordelen tot het met terugwerkende kracht corrigeren van de pensioenaanspraken, zowel ten aanzien van het premiedeel als het verzekeringsdeel, inhoudende dat ABP:
a. De overdrachtswaarde voor het premiedeel in aanmerking neemt zoals opgenomen in de offerte van 26 november 2024, zijnde een bedrag van ten minste € 306.318,06;
b. De daaruit volgende pensioenaanspraken per 1 december 2024 conform de offerte van 26 november 2024 vaststelt op ten minste:
Een jaarlijks ouderdomspensioen van € 21.644,68
Een jaarlijks nabestaandenpensioen van € 15.906.85;
c. Het bedrag van € 3.051,72 – zijnde de ten onrechte ingehouden aanvullende rentevergoeding op het verzekeringsdeel – alsnog toevoegt aan het oorspronkelijk door Aegon aan ABP overgemaakte pensioenkapitaal;
d. Het bedrag van € 4.183,11 – zijnde de ten onrechte ingehouden aanvullende rentevergoeding op het premiedeel – alsnog toevoegt aan het oorspronkelijk door Aegon aan ABP overgemaakte pensioenkapitaal;
e. Een actuariële herberekening uitvoert van de pensioenaanspraken op basis van de juiste overdrachtswaarden, zonder inhoudingen en de pensioenaanspraken van [eiser] dienovereenkomstig herstelt;
f. De aldus aangepaste pensioenaanspraken met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2024 op juiste wijze in haar administratie verwerkt.
3. Subsidiair, indien correctie van de pensioenaanspraken niet mogelijk is, ABP te veroordelen tot een schadevergoeding van € 15.824,08.
4. ABP zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over bovengenoemde
bedragen vanaf datum verzuim tot de dag der algehele voldoening.
5. ABP zal veroordelen in de proceskosten.
ABP voert verweer. ABP concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[eiser] heeft aan zijn vordering meerdere stellingen ten grondslag gelegd. Samengevat stelt [eiser] dat:
a. ABP haar zorgplicht en informatieplicht als bedoeld in artikel 48 Pensioenwet
heeft geschonden, hetgeen onrechtmatig is jegens hem;
ABP in strijd heeft gehandeld met artikel 71 lid 5 en 6 Pensioenwet door
kosten in te houden op het door Aegon overgedragen pensioenkapitaal;
hij op grond van artikel 3:35 BW er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de
overdrachtswaarde uit de offerte van 26 november 2024 volledig aan zijn
pensioenaanspraak bij ABP zou worden toegevoegd;
sprake is van een tekortkoming in de nakoming doordat ABP de
waardeoverdracht niet correct heeft uitgevoerd.
De kantonrechter is van oordeel dat ondanks het uitgebreide procesdossier, er vragen onbeantwoord blijven en bepaalde stukken ontbreken. Daarom kan nu nog niet op alle vorderingen worden beslist. De kantonrechter zal hieronder (per door [eiser] gemaakt verwijt) uitleggen welke informatie nog gewenst is en waarom. Over enkele geschilpunten zal wel al een (voorlopig) oordeel worden gegeven.
De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen om de in dit vonnis genoemde vragen te bespreken en iedere beslissing aanhouden tot het te wijzen eindvonnis.
Schending zorgplicht en informatieplicht over de inhouding van het “U-rendement”
Het wettelijk kader
In artikel 48 Pensioenwet is in de leden 1 t/m 3 het volgende bepaald:
1. De informatie die de pensioenuitvoerder verstrekt of beschikbaar stelt is correct, duidelijk en evenwichtig. De informatie wordt tijdig verstrekt of beschikbaar gesteld.
2. De pensioenuitvoerder bevordert dat persoonlijke informatie aansluit bij de informatiebehoefte en kenmerken van de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde.
3. De pensioenuitvoerder bevordert dat de informatie de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde inzicht geeft in de keuzemogelijkheden die er zijn in de pensioenregeling, de gevolgen van belangrijke gebeurtenissen voor het pensioen en de gevolgen van een keuze of combinatie van keuzes voor het pensioen.
Het standpunt van [eiser]
[eiser] is van mening dat ABP zowel haar informatie- als zorgplicht heeft verzaakt. Hij stelt daartoe het volgende:
ABP heeft hogere bedragen van Aegon ontvangen dan zij heeft gecommuniceerd aan [eiser] ,
ABP heeft ten onrechte gesteld dat de door haar ingehouden bedragen door Aegon waren toegevoegd aan het pensioenkapitaal, terwijl in werkelijkheid ABP zelf bedragen heeft ingehouden op het door Aegon overgemaakte pensioenkapitaal,
ABP stelt dat de datum van de waardeoverdracht moet worden vastgesteld op 14 mei 2024, terwijl dat niet juist is, omdat ABP zelf de waardeoverdracht op 27 september 2024 had beëindigd,
ABP heeft in geen enkele offerte melding gemaakt van een inhouding van een U-rendement,
Ook voorafgaande aan de daadwerkelijke waardeoverdracht heeft ABP [eiser] op geen enkel moment geïnformeerd over mogelijke inhoudingen die ten kosten zouden gaan van zijn pensioenaanspraken,
ABP heeft [eiser] pas na uitvoering van de waardeoverdracht geconfronteerd met de verlaging van zijn pensioenaanspraken.
Het standpunt van ABP
ABP heeft aangevoerd dat [eiser] bij Aegon twee verschillende soorten pensioenregelingen had, een met het karakter van een premieregeling en een met het karakter van een uitkeringsovereenkomst.
ABP heeft uitgelegd dat een pensioenregeling met het karakter van een premieregeling inhoudt dat er maandelijks premie wordt betaald, die vervolgens wordt belegd. Op de pensioendatum kan aan de hand van het opgebouwde pensioenkapitaal een levenslange (ouderdoms)pensioenuitkering worden aangekocht. De uiteindelijke waarde van het pensioenkapitaal kan door positieve en/of negatieve beleggingsresultaten van dag tot dag variëren.
Bij een pensioenregeling met het karakter van een uitkeringsovereenkomst hangt het pensioen af van het salaris en het aantal dienstjaren dat de deelnemer heeft gewerkt. Aan de hand van een opbouwpercentage wordt berekend hoeveel een werknemer per jaar aan
pensioen opbouwt. Omdat de uitkering vast staat, komen tegenvallende beleggingsresultaten niet voor rekening of risico van de deelnemer, maar voor de werkgever of pensioenuitvoerder.
ABP heeft gewezen op de toepasselijke artikelen in Hoofdstuk 6 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: Besluit). Uit deze artikelen blijkt o.a. dat de ontvangende uitvoerder ABP binnen één maand nadat de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 71 lid 3 Pensioenwet, aan de overdragende uitvoerder (Aegon) een opgave opvraagt per de overdrachtsdatum van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens. In het tweede lid van artikel 18 Besluit staat dat als de overdragende uitvoerder een premieovereenkomst of premieregeling uitvoert waarbij de premie wordt belegd de opgave geldt als een voorlopige opgave.
De overdragende uitvoerder verstrekt de (voorlopige) opgave vervolgens binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ontvangende uitvoerder (ABP) verstrekt deze (voorlopige) opgave vervolgens binnen twee maanden na ontvangst aan de deelnemer onder vermelding van de aanspraken die zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, zullen worden behandeld.
Als de deelnemer vervolgens besluit tot de waardeoverdracht, dient hij binnen twee maanden na ontvangst van de (voorlopige) opgave een verzoek in tot waardeoverdracht bij de ontvangende uitvoerder (ABP).
Vervolgens stelt de ontvangende uitvoerder (ABP) de overdragende uitvoerder (Aegon) ter stond in kennis van de ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht.
Het risico dat betrekking heeft op de over te dragen aanspraken, komt met ingang van de datum van het verzoek van de rechthebbende, bedoeld in artikel 21, eerste lid Besluit, voor rekening van de ontvangende uitvoerder.
De overdrachtswaarde wordt binnen vijftien werkdagen na ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht door de overdragende uitvoerder aan de ontvangende uitvoerder betaald.
Volgens ABP heeft zij aan haar verplichtingen voldaan door aan [eiser] de
opgave (van de uitkeringsregeling) én de voorlopige opgave (van de premieregeling) te verstrekken met de vermelding van de aanspraken die zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de aanspraken in de pensioenregeling worden behandeld. Zij heeft verwezen naar de offertes die zij heeft overgelegd als productie 2 en 3 bij conclusie van antwoord, hiervoor weergeven onder 2.5.1 en 2.52. Volgens ABP heeft zij in de offerte van de overdrachtswaarde erop gewezen dat deze opgave
slechts een voorlopige is. ABP heeft gewezen op de bij de offerte gevoegde pagina met ‘Extra informatie’ waaronder staat: “Maakt uw vorige pensioenuitvoerder een ander bedrag aan ons over? Dan berekenen wij uw pensioen bij ABP opnieuw. U krijgt dan een nieuwe berekening.”
Volgens ABP geldt dit laatste uitsluitend voor de premieovereenkomst, aangezien de hoogte van het pensioen daarbij afhankelijk is van de actuele waarde van de onderliggende beleggingen, die van dag tot dag kan fluctueren. Voor uitkeringsovereenkomsten geldt dit niet. De opgave van de opgebouwde pensioenaanspraken in een uitkeringsovereenkomst staan vast omdat hier een standaardtarief voor geldt (artikel 25 lid 4 Besluit jo. artikel 20 Regeling Pensioenwet). Deze overdrachtswaarde verandert niet op de betaaldatum.
Volgens ABP heeft zij, nadat [eiser] de tweede offerte van 7 oktober 2024 (zie onder 2.7.) op 14 oktober 2024 had geaccepteerd, op 16 oktober 2024 een verzoek aan Aegon gedaan om de overdrachtswaarde te betalen.
Wat betreft de informatievoorziening over de van Aegon ontvangen overdrachtswaarde heeft ABP aangevoerd dat zij [eiser] op 17 december 2024 heeft gemeld dat de overdrachtswaarde van zijn pensioenaanspraak in de premieregeling € 293.545,78 bedroeg en dat dit exact het bedrag is dat ABP op 4 februari 2025 opnieuw heeft bevestigd. Volgens ABP is het verschil tussen het door haar van Aegon ontvangen bedrag van € 297.718,81 verklaarbaar door het zogeheten U-rendement, wat een rentevergoeding betreft die de overdragende pensioenuitvoerder aan de ontvangende pensioenuitvoerder verschuldigd is op grond van artikel 23 lid 4 van het Besluit. Dit is een interne verrekening tussen pensioenuitvoerders en vormt geen onderdeel van de informatie die aan de deelnemer hoeft te worden verstrekt.
Vragen naar aanleiding van het dossier
Gelet op het door ABP geschetste juridische kader over de wijze waarop de waardeoverdracht dient plaats te vinden – dat op zichzelf niet ter discussie staat - , roept de informatieverstrekking door ABP aan [eiser] en de gang van zaken met betrekking tot de waardeoverdracht (van met name het premiepensioen) bij de kantonrechte de volgende vragen op:
Als bij de uitkeringsovereenkomst de opgebouwde pensioenafspraken vast staan en dus niet kunnen fluctueren, waarom heeft ABP dan ook in de offerte met betrekking tot de overdracht van de uitkeringsovereenkomst dezelfde informatie gegeven als in de offerte met betrekking tot de premieovereenkomst?
Waarom heeft ABP in de informatieverstrekking aan [eiser] niet duidelijker uiteengezet wat het verschil was tussen de uitkeringsovereenkomst en de premieovereenkomst en welke verschillende gevolgen de waardeoverdracht van deze overeenkomsten hadden voor zijn pensioenaanspraken als hij zou besluiten tot waardeoverdracht naar ABP?
Waarom heeft ABP [eiser] niet op de hoogte gesteld van het feit dat zij al op 16 oktober 2024 een verzoek tot waardeoverdracht had gedaan aan Aegon en heeft zij (kennelijk naar aanleiding van een verzoek van [eiser] ) op 28 oktober 2024 opnieuw een opgave bij Aegon gevraagd én vervolgens op 26 november 2024 een nieuwe offerte uitgebracht? [eiser] had de offerte van 7 oktober 2024 toch al geaccepteerd?
Waarom heeft ABP, nadat [eiser] deze tweede offerte op 1 december 2024 had geaccepteerd, er niet op gewezen dat dit niet mogelijk was (omdat zij al een verzoek tot waardeoverdracht aan Aegon had gedaan), maar bericht zij [eiser] in plaats daarvan zoals geciteerd onder 2.11? Op dat moment had ABP de overdrachtswaarde immers zelfs al ontvangen van Aegon. Waarom heeft zij dat niet aan [eiser] meegedeeld?
Heeft het feit dat Aegon op 28 november 2024 “slechts” € 297.718,81 aan overdrachtswaarde overmaakte, terwijl Aegon zelf aan ABP had gecommuniceerd dat die waarde op 18 november 2024 € 306.318,06 bedroeg, bij ABP geen vragen opgeroepen? Had dat in het kader van haar zorgplicht niet gemoeten? Temeer nu [eiser] meteen op 10 december 2024 vraagtekens plaatste bij de hoogte van het overgemaakte bedrag én onderbouwde dat dit – gelet op de koersontwikkeling in de betreffende periode – niet kon kloppen? Behoort het niet tot de door ABP te betrachten zorgplicht om bij de overdragende pensioenuitvoerder na te vragen waar het significante – niet te verklaren – verschil in bedragen vandaan kwam?
Waarom vermeldt ABP in haar brief van 17 december 2024 (zie 2.14) dat zij een bedrag van € 293.545,78 had ontvangen van Aegon, terwijl dit in werkelijkheid € 297.718,81 was?
Waarom heeft ABP in de eerdere brieven en offertes aan [eiser] nooit eerder melding gemaakt van het zogenaamde U-rendement dat zij in mindering zou brengen op de van de Aegon te ontvangen overdrachtswaarde van de premieregeling?
Wat was het bedrag aan overdrachtswaarde dat Aegon aan ABP heeft opgegeven naar aanleiding van het verzoek ex artikel 18 van het Besluit, dat geleid heeft tot de offertes van 13 augustus en 7 oktober 2024? Was dat het in die offerte vermelde bedrag van € 291.188,32? Of heeft ABP daar ook een “U-rendement” vanaf getrokken alvorens de pensioenaanspraken te berekenen?
De kantonrechter begrijpt dat de premieregeling die [eiser] bij Aegon had, na overdracht aan ABP wordt belegd naar een uitkeringsovereenkomst. In artikel 23 lid 4 van het Besluit staat dat in een dergelijk geval de rente wordt geacht in de overdrachtswaarde begrepen te zijn. Dat ABP deze bepaling zo lijkt uit te leggen dat zij van die overdrachtswaarde een bedrag mag inhouden, en dus niet geheel hoeft aan te wenden ter verwerving van de pensioenaanspraken voor [eiser] , lijkt in strijd met artikel 71 lid 2 en 5 Pensioenwet. Uitgangspunt is immers dat de overdrachtswaarde geheel wordt aangewend voor de inkoop van pensioenaanspraken en dat daarop geen kosten in rekening mogen worden gebracht. Dit volgt eveneens uit het bepaalde in artikel 27 Besluit. ABP zal in de gelegenheid worden gesteld om uit te leggen waarom zij op deze overdrachtswaarde toch U-rendement in mindering meent te mogen brengen. De kantonrechter wijst erop dat ABP zelf in randnummer 15 dupliek stelt dat het U-rendement door de overdragende uitvoerder in aanvulling op de overdrachtswaarde wordt betaald. In dit geval is nergens uit gebleken dat er een aanvulling is betaald op de overdrachtswaarde. Aegon heeft een bedrag aan overdrachtswaarde van € 297.728,81 gecommuniceerd aan [eiser] en exact dit bedrag, zonder enige aanvulling, aan ABP overgemaakt.
Ook van de nabetaling van € 8.695,02 heeft ABP wederom een bedrag (aan U-rendement?) in mindering gebracht. Daarover gelden dezelfde vragen.
De kantonrechter draagt ABP op om een berekening te maken van de pensioenaanspraken van [eiser] als zij was uitgegaan van de bedragen aan overdrachtswaarde van € 297.718,81 en € 8.695,02 die zij van Aegon heeft ontvangen, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat ABP geen “U-rendement” van deze bedragen had mogen aftrekken.
Indien ABP wél een U-rendement in mindering zou mogen brengen, waarom is zij voor de berekening daarvan uitgegaan van de begindatum 14 mei 2024? In de brief van 9 januari 2024 verwijst ABP weliswaar naar artikel 1 Besluit, waar als definitie van de overdrachtsdatum staat:
“datum waarop de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken aan de ontvangende uitvoerder”, maar in diezelfde brief schrijft ABP ook dat zij op 27 september 2024 aan Aegon heeft bericht dat [eiser] afzag van de waardeoverdracht van de premieregeling. [eiser] is daarop later, op 4 oktober 2024 teruggekomen. Had ABP dat niet moeten opvatten als een nieuwe vraag om een opgave?
Hoeveel zou het bedrag aan U-rendement (met betrekking tot de premieregeling) zijn geweest als van de datum 4 oktober 2024 wordt uitgegaan?
ABP heeft op 23 juli 2025 een nabetaling van Aegon gekregen. Op 25 augustus 2025 heeft zij daarover (pas) navraag gedaan bij Aegon, die op 11 september heeft geantwoord dat de eerder overgemaakte overdrachtswaarde te laag is geweest. Op 17 september 2025 heeft [eiser] in zijn conclusie van repliek melding gemaakt van deze extra overboeking en gesteld dat hij hierover niet door ABP is geïnformeerd. Op 24 oktober 2025 heeft ABP aan [eiser] een brief gestuurd. Daarin staat dat zij een nabetaling van € 8.415,21 heeft ontvangen en wordt uitgelegd welke gevolgen dit heeft voor zijn pensioenaanspraken.- wat is de verklaring voor dit tijdsverloop?
- waarom noemt ABP wederom, zonder verdere uitleg - een lager ontvangen bedrag dan zij daadwerkelijk heeft ontvangen?- beschouwt ABP dit zelf als “tijdig, duidelijk en correct informeren” als bedoeld in artikel 48 Pensioenwet?
In randnummer 22 heeft ABP een berekening gegeven van het U-rendement, Zij heeft daarbij als grondslag vermeld € 293.545,78. Moest dat niet zijn € 291.188,32? Het bedrag dat Aegon had opgegeven en vermeld staat in de offerte van 13 augustus 2024?
Gelet op de vele vragen die de informatieverstrekking door ABP aan [eiser] oproept, is het voorlopig oordeel van de kantonrechter dat ABP in de informatieverstrekking tekort is geschoten. [eiser] heeft verzocht om voor recht te verklaren dat ABP – mede daardoor – onrechtmatig heeft gehandeld. De vraag die zich opdringt is welk belang [eiser] bij een dergelijke verklaring voor recht heeft. Zonder belang komt immers niemand een rechtsvordering toe. Dit staat in artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek. Uit de vorderingen volgt dat [eiser] ABP aansprakelijk stelt voor de door hem geleden pensioenschade. Nu Aegon inmiddels de nabetaling heeft gedaan, rijst de vraag of er nog pensioenschade is. Op de nog te houden mondelinge behandeling mag [eiser] zich hierover uitlaten.
Heeft ABP in strijd met artikel 71 Pensioenwet inhoudingen gedaan?
In artikel 71 Pensioenwet is de verplichting van de oude en de nieuwe pensioenuitvoerder vastgelegd om mee te werken aan een verzoek van een (gewezen) deelnemer tot waardeoverdracht, bij (o.a.) verandering van werkgever.
In lid 2 is bepaald dat de ontvangende pensioenuitvoerder verplicht is om na een verzoek tot waardeoverdracht van een deelnemer de overdrachtswaarde aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken voor die deelnemer.
In lid 5 van dit artikel is bepaald dat de overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerder in het kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening mogen brengen bij de gewezen deelnemer.
In artikel 1 Pensioenwet is de definitie gegeven van overdrachtswaarde: de ten behoeve van de waardeoverdracht vastgestelde waarde van de over te dragen pensioenaanspraken of pensioenrechten.
[eiser] stelt dat de inhoudingen van het U-rendement zoals die blijken uit het overzicht vermeld onder 2.18 van dit vonnis, met dit artikel in strijd zijn. Voor zover ABP stelt dat deze inhouding op grond van het bepaalde in artikel 23 lid 4 Besluit wel is toegestaan, heeft [eiser] betoogd dat dit artikel niet van toepassing is op de waardeoverdracht van premieregeling-pensioen.
Zoals de kantonrechter hiervoor reeds heeft overwogen, roept de inhouding van het U-rendement van de overdrachtswaarde van – met name – de premieregeling, veel vragen op. Die vragen zullen aan de orde komen op de nog te gelasten mondelinge behandeling, zodat de kantonrechter een oordeel over de rechtsgeldigheid van deze inhouding voor nu in het midden laat.
Wat betreft de bezwaren van [eiser] terzake “de inhouding” van het bedrag van € 3.051,40 van het door Aegon overgemaakte bedrag van de uitkeringsregeling, overweegt de kantonrechter dat genoegzaam is gebleken dat dit bedrag niet aan [eiser] toekomt en niet aan zijn pensioenaanspraken hoeft te worden toegevoegd. In de door [eiser] geaccepteerde offerte van 23 juli 2024 staat dat de overdrachtswaarde € 214.156,02 is. Vermeld is wat de jaarlijkse pensioenuitkering bij ABP zal zijn. In de brief van 26 november 2024 heeft ABP ook aan [eiser] uitgelegd dat hij géén nieuwe offerte krijgt voor de tweede (uitkeringsregeling)polis, omdat de overdrachtswaarde niet hoger of lager wordt tussen het moment van berekenen en het moment van overmaken.
Aegon heeft in haar brief van 19 december 2024 aan [eiser] bericht dat zij wat betreft de uitkeringsregeling een bedrag van € 217.207,74 heeft overgemaakt en dat “inclusief een rentevergoeding is van € 3.051,72”. Dit is hetzelfde bedrag dat door ABP als U-rendement is bestempeld in haar brief van 4 februari 2025.
De kantonrechter is van oordeel dat – hoewel de communicatie hierover niet altijd even helder is geweest - ABP in deze procedure voldoende duidelijk heeft uitgelegd dat het bedrag van € 3.051,72 aangemerkt moet worden als U-rendement als bedoeld in artikel 23 lid 4 Besluit, en dat dit dus niet toegevoegd hoeft te worden aan de pensioenaanspraken van [eiser] . Dit volgt uit het karakter van de uitkeringsregeling, waarbij de hoogte van
de uitkering vast staat en niet afhankelijk is van beleggingsresultaten. Voor zover de vordering van [eiser] erop gericht is dat dit bedrag aan zijn pensioenaanspraken moet worden toegevoegd, of dat ABP dit bedrag anderszins aan hem dient te vergoeden, zal die in het eindvonnis worden afgewezen.
Mocht [eiser] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de waardeoverdracht minstens gelijk zou zijn als het in de offerte van 26 november 2024 genoemde bedrag?
[eiser] stelt dat in de offerte van 26 november 2024 een bedrag aan overdrachtswaarde staat van € 306.318,06. Volgens [eiser] zijn de koersen van het Aegon Equity fonds in die periode alleen gestegen, zodat hij er op mocht vertrouwen dat dit minimaal het bedrag zou zijn dat door Aegon aan overdrachtswaarde zou worden overgemaakt.
Met ABP is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] aan de offerte van 26 november 2024 niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat er minstens een bedrag van € 306.318,06 aan zijn pensioenaanspraken zou worden toegevoegd. De kantonrechter acht voor dit oordeel de volgende omstandigheden van belang:
In de eerste plaats heeft ABP in de offertes expliciet vermeld dat indien de vorige pensioenuitvoerder een ander bedrag overmaakt, het pensioen opnieuw wordt berekend. Reeds daaruit volgt dat [eiser] de in de offerte genoemde bedragen geen harde rechten kon ontlenen.
In de tweede plaats had [eiser] al eerder een offerte geaccepteerd met betrekking tot de waardeoverdracht voor dezelfde premieregeling, en had hij bevestiging gekregen op 16 oktober 2024 dat ABP had verzocht om de overdrachtswaarde van € 291.188,32 over te maken. Dat [eiser] daarna om een nieuwe opgave heeft gevraagd en dat ABP – kennelijk per abuis – die opgave in de vorm van de offerte van 26 november 2024 aan [eiser] heeft verstuurd, had bij [eiser] vragen moeten oproepen. Gelet op de eerdere mededelingen die hij van ABP had ontvangen, mocht hij niet zomaar vertrouwen op het in deze offerte genoemde bedrag.
In de derde plaats heeft [eiser] bij repliek een brief van Aegon overgelegd d.d. 26 november 2024. Daarin schrijft Aegon aan hem dat zij een bedrag van € 297.728,81 aan overdrachtswaarde zal overmaken naar ABP. Deze brief heeft [eiser] ontvangen vóórdat hij “de offerte” van 26 november 2024 accepteerde.
[eiser] mocht er gelet op deze omstandigheden dan ook niet klakkeloos vanuit gaan dat de overdrachtswaarde € 306.318,06 zou zijn.
Overigens heeft [eiser] inmiddels wel van Aegon een nabetaling ontvangen. Daarmee komt het totale door Aegon overgemaakte bedrag aan overdrachtswaarde dicht in de buurt van het bedrag van € 306.318,06. Welke gevolgen deze nabetaling heeft voor de vorderingen van [eiser] , is eveneens een bespreekpunt voor de te houden mondelinge behandeling.
Heeft ABP wanprestatie gepleegd?
Volgens [eiser] heeft ABP, door het niet correct uitvoeren van de waardeoverdracht en de schending van de zorg- en informatieplicht, wanprestatie gepleegd, waardoor [eiser] pensioenschade heeft geleden. [eiser] vordert daarom herstel van zijn pensioenaanspraken vanaf 1 december 2024 conform de toezegging in de offerte van 26 november 2024.
Het antwoord op de vraag of ABP inderdaad wanprestatie heeft gepleegd is afhankelijk van de nog door partijen te verstrekken informatie en de uiteindelijke beslissing van de kantonrechter of ABP wel of niet het U-rendement mocht inhouden op de overdrachtswaarde uit de premieregeling.
Als dat antwoord ontkennend is, ligt nog de vraag voor wat dit betekent voor de door [eiser] gevorderde correctie op zijn pensioenaanspraken. Ook hierover kunnen partijen zich op de mondelinge behandeling nader uitlaten. Een deel van de hierboven opgesomde vragen heeft daar betrekking op. Ook op dit punt zal de kantonrechter iedere beslissing aanhouden.
De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen
Zoals hiervoor reeds is overwogen zal de kantonrechter een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden
De kantonrechter wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
Indien een partij wenst dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met bijvoorbeeld brieven of andere schriftelijke stukken, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden.
In het kader van de vaststelling van de feiten dient ABP dient ervoor te zorgen dat de kantonrechter en de andere partij(en) uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling de volgende stukken hebben ontvangen: de informatie zoals verzocht onder 4.12 onder k en m.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de gemachtigden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten en in te gaan op de onder 4.12, 4.13, 4.22 en 4.25 genoemde vragen. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van spreekaantekeningen.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kantonrechter
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. Bisscheroux, in het gerechtsgebouw te Maastricht, Sint Annadal 1, op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd,
bepaalt dat [eiser] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Stichting Pensioenfonds ABP dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 18 februari 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden april tot en met juni 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken,
bepaalt dat de in de overwegingen opgevraagde informatie uiterlijk tien dagen voor de dag van de mondelinge behandeling aan de kantonrechter en de wederpartij moet zijn toegestuurd,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.