ECLI:NL:RBMNE:2026:6107

ECLI:NL:RBMNE:2026:6107

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 13-07-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 16-239456-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Vrijspraak poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld wat zich op de in de tenlastegelegde datum precies heeft afgespeeld. Veroordeling voor bedreiging tot een gevangenisstraf van twee weken met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/239456-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 juli 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1976] in [geboorteplaats] (Algerije),

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 29 juni 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

Het strafbare feit (of feiten) waarvan een verdachte door de officier van justitie wordt beschuldigd staan in de ‘tenlastelegging’. Bij het beoordelen van die beschuldiging moet de rechter op grond van de wet een aantal vragen beantwoorden. De rechter doet dat op basis van die tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) en naar aanleiding van het onderzoek op de zitting.

De officier van justitie beschuldigt de verdachte er, na wijziging van de beschuldiging, samengevat van dat hij:

feit 1

op 10 september 2025 in Utrecht heeft geprobeerd opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, door met een mes een stekende beweging(en) te maken in de richting van de nek van die [slachtoffer 1] ;

Als de rechtbank dat niet bewezen verklaard, is de beschuldiging dat hij met diezelfde gedraging heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

feit 2

op 10 september 2025 in Utrecht [slachtoffer 2] en/of [getuige 1] heeft bedreigd door met een mes op [slachtoffer 2] af te rennen en/of stekende bewegingen te maken en/of met dat mes op [getuige 1] af te rennen.

De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven (poging tot doodslag) en de bedreiging (feit 1 primair en feit 2) heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de beschuldiging van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte een mes heeft vastgehad. De getuigenverklaringen zijn onvoldoende betrouwbaar, onduidelijk en onvoldoende gedetailleerd om daarop een bewezenverklaring te baseren. Daarnaast bevatten de getuigenverklaringen op essentiële punten onderlinge tegenstrijdigheden. Ook indien de rechtbank zou vaststellen dat de verdachte een voorwerp in handen heeft gehad, is dat onvoldoende om tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling te komen. Niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet had om iemand van het leven te beroven of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Het zou dan namelijk gaan om één beweging met een voorwerp, waarbij het slachtoffer niet is geraakt. Ook worden er verschillende verweren gevoerd over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.

Ten aanzien van de beschuldiging van de bedreiging is geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling (feit 1)

De rechtbank oordeelt dat de beschuldiging van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling (feit 1) niet bewezen kan worden en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.

Wat is er gebeurd?

Op grond van het procesdossier stelt de rechtbank vast dat er op 10 september 2025 in [plaats] een incident heeft plaatsgevonden tussen onder meer de verdachte en aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) in de wijk [wijk] in [plaats] . Naar aanleiding van dit incident heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan. Ook de verdachte heeft bij de politie een verklaring afgelegd. Daarnaast zitten er ook nog twee getuigenverklaringen in het dossier.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [slachtoffer 1] en de verklaringen van de getuigen over het incident op hoofdlijnen overeenkomen. Getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) verklaren dat er een man op [slachtoffer 1] en [getuige 1] kwam afrennen. [slachtoffer 1] en [getuige 1] verklaren beiden dat de man toen met zijn linkerarm [slachtoffer 1] bij zijn hoofd pakte. Volgens [slachtoffer 1] trok de man zijn hoofd opzij. [slachtoffer 1] en [getuige 1] verklaren ook beiden dat de man met zijn rechterarm vervolgens een beweging maakte richting de nek van [slachtoffer 1] .

De rechtbank constateert echter dat er essentiële verschillen zijn tussen de verklaringen die [slachtoffer 1] en de getuigen op verschillende momenten hebben afgelegd. Dat geldt in de eerste plaats voor de vraag wat voor voorwerp de verdachte bij zich zou hebben gehad. [slachtoffer 1] heeft direct na het incident verklaard dat de verdachte een zwart, puntig voorwerp in zijn hand vasthield. In een later verhoor heeft hij weliswaar verklaard dat het om een mes ging, maar bij de rechter-commissaris heeft hij vervolgens verklaard dat het veel te snel ging om te zien wat voor voorwerp het was. Hij verklaart wel zeker te weten dat het iets zwarts en puntigs was. Ook de verklaring van getuige [getuige 2] is op dit punt wisselend. Bij de politie verklaart hij dat de verdachte een zilverkleurig, langwerpig (vlees)mes in zijn hand had. Bij de rechter-commissaris verklaart hij echter dat hij niet gezien heeft dat het een mes was, maar enkel dat het een zilverkleurig voorwerp was van 8 à 9 centimeter lang. Tot slot is er de getuigenverklaring van [getuige 1] . Hij verklaart in eerste instantie over een zilverkleurig klein keukenmes. Later, bij de rechter-commissaris verklaart hij echter enkel dat hij het scherpe gedeelte heeft gezien en dat dit zilveren deel ongeveer zeven centimeter lang was.

Hiertegenover staat de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft vanaf het begin stellig ontkend dat hij een mes bij zich had. Hij heeft verklaard dat juist van het omgekeerde sprake zou zijn. De aangever en getuigen zouden hem al langere tijd treiteren en zouden hem die dag achterna hebben gezeten. Volgens de verdachte waren zij juist degene die wapens, waaronder scherpe voorwerpen, bij zich hadden. De verdachte zou vervolgens een tak hebben gepakt om zichzelf te kunnen verdedigen. Deze verklaring vindt in zoverre steun in het dossier, dat de politie ter plaatse de verdachte heeft aangetroffen met een stok in zijn handen. Na onderzoek door de politie is bovendien geen mes aangetroffen bij de verdachte.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van de aangever en de getuigen ook onderling uiteenlopen ten aanzien van de exacte handeling(en) of beweging(en) die de verdachte met het voorwerp zou hebben verricht.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld wat zich op 10 september 2025 precies heeft afgespeeld. Wat kan worden vastgesteld is dat de verdachte op enig moment een puntig voorwerp in zijn handen heeft gehad en dat hij met dit voorwerp een beweging heeft gemaakt richting de nek van aangever. Wat voor soort beweging dit precies is geweest en wat voor voorwerp het precies was is uit de zich in het dossier bevindende verklaringen onvoldoende duidelijk geworden. Dit alles maakt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling van poging tot doodslag (feit 1 primair) dan wel poging tot zware mishandeling (feit 1 subsidiair) te komen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken.

Nu de feitelijke gang van zaken onvoldoende kan worden vastgesteld, komt de rechtbank niet toe aan de vraag hoe het handelen van de verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden.

Bedreiging van [getuige 1] is bewezen

De rechtbank oordeelt dat de bedreiging van [getuige 1] is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverwegingen

Op grond van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, het bedreigen van [getuige 1] . De verdachte heeft op enig moment een puntig voorwerp vastgehad. Uit de aangifte en de getuigenverklaringen blijkt dat hij vervolgens plotseling met dat voorwerp dreigend op het slachtoffer is afgerend, terwijl hij zich in een smalle steeg bevond. Hierdoor kon, naar het oordeel van de rechtbank, bij het slachtoffer in redelijkheid de vrees ontstaan dat de verdachte hem met dit puntige voorwerp zou raken, hetgeen voldoende is om tot wettig en overtuigend bewijs voor de aan de verdachte tenlastegelegde bedreiging te komen.

Partiële vrijspraak voor het onderdeel ‘met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp op die [slachtoffer 2] af te rennen en/of stekende bewegingen te maken’

De rechtbank stelt voorop dat voor bewezenverklaring van een beschuldiging een bewijsminimum van twee wettige bewijsmiddelen geldt. De rechtbank heeft vastgesteld dat zich in het dossier met betrekking tot dit deel van de tenlastelegging alleen een getuigenverklaring van [slachtoffer 2] bevindt, maar dat deze niet (voldoende) wordt gesteund door één of meer andere bewijsmiddelen. Gelet hierop wordt niet aan het bewijsminimum voldaan.

Dit betekent dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ook [slachtoffer 2] heeft bedreigd. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 10 september 2025 te [plaats]

[getuige 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,

door met dat puntige voorwerp op die [getuige 1]

af te rennen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.

Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 450 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 301 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Kort gezegd een meldplicht bij de reclassering, meewerken aan ambulante behandeling, een contactverbod met de aangevers, een locatieverbod (zonder elektronische monitoring) en meewerken aan controles op het gebruik van verdovende middelen.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om, indien zij tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat verzocht om de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Daartoe heeft de advocaat aangevoerd dat ten tijde van de feiten ten minste sprake was van een beginnende psychose.

De advocaat heeft de rechtbank ook verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is inmiddels verhuisd, heeft ander werk gevonden en het gaat goed in de thuissituatie. Ook het contact met de hulpverlening verloopt volgens de advocaat goed.

Voor het geval de rechtbank een deels voorwaardelijke straf oplegt, heeft de advocaat verzocht de bijzondere voorwaarde van een klinische opname niet op te leggen. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1027) heeft de advocaat aangevoerd dat de beslissing of een kortdurende klinische opname noodzakelijk is en voor welke duur deze dient plaats te vinden, is voorbehouden aan de rechter en niet aan de reclassering. Tot slot heeft de advocaat opgemerkt dat de verdachte bereid is mee te werken aan de overige bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een puntig voorwerp. De verdachte is plotseling, met een puntig voorwerp, op het slachtoffer afgerend. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij nog probeerde aan de kant te gaan, maar dat dit door de smalle steeg en scooter achter hem niet lukte. Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding blijkt dat het slachtoffer nog last heeft van angstgevoelens, vooral wanneer hij in de avond over straat loopt. Het slachtoffer heeft hiervoor hulp gezocht bij slachtofferhulp en zijn huisarts. Het moet voor het slachtoffer beangstigend zijn geweest dat hij plotseling geconfronteerd werd met de verdachte die op hem afrende met een puntig voorwerp.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026. Hieruit volgt dat de verdachte de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Pro Justitia-rapport

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport met daarin het psychiatrisch onderzoek van 12 maart 2026, opgesteld door psychiater [A] (onder supervisie van psychiater [B] ) en het psychologisch onderzoek van 3 maart 2026, opgesteld door psycholoog [C] .

Uit het rapport van de psychiater blijkt onder meer dat sprake is van een schizoaffectieve stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Het is echter niet aantoonbaar dat er ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een psychotisch toestandsbeeld. De partner en ACT-behandelaar van de verdachte verklaren dat de verdachte in de dagen voor het tenlastegelegde wel gespannen en prikkelbaar was, maar zagen geen aanwijzingen voor een psychotische ontregeling. In het voorgeleidingsconsult op 12 september (2 dagen na het tenlastegelegde) werden ook geen aanwijzingen gezien voor actieve psychotische symptomen of gestoorde realiteitstoetsing. Omdat het niet aantoonbaar is dat er sprake was van een (manisch-) psychotisch toestandsbeeld ten tijde van het tenlastegelegde, is er geen gelijktijdigheid en daarmee ook geen pathologisch verband aantoonbaar. De psychiater onthoudt zich dan ook van een uitspraak over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Ook kan de psychiater geen onderbouwde uitspraak doen over het risico op recidive. Tot slot merkt de psychiater op dat de verdachte onder behandeling staat binnen de GGZ. Hij conformeert zich vrijwillig aan afspraken en is ingesteld op anti psychotische medicatie.

De psycholoog stelt in haar rapport vast dat sprake is van een schizoaffectieve stoornis en een matig ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. Daarnaast is sprake van een zeer laag intelligentieniveau in het actuele functioneren. Het is voor de psycholoog niet mogelijk

geweest om een delictscenario op te stellen vanwege de verdachte zijn ontkennende procespositie. Duidelijk is dat bij de verdachte sprake is van psychotische kwetsbaarheid, die tijdens het onderzoek niet tot nauwelijks aanwezig was. Uit de aanvullende informatie van [instelling 1] blijkt dat de verdachte in de weken voorafgaand aan het tenlastegelegde meerdere malen is beoordeeld. Daarbij werden wel signalen van onrust opgemerkt, maar werden geen duidelijke psychotische symptomen vastgesteld. De psycholoog kan geen gelijktijdigheids-verband vaststellen tussen de vastgestelde pathologie en het tenlastegelegde (indien bewezen). Ook is er geen zicht gekomen op eventuele doorwerking van de vastgestelde pathologie. Als gevolg daarvan kan de psycholoog vanuit gedragskundig oogpunt geen uitspraak doen over de mate van toerekening.

Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank stelt, gelet op de hiervoor weergegeven conclusies en adviezen van de deskundigen, vast dat het ten tijde van de tenlastegelegde feiten psychisch niet goed ging met de verdachte. Daarbij kent de rechtbank in het bijzonder betekenis toe aan de verklaring van de vrouw van de verdachte. De rechtbank is echter van oordeel, anders dan de verdediging, dat het dossier en de deskundigenrapportages onvoldoende aanknopingspunten bieden om te concluderen dat het feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank zal de hiervoor geschetste persoonlijke omstandigheden wel betrekken bij de bepaling van de op te leggen straf.

Reclasseringsadvies

Verder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van [instelling 2] van 23 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [D] . Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico op korte termijn inschat als laag. De verdachte staat sinds lange tijd onder behandeling en is therapietrouw. Hoewel dit het tenlastegelegde feit, bij bewezenverklaring, niet heeft kunnen voorkomen, zijn zij van mening dat hier risicobeperkende uitwerking van uitgaat. Daarnaast zijn de verdachte en zijn gezin recentelijk verhuisd naar een grotere woning en een andere woonomgeving. Dit verlaagt de spanning bij de verdachte aanzienlijk. De verdachte heeft weer werk en de financiële problemen zijn te overzien. Psychiatrisch is de verdachte al enige tijd stabiel.

De reclassering is in het kader van het schorsingstoezicht betrokken en staat in nauw contact met de behandelaar. Daardoor kunnen risico’s beter gesignaleerd worden. De reclassering adviseert dan ook om het huidige traject, opgelegd als bijzondere voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis, voort te zetten.

De reclassering adviseert bij een veroordeling om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:

Meldplicht;

Ambulante behandeling;

Contactverbod met de aangevers;

Locatieverbod (zonder elektronische monitoring);

Beheersing middelengebruik.

Strafkader

Gelet op de aard en de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. De verdachte is plotseling en zonder duidelijke aanleiding in een woonwijk op het slachtoffer afgerend met een puntig voorwerp. Dit is gevaarlijk en angstaanjagend. Bij de vaststelling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de ernst van de gedragingen van de verdachte en op uitspraken in vergelijkbare zaken. In strafmatigende zin weegt de rechtbank de inhoud van de deskundigenrapporten mee, voor zover deze zien op de gezondheidstoestand van de verdachte.

Conclusie

Alles overwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van twee (2) weken, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank legt een lagere straf op dan geëist door de officier van justitie. Dat komt, onder meer, doordat de rechtbank uitgaat van een beperktere bewezenverklaring en de verdachte vrijspreekt van de poging tot doodslag en poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Gelet op de duur van het reeds ondergane voorarrest is er naar het oordeel van de rechtbank ook geen ruimte voor het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf en het verbinden van bijzondere voorwaarden daaraan.

De voorlopige hechtenis

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het (al eerder geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij [getuige 1]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 11.000,- (€ 1.000 + € 10.000) aan immateriële schade (smartengeld) vanwege de bedreiging (feit 2), vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De benadeelde partij heeft verzocht de vordering van € 1.000,- vanwege de geleden immateriële schade met € 10.000,- te verhogen. Dit vordert de benadeelde partij nu al, omdat er mogelijk hoger beroep wordt ingesteld door de verdachte. In hoger beroep kan de vordering niet meer worden verhoogd. Op dit moment is nog niet duidelijk welke schade de benadeelde partij op langere termijn zal ondervinden van het incident, onder meer omdat de gevolgen voor [getuige 1] op de lange termijn nog niet bekend zijn. De advocaat heeft op zitting verzocht om de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van de vordering dat ziet op toekomstige schade niet-ontvankelijk te verklaren.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de gevorderde € 1.000,- euro aan immateriële schade, kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie verzoekt de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de benadeelde partij voor de gevorderde verhoging van € 10.000,- vanwege een eventueel hoger beroep, niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het overige verzoekt de advocaat primair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, dan wel dat deel van de vordering af te wijzen. Het causaal verband tussen het tenlastegelegde feit en de gestelde schade ontbreekt. De terugval die de benadeelde partij had in het herstel van zijn knie is veroorzaakt doordat hij achter de verdachte is gaan aanrennen. Dit is niet het gevolg van het handelen van de verdachte. Daarnaast is de immateriële schade onvoldoende onderbouwd, nu uitsluitend een aantekening van de huisarts is overgelegd.

Subsidiair verzoekt de advocaat de gevorderde immateriële schadevergoeding sterk te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat [getuige 1] tot op de dag van vandaag, driekwart jaar na het incident, nog altijd veel last heeft van angsten. Als hij op straat loopt, kijkt hij constant om zich heen. Er is mogelijk sprake van PTSS. [getuige 1] heeft hulp gezocht bij de huisarts voor zijn psychische klachten. Ter onderbouwing is een verslag van de huisarts overgelegd.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 300,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 10 september 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Veroordeling in de kosten van de benadeelde partij

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 300,- aan de Staat moet betalen.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling, dat is een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte, worden toegepast voor de duur van drie dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- 36f en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart feit 1 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) weken;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [getuige 1]

- wijst de vordering van [getuige 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 300,-, bestaande uit immateriële schade;

voorlopige hechtenis

- heft op het (al eerder geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. M.J. Terstegge en mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 10 september 2025 te Utrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer 1]

van het leven te beroven,

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp naar die [slachtoffer 1] toe is

gerend en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of opzij heeft getrokken en/of

geduwd (waardoor de nek bloot kwam te liggen) en/of

- met dat mes, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp, (een) stekende

beweging(en) heeft gemaakt in de richting van de nek van die [slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 september 2025 te Utrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer 1]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp naar die [slachtoffer 1] toe is

gerend en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of opzij heeft getrokken en/of

geduwd (waardoor de nek bloot kwam te liggen) en/of

- met dat mes, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp, (een) stekende

beweging(en) heeft gemaakt in de richting van de nek van die [slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

2

hij op of omstreeks 10 september 2025 te Utrecht [slachtoffer 2] en/of [getuige 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp op die [slachtoffer 2] af te

rennen en/of stekende bewegingen te maken en/of

- met dat mes, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp op die [getuige 1]

af te rennen;

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 10 september 2025 was ik samen met [slachtoffer 1 (voornaam)] in de steeg tussen de [adres 1] en de [adres 2] in [plaats] .

Ik zag dat de man op mij kwam afgerend. Ik probeerde aan de kant te gaan maar door de smalle steeg en de scooter achter mij lukte dat niet.

Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Hoe kon u de meneer zien aankomen?

Niet. Het is meer dat meneer op [getuige 1 (voornaam)] afging en geluid maakte.

U zegt net dat meneer eerst op [getuige 1 (voornaam)] afrende. Wat heeft u gezien dat hij bij [getuige 1 (voornaam)] deed? Niks. Ik zag alleen dat hij zich wegduwde van de meneer af en toen kwam de meneer op mij af.

Toen hij bij u kwam, schrijft u in de aangifte dat hij een zwart puntig voorwerp in zijn hand hield. Hij hield het vast (de getuige laat een vuist zien). Het was veel te snel om te zien wat het was, maar het was wel iets puntigs.

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Alle nader te noemen straten dan wel wegen, zijn gelegen binnen de gemeente [gemeente] . Op 10 september 2025 reed ik op de [.] kruisend met de [straat] . Ik zag dat er twee personen op de [straat] liepen. Ik hoorde de twee personen schreeuwen: ''Daar is hij!''. Later bleek dit te zijn: [verdachte] .

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand