RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11876007 \ LC EXPL 25-1904
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. G.D. te Biesebeek,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. P.F.A. Reichenbach.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;- de akte na tussenvonnis van [eiser] van 22 april 2026 met productie 1;- de akte na tussenvonnis van [gedaagden] van 22 april 2026 met producties 18 tot en met 20;
- de antwoordakte van [eiser] van 20 mei 2026 met producties 2 en 3;
- de antwoordakte van [gedaagden] van 20 mei 2026 met producties 21 tot en met 23.
De kantonrechter heeft besloten dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
2. De verdere beoordeling
Het tussenvonnis van 25 maart 2026
In de eerste plaats wordt verwezen naar wat in het tussenvonnis van 25 maart 2026 (hierna: het tussenvonnis) al is overwogen. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter nadere inlichtingen gevraagd. De kantonrechter heeft beslist dat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld om zich uit te laten over:
haar inbreng in de vennootschap (r.o. 3.6.); en
de eventueel aan de deskundige voor te leggen vragen (r.o. 3.21.).
Ook is in het tussenvonnis beslist dat [gedaagden] in de gelegenheid wordt gesteld om zich uit te laten over:
zijn inbreng (r.o. 3.6.),
de schulden van de [bedrijf] (r.o. 3.8.),
de post ‘overige schulden’ in de jaarrekening van 2024 (r.o. 3.9.),
de door [bedrijf] aan de vennootschap verstrekte leningen (r.o. 3.14),
de middellange lening (r.o. 3.15.),
de privéopnamen (r.o. 3.16),
de verkoopopbrengst (r.o. 3.18); en
de eventueel aan de deskundige voor te leggen vragen (r.o. 3.21.).
Daarna zijn partijen in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte op elkaars aktes te reageren. Dit hebben [eiser] en [gedaagden] bij aktes van respectievelijk 22 april 2026 en 20 mei 2026 gedaan.
Opmerkingen vooraf
De inlichtingen en producties van [gedaagden]
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter [gedaagden] opgedragen inlichtingen te geven over een aantal punten, waarover partijen van mening verschillen, namelijk:
de inbreng,
de schulden van de [bedrijf] ,
de post ‘overige schulden’ in de jaarrekening van 2024,
de door [bedrijf] verstrekte leningen,
de middellange lening,
de privéopnamen; en
de verkoopopbrengst.
Deze inlichtingen zijn gevraagd om duidelijkheid en inzicht te krijgen over deze punten, omdat de eerder door [gedaagden] in het geding gebrachte stukken ontoereikend waren. De kantonrechter heeft daarom specifiek aangegeven welke informatie en stukken hij wil ontvangen. Ook heeft de kantonrechter aangegeven hoe [gedaagden] deze informatie en stukken moet aanleveren. De kantonrechter constateert dat [gedaagden] niet aan deze opdracht heeft voldaan. [gedaagden] heeft de gevraagde inlichtingen en stukken namelijk niet verstrekt en voor zover deze wel zijn verstrekt is dat niet gebeurd op de wijze zoals in het tussenvonnis is bepaald (hier wordt onder 3.26. en volgende op teruggekomen). De kantonrechter vindt het onbegrijpelijk dat [gedaagden] deze opdracht naast zich heeft neergelegd, terwijl het (mede) in zijn belang is daaraan te voldoen.
De wegwijsplicht
Verder geldt dat de stellingen waarmee een partij haar vorderingen onderbouwt helder en toetsbaar moeten zijn. Producties kunnen worden overgelegd ter onderbouwing van die stellingen, maar niet ter vervanging daarvan. De partij die stukken overlegt zal op een begrijpelijke wijze moeten aanduiden welke delen daarvan relevant zijn voor de verschillende vorderingen en waarom. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze moet doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en naar welke feiten daarbij verwezen wordt, en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich moet verweren (zogenaamde wegwijsplicht).
De kantonrechter constateert dat [gedaagden] bij zijn akte van 22 april 2026 een aantal producties in het geding heeft gebracht, zonder in zijn akte naar die producties te verwijzen. Volgens vaste jurisprudentie, zoals hiervoor is vermeld, hoeft de kantonrechter deze producties dan niet bij zijn beoordeling te betrekken. Het is niet de taak van de rechter om zelf in de producties te gaan kijken en te zoeken naar wat mogelijk relevant is voor de vordering en/of het standpunt van de partij die daar een beroep op doet. De kantonrechter zal daarom geen acht slaan op producties, waarnaar niet expliciet wordt verwezen.
De kwalificatie van het verweer van [gedaagden]
Het verweer van [gedaagden] – dat er niets te verdelen valt uit de verkoopopbrengst, omdat de verkoopopbrengst is aangewend om de schulden en leningen van de [bedrijf] te betalen – is een bevrijdend verweer. [gedaagden] draagt op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de bewijslast daarvan.
Over de vorderingen van [eiser] (in conventie)
De inbreng van [eiser]
Volgens artikel 4 van de tussen partijen gesloten vennootschapsakte moest [eiser] € 33.000,00 inbrengen in de [bedrijf] . Op de zitting heeft [eiser] gezegd dat zij aan die inbrengplicht heeft voldaan. [gedaagden] betwist dat. [eiser] is in de gelegenheid gesteld om haar standpunt dat zij aan haar inbrengplicht heeft voldaan, toe te lichten en te onderbouwen (r.o. 3.6. van het tussenvonnis).
[eiser] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en voert ter toelichting en onderbouwing aan dat zij aan haar inbrengplicht heeft voldaan door contante betalingen en overboekingen per bank aan [gedaagden] en de [bedrijf] . Daarnaast hebben partijen volgens [eiser] (mondeling) afgesproken dat het restantbedrag niet hoeft te worden ingebracht.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] grotendeels – maar niet volledig – aan haar inbrengplicht heeft voldaan. De kantonrechter stelt de inbreng van [eiser] vast op € 30.604,08 en overweegt daartoe als volgt.
De contante betalingen bij toetreding tot de vennootschap onder firma
[eiser] stelt dat [gedaagden] eiste dat [eiser] aan haar inbrengplicht zou voldoen door het inbrengen van contante middelen. Volgens [eiser] heeft zij daaraan voldaan door de volgende contante betalingen aan [gedaagden] te verrichten:
15 december 2022 € 4.800,00
15 december 2022 € 200,00
25 december 2022 € 2.000,00
25 december 2022 € 2.000,00
25 december 2022 € 1.000,00
Totaal € 10.000,00
[gedaagden] heeft de hoogte van de contante betalingen gemotiveerd betwist. [gedaagden] stelt dat de totale inbreng van [eiser] op basis van de administratie over de jaren 2022 tot en met 2024 in totaal € 10.404,08 bedraagt. Dit bedrag bestaat uit een inbreng:
via de kas over het jaar 2022 van € 6.750,00,
via de bank over het jaar 2023 van € 2.800,00
via de kas over het jaar 2024 van € 854,08.
Andere inbreng van [eiser] volgt niet uit de administratie van de [bedrijf] . Volgens [gedaagden] is de administratieve verwerking van de betalingen van doorslaggevend belang. Met een bewijs van geldopname kan niet worden aangetoond dat het opgenomen geld in de [bedrijf] is ingebracht.
Partijen verschillen van mening wat aan contant geld is ingebracht en als inbreng van [eiser] kan worden aangemerkt. De kantonrechter stelt vast dat van de gestelde contante betalingen van in totaal € 10.000,00 die in 2022 zijn verricht € 6.750,00 door de [bedrijf] is ontvangen en als inbreng (inleg) van [eiser] is aangemerkt. [gedaagden] heeft dit erkend. Van € 3.250,00 is niet vast te stellen dat dit door [eiser] in de [bedrijf] is ingebracht. [eiser] heeft haar standpunt op dat punt niet (verder) onderbouwd met kwitanties en/of berichten, waaruit blijkt dat het meerdere aan contante betalingen is ingebracht, door de vennootschap is ontvangen en als inbreng van [eiser] moet worden aangemerkt.
Het voorgaande leidt ertoe dat de inbreng aan contante betalingen van [eiser] vastgesteld wordt op € 6.750,00.
De bancaire overboekingen aan [gedaagden]
[eiser] stelt dat [gedaagden] ook de wens had dat (een deel van) de inbreng voor de [bedrijf] rechtstreeks aan [gedaagden] – en dus niet aan de [bedrijf] – werd voldaan. Dat heeft [eiser] gedaan door per bank de volgende betalingen aan [gedaagden] te verrichten:
14 december 2022 aan [gedaagde sub 2] : € 5.000,00
14 december 2022 aan [gedaagde sub 1] : € 5.000,00
20 december 2022 aan [gedaagde sub 2] : € 5.000,00
Totaal € 15.000,00
[gedaagden] heeft betwist dat deze betalingen zijn verricht. [gedaagden] heeft daartoe gesteld dat wanneer daadwerkelijk een bedrag als kapitaal in de [bedrijf] wordt ingebracht de administratieve verwerking daarvan op enig moment zichtbaar moet zijn, maar die ontbreekt voor een groot gedeelte van de door [eiser] genoemde bedragen.
De kantonrechter gaat voorbij aan dit deel van het verweer van [gedaagden] Feitelijk is het juist dat [eiser] de hierboven onder 2.13. genoemde betalingen niet rechtstreeks op de bankrekening van de [bedrijf] heeft gedaan, maar deze betalingen moeten alsnog als inbreng van [eiser] in de [bedrijf] worden aangemerkt. [gedaagden] heeft niet betwist dat de onder 2.13. genoemde afspraak tussen partijen is gemaakt, dat hij de bedragen heeft ontvangen en heeft niet gesteld dat de betalingen een ander doel dienden. Dat betekent dat [eiser] op verzoek van [gedaagden] een deel van haar inbreng in de [bedrijf] heeft voldaan door betalingen aan de bankrekeningen van [gedaagden] Daarmee heeft zij deels aan haar inbrengplicht voldaan. Dat [gedaagden] heeft nagelaten deze betalingen als inbreng van [eiser] in de administratie van de [bedrijf] te verwerken, kan niet aan [eiser] worden tegengeworpen.
Het voorgaande leidt ertoe dat de drie stortingen van [eiser] van in totaal € 15.000,00 aan [gedaagden] als inbreng van [eiser] in de [bedrijf] moeten worden aangemerkt.
De bancaire overboekingen aan de [bedrijf]
Daarnaast heeft [eiser] per bank de volgende twee betalingen aan de [bedrijf] gedaan:
- 6 januari 2023 aan vof rek: € 300,00
- 29 juli 2023 aan vof rek: € 2.500,00
Totaal: € 2.800,00
[gedaagden] heeft erkend dat deze betalingen door de [bedrijf] zijn ontvangen. De ontvangsten zijn in de administratie van de [bedrijf] verwerkt als inbreng van [eiser] (zie productie 23 van [gedaagden] ), zodat vaststaat dat [eiser] met deze twee betalingen, bij elkaar, € 2.800,00 heeft ingebracht.
De (mondelinge) afspraak over het restant van de inbreng van € 5.200,00
[eiser] stelt dat zij feitelijk € 27.800,00 van de vereiste € 33.000,00 heeft ingebracht. Het restant van € 5.200,00 zou volgens [eiser] door [gedaagden] met haar aandeel in het positieve resultaat uit de [bedrijf] worden verrekend. [gedaagden] zou per saldo een vergelijkbaar bedrag uit het vermogen van de [bedrijf] hebben opgenomen, waardoor de verplichting om de resterende € 5.200,00 in te brengen, verviel en [eiser] meent volledig aan haar inbrengplicht van in totaal € 33.000,00 heeft voldaan.
[gedaagden] heeft deze afspraak niet betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van wat [eiser] daarover naar voren heeft gebracht. De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen de afspraak is gemaakt dat [eiser] het restant van € 5.200,00 niet meer hoefde in te brengen, omdat dit met haar aandeel in het positieve resultaat van de [bedrijf] is verrekend.
De inbreng van [eiser] per kas over het jaar 2024
[gedaagden] stelt dat [eiser] over het jaar via de kas nog eens € 854,08 heeft ingebracht (zie productie 23 van [gedaagden] ). Dit bedrag zal in de vaststelling van de inbreng van [gedaagden] worden meegenomen.
Tussenconclusie ten aanzien van de inbreng(plicht) van [eiser]
De kantonrechter stelt op basis van het voorgaande vast dat [eiser] grotendeels aan haar inbrengplicht heeft voldaan. [eiser] heeft, rekening houdend met haar betalingen (per kas en per bank) en de mondeling gemaakte afspraak, in totaal € 30.604,08 (= € 6.750,00 + € 15.000,00 + € 2.800,00 + € 5.200,00 + € 854,08) ingebracht.
De inlichtingen door [gedaagden]
De inbreng van [gedaagden]
Volgens artikel 4 van de vennootschapsakte moest [gedaagden] ieder afzonderlijk € 16.500,00 inbrengen in de [bedrijf] . [gedaagden] stelt aan zijn inbrengplicht te hebben voldaan. [eiser] betwist dit. [gedaagden] is in de gelegenheid gesteld zijn standpunt dat hij aan zijn inbrengplicht heeft voldaan, toe te lichten en te onderbouwen (r.o. 3.6. van het tussenvonnis).
[gedaagden] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en voert ter toelichting en onderbouwing aan dat hij naast het inbrengen van liquide middelen ook aanzienlijke investeringen in de [bedrijf] heeft gedaan.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] niet heeft voldaan aan zijn inbrengplicht en overweegt daartoe als volgt.
De inbreng van [gedaagden] in liquide middelen
[gedaagden] heeft ter toelichting en onderbouwing van zijn stelling dat hij aan zijn inbrengplicht heeft voldaan, verwezen naar productie 19 met daarin op haar beurt een verwijzing naar de bestanden die als productie 18 zijn overgelegd. Daaruit zou volgen dat [gedaagden] in totaal € 19.920,67 aan liquide middelen heeft ingebracht, bestaande uit € 15.585,67 in 2022, € 3.885,00 in 2023 en € 500,00 in 2024.
De kantonrechter kan aan de hand van productie 19 met verwijzing naar productie 18 niet controleren of en vaststellen dat de genoemde bedragen juist zijn en daadwerkelijk door [gedaagden] in de [bedrijf] zijn ingebracht. [gedaagden] heeft nagelaten de onderliggende stukken in het geding te brengen, waaruit blijkt dat hij de onder 2.26. genoemde bedragen daadwerkelijk aan de [bedrijf] zijn betaald en aldus heeft ingebracht. Het enkel verwijzen naar regels uit de jaarrekeningen, de kolommenbalansen en de grootboekrekeningen is onvoldoende, omdat die regels niet te controleren zijn zonder de onderliggende stukken of onvoldoende vaststaan door bijvoorbeeld een accountantsverklaring. Ook is het de kantonrechter een raadsel hoe [gedaagden] tot een inbreng van € 15.585,67 in 2022 en van € 3.885,00 in 2023 komt. De berekening van die bedragen ontbreekt. Bovendien komen de bedragen niet overeen met de regels uit de jaarrekeningen, de kolommenbalansen en de grootboekrekeningen.
Het voorgaande leidt ertoe dat niet vast is komen te staan dat [gedaagden] over de jaren 2022 tot en met 2024 een totaalbedrag van € 19.920,67 in de [bedrijf] heeft ingebracht.
De inbreng van [gedaagden] in de vorm van investeringen in de [bedrijf]
[gedaagden] stelt dat hij deels aan zijn inbrengplicht heeft voldaan door investeringen in de [bedrijf] . Volgens [gedaagden] moet de financiële inbreng in de praktijk bezien worden in samenhang met de feitelijke investeringen die [gedaagden] in de [bedrijf] heeft gedaan.
De kantonrechter kan [gedaagden] niet volgen in zijn standpunt. Nog daargelaten dat onduidelijk is welke investeringen [gedaagden] in de [bedrijf] heeft gedaan en welk bedrag die gestelde investeringen zouden moeten vertegenwoordigen, heeft [eiser] gemotiveerd betwist dat [gedaagden] zijn inbrengplicht mocht voldoen door investeringen in de [bedrijf] . [eiser] heeft gesteld dat partijen hebben afgesproken dat zij financiële middelen zouden inbrengen. Er is niet afgesproken dat vennoten bij aanvang van de vennootschap goederen (in natura) mogen inbrengen. [eiser] is daarin in ieder geval niet gekend, terwijl in artikel 4 lid 3 van de vennootschapsakte (hierna: artikel 4 lid 3) het volgende voorschrift is opgenomen:
‘Met onderling goedvinden kunnen door de vennoten meer geld en/of goederen in de vennootschap worden ingebracht’
Daaruit volgt dat, voor zover er al goederen (in natura) ingebracht worden, dat met onderling goedvinden moet plaatsvinden. Bovendien gaat het daarbij om ‘meer’ geld en/of goederen, dus bovenop de financiële inbreng die in artikel 4 lid 2 van de vennootschapsakte (hierna: artikel 4 lid 2) verplicht is gesteld. Dat door het inbrengen van goederen aan de inbrengplicht kan worden voldaan, blijkt niet. Daarbij weegt in het nadeel van [gedaagden] mee dat hij de vennootschapsakte zelf heeft opgesteld. Als [gedaagden] had bedoeld dat met het doen van investeringen aan de inbrengplicht kan worden voldaan, had [gedaagden] dat in de vennootschapsakte kunnen vermelden. Dat heeft [gedaagden] niet gedaan. [gedaagden] kan daar achteraf niet op terugkomen. Verder is niet gesteld of gebleken dat partijen aanvullende afspraken hebben gemaakt over de inbreng van goederen in natura (de gestelde gedane investeringen door [gedaagden] ) ter voldoening en/of vervanging van een deel van de financiële inbrengplicht in artikel 4 lid 2.
Het voorgaande leidt ertoe dat de gestelde gedane investeringen niet als inbreng in de [bedrijf] kunnen worden aangemerkt.
Tussenconclusie ten aanzien van de inbreng(plicht) van [gedaagden]
De kantonrechter stelt op basis van het bovenstaande vast dat [gedaagden] niet aan zijn inbrengplicht heeft voldaan.
De door [gedaagden] gestelde schulden van de [bedrijf]
[gedaagden] stelt dat de [bedrijf] vanaf aanvang verlies heeft gedraaid, waardoor veel schulden zijn ontstaan, die uit de verkoopopbrengst zijn afbetaald. De kantonrechter heeft [gedaagden] opgedragen inlichtingen te geven over de gestelde schulden en heeft aangegeven hoe [gedaagden] die inlichtingen moest verstrekken (r.o. 3.8. van het tussenvonnis). In zijn akte van 22 april 2026 stelt [gedaagden] dat hij de administratie over de relevante periode opnieuw gestructureerd heeft en per schuldeiser inzichtelijk heeft gemaakt welke schulden er waren op het moment van de verkoop van de [bedrijf] , inclusief de factureren, data, bedragen en betalingen. Daarvoor heeft [gedaagden] verwezen naar de producties 18 en 19.
De kantonrechter constateert dat [gedaagden] niet aan de opdracht heeft voldaan. In r.o. 3.8. van het tussenvonnis is uitdrukkelijk bepaald hoe [gedaagden] deze gegevens en/of stukken moest aanleveren, namelijk:
‘3.8. [gedaagden] moet de gevraagde stukken van de (gestelde) schulden van de [bedrijf] als volgt aanleveren:
- Per schuldeiser een overzicht van de schulden vanaf aanvang van de [bedrijf] tot het einde van de [bedrijf] ;
- Het overzicht per schuldeiser bevat de volgende informatie: 1) het factuurnummer, 2) de datum van de factuur, 3) het factuurbedrag, 4) óf, wánneer en hoe de factuur is betaald en 5) de verwijzing naar en overlegging van de betreffende onderliggende factuur en/of aanmaning waarnaar wordt verwezen;
- De onderliggende facturen en/of aanmaningen van de betreffende schuldeiser moeten gevoegd worden achter het overzicht van de betreffende leverancier. De facturen/aanmaningen moeten op dezelfde volgorde gesorteerd zijn als de opsomming in het overzicht in verband met de controleerbaarheid.’
Het door [gedaagden] gestelde geordende overzicht per schuldeiser met onderliggende stukken, heeft de kantonrechter niet gevonden in productie 18. De gestelde (totale) schulden van de [bedrijf] zijn niet te controleren, omdat de onderliggende stukken ontbreken. De bestanden in productie 18, waarnaar in productie 19 is verwezen, bevatten slechts een totaaloverzicht van alle openstaande schulden (het bestand ‘open posten [bedrijf]’ in de toelichting op de balans van 2022, punt 5) en opsommingen van regels uit de kolommenbalans, grootboekrekening en grootboekkaarten. De onderliggende stukken (facturen en/of aanmaningen) van de gestelde betreffende schulden ontbreken in het geheel, althans bevinden zich niet in de bestanden waarnaar is verwezen. De enkele opsomming van de schuldenregels uit het grootboek (voor de totale schuldenlast van het jaar 2022 van € 49.003,48), de kolommenbalans (voor de totale schuldenlast van het jaar 2023 van € 73.270,09) en de grootboekkaarten (voor de totale schuldenlast van het jaar 2024 van € 23.296,19), is onvoldoende om vast te kunnen stellen óf en wát de omvang van de gestelde schulden van de [bedrijf] waren op het moment van verkoop.
[gedaagden] heeft hiermee zijn standpunt, dat er op het moment van verkoop veel schulden waren en de verkoopopbrengst daarmee verrekend mocht worden, onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat niet vast is komen te staan dat er op het moment van verkoop van de [bedrijf] dusdanig veel schulden waren dat de verkoopopbrengst daarmee deels verrekend moest worden.
De overige schulden van de [bedrijf]
De kantonrechter heeft [gedaagden] in het tussenvonnis verzocht ook een toelichting te geven op de post ‘overige schulden’ in de jaarrekening van 2024 (r.o. 3.9. van het tussenvonnis).
[gedaagden] stelt daarover in zijn akte van 22 april 2026 dat voor zover deze post overlapt met de eerder opgevoerde schulden, deze overlap in de andere specificatie inzichtelijk is gemaakt.
[eiser] heeft de hoogte van de post ‘overige schulden’ betwist. [eiser] kan aan de hand van de door [gedaagden] verstrekte gegevens herleiden waar de post ‘overige schulden’ op ziet.
De kantonrechter oordeelt dat er geen ‘overige schulden’ zijn zoals is vermeld in de post ‘overige schulden’ in de jaarrekening van 2024. Deze post ziet namelijk op vermeende schulden die [gedaagden] ook al eerder heeft meegenomen in de totale schuldenlast, waarover in r.o. 3.8. van het tussenvonnis vragen zijn gesteld en hiervoor onder 2.34. en volgende is geoordeeld. Er is dus sprake van overlap.
De kantonrechter merkt in dit kader op dat [gedaagden] veel onduidelijkheid laat bestaan bij het geven van antwoord op de gestelde vraag. [gedaagden] heeft in plaats van direct antwoord te geven op de vraag een cryptisch antwoord gegeven onder verwijzing naar een mogelijke specificatie als er sprake zou zijn van een eventuele overlap. [gedaagden] had ook kunnen volstaan met het antwoord dat de post ‘overige schulden’ al was meegenomen bij de eerdere schuldenlast en er dus sprake is van overlap. Dat er sprake is van overlap volgt uit de toelichting van de boekhouder in productie 19 op de post ‘overige schulden’. De boekhouder noemt daar namelijk hetzelfde bedrag als in de toelichting op de schulden in r.o. 3.8. van het tussenvonnis en verwijst daarbij ook naar hetzelfde bestand. De kantonrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de door [gedaagden] ingeschakelde boekhouder en [gedaagden] zelf niet (helemaal) op de hoogte lijken te zijn van het bestaan en de hoogte van de gestelde schulden.
De leningen van [bedrijf] aan de [bedrijf]
[gedaagden] stelt dat [bedrijf] leningen aan de [bedrijf] heeft verstrekt, waardoor de [bedrijf] op het moment van de verkoop een terugbetalingsverplichting had tegenover [bedrijf] . Met een deel van de verkoopopbrengst is daarom een deel van de door [bedrijf] verstrekte leningen terugbetaald. [gedaagden] stelde aanvankelijk dat [bedrijf] in totaal € 40.046,65 aan leningen bij de [bedrijf] had uitstaan.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis [gedaagden] opgedragen inlichtingen te geven over de door [bedrijf] verstrekte leningen aan de [bedrijf] en aangegeven hoe [gedaagden] die inlichtingen moest verstrekken (r.o. 3.14 van het tussenvonnis). In zijn akte van 22 april 2026 heeft [gedaagden] de omvang van de door [bedrijf] verstrekte leningen bijgesteld, omdat hij voor een deel van de gestelde leningen niet kan aantonen dat [eiser] (expliciet) haar instemming heeft verleend. Volgens [gedaagden] heeft [eiser] wel met de op 17 januari 2024, 31 januari 2024, 4 maart 2024, 11 maart 2024 en 4 april 2024 verstrekte leningen ingestemd. [gedaagden] verwijst daarbij naar producties 18 en 19. Verder heeft [gedaagden] voor de instemming van [eiser] verwezen naar de WhatsAppberichten in productie 20.
De kantonrechter constateert dat [gedaagden] niet aan de opdracht,zoals is vermeld in r.o. 3.14. van het tussenvonnis, heeft voldaan. Daarin is bepaald hoe [gedaagden] deze gegevens en/of stukken moest aanleveren, namelijk:
‘3.14. [gedaagden] zal daarom bij akte in de gelegenheid gesteld worden om een overzicht in het geding te brengen, waarbij [gedaagden] per door [bedrijf] verstrekte lening aan de [bedrijf] de volgende gegevens aanlevert:
- De leensom;
- De datum van de verstrekte lening;
- De verwijzing naar en overlegging van het bankafschrift van de betreffende lening;
- Het akkoord van [eiser] op de betreffende lening;
- De onderliggende bankafschriften en Whatsappberichten van de betreffende leningen moeten op dezelfde volgorde gesorteerd zijn als de opsomming in het overzicht in verband met de controleerbaarheid.’
[gedaagden] heeft dat niet gedaan. In de akte van 22 april 2026 heeft [gedaagden] zich beperkt tot een opsomming van data (onder punt 23), waarop de leningen door [bedrijf] zouden zijn verstrekt. Welke bedragen op die data door [bedrijf] aan de [bedrijf] zijn verstrekt, wordt niet vermeld. [gedaagden] verwijst voor het gevraagde overzicht van alle leningen met bijbehorende stukken naar productie 19 (punt 24 van de akte van [gedaagden] van 22 april 2026). In productie 19 heeft de kantonrechter echter niet het gevraagde overzicht met bijbehorende onderliggende stukken aangetroffen. Wel wordt in productie 19 verwezen naar de bestanden in ‘het bestand toelichting 2024-jaarrekening punt 4’, maar die bestanden zijn slechts regels uit de grootboekrekening over de door [bedrijf] verstrekte leningen en een overzicht van de gedane aflossingen op die leningen. Ook daar heeft de kantonrechter niet het gevraagde overzicht met de bijbehorende onderliggende stukken aangetroffen. [gedaagden] heeft daardoor zijn standpunt, dat [bedrijf] leningen bij de [bedrijf] had uitstaan die zij moest terugbetalen, onvoldoende onderbouwd.
De kantonrechter kan daardoor de hoogte en de juistheid van de door [bedrijf] verstrekte leningen aan de [bedrijf] niet controleren en vaststellen, omdat het gevraagde overzicht met de bijbehorende onderliggende stukken ontbreekt. Ook kan de kantonrechter daardoor niet vaststellen of die leningen aangemerkt moeten worden als leningen aan de [bedrijf] op grond waarvan de [bedrijf] een betalingsverplichting tegenover [bedrijf] heeft.
Daar komt bij dat, voor zover er al sprake zou zijn van door [bedrijf] verstrekte leningen aan de [bedrijf] , de kantonrechter niet heeft kunnen vaststellen dat [eiser] heeft ingestemd met de door [bedrijf] verstrekte leningen op grond waarvan de [bedrijf] gehouden is [bedrijf] terug te betalen. Immers, om de [bedrijf] te kunnen binden aan de door [bedrijf] verstrekte leningen moeten alle vennoten hun medewerking verlenen (artikel 6 lid 2 onder d van de vennootschapsakte). Weliswaar heeft [gedaagden] ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de Whatsappberichten in productie 20, waaruit volgens [gedaagden] het akkoord van [eiser] op de onder 2.40. genoemde leningen volgt, maar daar is de kantonrechter niet overtuigd geraakt. Anders dan [gedaagden] stelt, kan uit die Whatsappberichten niet afgeleid worden dat [eiser] heeft ingestemd met de leningen. Voor zover een akkoord zou zijn gegeven, was die afkomstig van de partner van [eiser] , Meysam. Niet gesteld of is gebleken dat [eiser] haar partner heeft gemachtigd haar te vertegenwoordigen. [eiser] kan daardoor niet gebonden zijn aan enige toezegging van haar partner. Dat [eiser] op andere wijze zelf akkoord is gegaan met de onder 2.40. genoemde leningen is de kantonrechter niet gebleken.
Doordat [gedaagden] niet heeft voldaan aan de opdracht in het tussenvonnis om inlichtingen te geven over de door [bedrijf] verstrekte leningen aan de [bedrijf] , is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagden] zijn standpunt ten aanzien van die leningen onvoldoende heeft onderbouwd. Niet vast is komen te staan óf en wát de omvang van de door [bedrijf] verstrekte leningen was. Ook is niet vast komen te staan dat de door [bedrijf] verstrekte leningen aangemerkt moeten worden als leningen aan de [bedrijf] op grond waarvan de [bedrijf] een betalingsverplichting tegenover [bedrijf] had. Dit betekent dat de door [bedrijf] verstrekte leningen niet ten laste van de [bedrijf] mogen komen. [gedaagden] heeft dan ook ten onrechte een deel van de verkoopopbrengst met de door [bedrijf] verstrekte leningen verrekend.
De middellange lening aan de [bedrijf]
De kantonrechter heeft [gedaagden] verzocht om een toelichting te geven op de post ‘middellange lening’ in de jaarrekening van het jaar 2024 (r.o. 3.15 van het tussenvonnis).
[gedaagden] stelt in zijn akte van 22 april 2026 daarover dat uit de administratie volgt dat deze post correspondeert met de per saldo resterende leningsverplichtingen, waaronder de door [bedrijf] verstrekte financiering. Verder stelt [gedaagden] dat voor zover deze post gedeeltelijk ziet op andere leningen, dit in de nadere specificatie inzichtelijk wordt gemaakt.
De kantonrechter oordeelt dat de post ‘middellange lening’ in de jaarrekening alleen ziet op de gestelde, door [bedrijf] verstrekte leningen. Hiervoor is al geoordeeld dat die leningen niet als leningen aan de [bedrijf] kunnen worden aangemerkt. Er is dus geen sprake van overige leningen aan de [bedrijf] op grond waarvan de [bedrijf] een (terug)betalingsverplichting had. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.
[gedaagden] heeft ook op dit punt niet direct geantwoord op de vraag. [gedaagden] heeft een cryptisch antwoord op de vraag gegeven, terwijl uit de toelichting van de boekhouder in productie 19 op de post ‘middellange lening’ volgt dat er geen sprake is van andere leningen. De boekhouder noemt daar namelijk hetzelfde bedrag als in de toelichting op de door [bedrijf] verstrekte leningen in r.o. 3.14. van het tussenvonnis en verwijst daarbij ook naar dezelfde bestanden. [gedaagden] had dus in zijn akte kunnen volstaan met het antwoord dat er geen andere leningen zijn dan de door [bedrijf] verstrekte leningen. [gedaagden] wekt met zijn toelichting de indruk dat er mogelijk wel andere leningen zouden kunnen zijn. Dit laat de indruk ontstaan dat de door [gedaagden] en de door hem ingeschakelde boekhouder niet (helemaal) op de hoogte zijn van de leningen aan de [bedrijf] .
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van overige leningen aan de [bedrijf] op grond waarvan de [bedrijf] een terugbetalingsverplichting had.
De privéopnamen door [eiser]
De kantonrechter heeft [gedaagden] verzocht om een toelichting te geven op de gestelde privéopnamen door [eiser] , zoals weergegeven in de jaarrekeningen van 2023 en 2024 van respectievelijk € 27.704,00 en € 3.766,00 (r.o. 3.15. van het tussenvonnis).
[gedaagden] licht in zijn akte van 22 april 2026 toe dat uit de administratie volgt dat in 2023 en 2024 bedragen zijn geboekt als privéopnamen ten laste van het kapitaal van [eiser] . Volgens [gedaagden] blijken deze opnamen uit de banktransacties die ten gunste van [eiser] zijn verricht en die administratief als onttrekkingen zijn verwerkt. De bankafschriften daarvan worden overgelegd, aldus [gedaagden]
[eiser] heeft de privéopnamen die ten laste van haar kapitaal in de [bedrijf] zijn geboekt, gemotiveerd betwist. [eiser] heeft eerder gesteld dat zij regelmatig loon heeft ontvangen, maar dit valt niet onder privéopnamen. [eiser] heeft in haar akte van 20 mei 2026 haar standpunt op dit punt nader toegelicht en onderbouwd. [eiser] stelt dat partijen waren overeengekomen dat [eiser] als vergoeding voor haar arbeidsinspanningen een vergoeding van € 2.500,00 per maand zou ontvangen die ten laste van de [bedrijf] zou komen. De [bedrijf] is feitelijk gestart met ingang van 1 december 2022 en is op 1 mei 2024 overgedragen. Dit betekent dat [eiser] gedurende 17 maanden recht had op een vergoeding van € 42.500,00, waarop in mindering gebracht moet worden wat al aan haar is betaald en welke als onttrekkingen of privéopnamen zijn geboekt. Daarnaast correspondeert de omvang van de geboekte privéopnamen niet met de omvang van alle geboekte onttrekkingen, aldus [eiser] .
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] zijn standpunt dat [eiser] privéopnamen vanuit de [bedrijf] heeft gedaan, onvoldoende heeft onderbouwd. De kantonrechter kan daardoor niet vaststellen óf [eiser] over de jaren 2023 en 2024 de gestelde privéopnamen heeft gedaan. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
[gedaagden] heeft niet voldaan aan de gevraagde toelichting op de gestelde privéopnamen door [eiser] . [gedaagden] heeft als toelichting alleen gesteld dat er in 2023 en 2024 bedragen als privéopnamen ten laste van het kapitaal van [eiser] zijn geboekt. Dergelijke boekingen maken nog niet dat [eiser] daadwerkelijk gelden aan de [bedrijf] heeft onttrokken. Een deugdelijke toelichting en berekening op die gestelde privéopnamen over de jaren 2023 en 2024 ontbreken. De toelichting van de boekhouder in productie 19 kan evenmin als een deugdelijke toelichting op de gestelde privéopnamen door [eiser] worden aangemerkt. De toelichting van de boekhouder bestaat alleen uit een verwijzing naar regels uit grootboekrekeningen, jaarrekeningen en kolommenbalans zonder nadere toelichting op die regels. Weliswaar heeft [gedaagden] in zijn akte nog verwezen naar de bijbehorende bankafschriften, echter de kantonrechter heeft die bankafschriften niet aangetroffen, althans de verwijzing naar de betreffende productie met de bankafschriften ontbreekt.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagden] zijn standpunt ten aanzien van de privéopnamen onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagden] heeft nagelaten een deugdelijke toelichting met onderliggende stukken in het geding te brengen, terwijl hij daartoe in de gelegenheid was gesteld. Het is niet ondenkbaar, zoals [eiser] heeft gesteld, dat de gestelde privéopnamen door [eiser] , loon waren. Omdat de gevraagde toelichting en stukken ontbreken kan de kantonrechter niet vaststellen en controleren of er sprake is van privéopnamen door [eiser] . Dat [eiser] over jaren 2023 en 2024 aan privéopnamen van respectievelijk van € 27.704,00 en € 3.766,00 heeft gedaan, is dan ook niet komen vast te staan.
De verkoopopbrengst
De kantonrechter heeft [gedaagden] verzocht om de onderliggende bankafschriften van de betalingen van de koper van de [bedrijf] , waaruit blijkt dat de koper slechts het bedrag van € 39.487,54 heeft betaald, in het geding te brengen (r.o. 3.18. van het tussenvonnis). Daarnaast moest [gedaagden] toelichten waarom er is afgeweken van het betaalschema in de verkoopovereenkomst en of en, zo ja, hoe [eiser] daarin is gekend. Verder moest [gedaagden] toelichten en (met stukken) onderbouwen welke actie hij tot heden heeft ondernomen om het resterende deel van de koopsom van € 5.512,46 bij de koper te incasseren.
[gedaagden] stelt in zijn akte van 22 april 2026 dat de koopprijs € 45.000,00 bedroeg en dat daarop betalingen hebben plaatsgevonden. Deze betalingen worden onderbouwd met bankafschriften waaruit blijkt welke bedragen daadwerkelijk zijn ontvangen. Voor zover de betalingen afwijken van het betaalschema in de koopovereenkomst, had dit te maken met de liquiditeitspositie van de koper. De koper beschikte niet over voldoende middelen om het overeengekomen schema strikt na te komen. In dat kader zijn betalingen in delen en op wisselende momenten verricht. Deze wijze van betalen is geaccepteerd om de [bedrijf] draaiende te houden en daarmee de kans op gedeeltelijke voldoening van de koopsom te behouden. [eiser] was als medevennoot bekend met de financiële situatie van de [bedrijf] en de noodzaak om pragmatisch met de betalingsverplichtingen om te gaan, althans [eiser] heeft zich daar niet tegen verzet. Van de koopsom staat nog een bedrag van € 5.512,46 open. Volgens [gedaagden] hebben nadere incassomaatregelen geen reële kans van slagen, omdat de koper feitelijk niet over middelen beschikt om het restant van de koopsom te betalen. Tegen die achtergrond moet dit restant als oninbaar worden aangemerkt en moet dit administratief worden afgeboekt.
[eiser] heeft betwist dat het restant van de koopsom oninbaar is. Zij is op geen enkele wijze door [gedaagden] gekend in de wijze waarop de verkoopopbrengst werd geïncasseerd en in de afspraken die [gedaagden] daarover al dan niet met de koper heeft gemaakt. Ook blijkt nergens uit welke inspanningen [gedaagden] heeft verricht om het restant van de koopsom te innen. Het is [eiser] dan ook een raadsel waarop [gedaagden] zijn standpunt over de oninbaarheid van het restant van de koopsom bij de koper heeft gebaseerd. Zij is het dan ook niet eens met de afboeking van dit restant. Te meer de koper van de [bedrijf] nog ingeschreven staat in de KvK en de onderneming nog steeds actief is.
De kantonrechter is van oordeel dat de koopsom van de [bedrijf] gesteld moet worden op € 45.000,00. Het tekort dat de koper heeft betaald moet voor rekening van [gedaagden] komen. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
Vaststaat dat de overeengekomen koopprijs voor de [bedrijf] € 45.000,00 was. Verder staat vast dat de koper € 39.487,54 van de koopsom aan de [bedrijf] heeft betaald. De koper heeft aldus € 5.512,46 te weinig betaald. De kantonrechter ziet niet in waarom het restant van de koopsom oninbaar is, ook niet op termijn of in het kader van een nadere betalingsregeling. Hoewel hem dit uitdrukkelijk is verzocht te doen, heeft [gedaagden] op geen enkele wijze toegelicht en onderbouwd welke incassomaatregelen hij heeft ondernomen om het restant van de koopsom bij de koper te innen: geen correspondentie, geen ingebrekestelling, geen voorstellen tot een betalingsregeling of omzetting in een lening, geen conservatoir beslag. Niets van dit alles, terwijl de onderneming door de koper is voortgezet. [gedaagden] heeft ook niet toegelicht en onderbouwd waarop hij zijn conclusie baseert dat het restant oninbaar is bij de koper. [gedaagden] heeft net zo min toegelicht en onderbouwd hoe [eiser] daarin is gekend. Dat het restant van de koopsom in de administratie van de [bedrijf] als oninbaar moet worden opgenomen, blijkt bovendien niet uit de toelichting van de boekhouder en de bestanden waarnaar de boekhouder heeft verwezen. De boekhouder concludeert immers met ‘saldo nog te ontvangen 5512,46’. Het lag op de weg van [gedaagden] om zijn standpunt op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft [gedaagden] niet gedaan, terwijl de kantonrechter hem dit uitdrukkelijk heeft verzocht en [gedaagden] daartoe in zijn akte de gelegenheid heeft gehad.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat het restant van de koopsom van € 5.512,46 oninbaar is. [gedaagden] kan dus niet zonder meer het restant van de koopsom aanmerken als oninbaar. Dat [gedaagden] op eigen houtje heeft besloten om geen verdere incassomaatregelen te treffen en het restant van de koopsom aan te merken als oninbaar komt dan voor rekening en risico van [gedaagden] De [bedrijf] en [eiser] mogen daarvan niet de dupe worden. De kantonrechter neemt een verkoopopbrengst van € 45.000,00 als uitgangspunt bij de verdeling daarvan tussen partijen.
De kantonrechter komt terug op het benoemen van een deskundige
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter aangekondigd dat hij een deskundige zou gaan benoemen om vaststellen of [eiser] recht heeft op enige betaling en, zo ja, van welk bedrag. De kantonrechter ziet echter aanleiding om terug te komen op deze beslissing en hij overweegt daartoe als volgt.
Zoals hiervoor in dit vonnis (op meerdere punten) is overwogen, heeft [gedaagden] niet voldaan aan de opdracht om inlichtingen en onderliggende stukken te verschaffen conform het tussenvonnis. De inlichtingen waren op de voet van artikel 22 Rv bedoeld om de kantonrechter (en ook de te benoemen deskundige) in te lichten over en inzicht te geven in de gevraagde punten in het tussenvonnis. Het was ook een extra kans voor [gedaagden] om zijn stellingen ten aanzien van onder andere de leningen aan en de schulden van de [bedrijf] nader toe te lichten en te onderbouwen. De toelichting en de onderbouwing die [gedaagden] eerder in zijn conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie heeft gegeven, waren naar het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis onvoldoende. [gedaagden] heeft deze gelegenheid niet en/of onvoldoende benut. De kantonrechter heeft van [gedaagden] niet de gevraagde inlichtingen en stukken gekregen en heeft daardoor niet vast kunnen stellen dat de [bedrijf] schulden aan derden had die eerst in mindering gebracht moeten worden op de verkoopopbrengst. Ook heeft de kantonrechter niet kunnen vaststellen dat er sprake is van privéopnamen door [eiser] . [gedaagden] heeft door niet aan het tussenvonnis te voldoen zijn stellingen daardoor onvoldoende onderbouwd. Het gevolg hiervan is dat de noodzaak een deskundige te benoemen, is komen te vervallen.
De hoofdsom
[eiser] vordert betaling van € 22.500,00, te weten de helft van de verkoopopbrengst van € 45.000,00. Volgens de verdeelsleutel in de vennootschapsakte heeft [eiser] recht op dit bedrag. Zoals hiervoor is overwogen, strekken er geen bedragen in mindering op de verkoopopbrengst vanwege vermeende privéopnamen door [eiser] en schulden van en leningen aan de [bedrijf] . In beginsel heeft [eiser] op grond van de vennootschapsakte recht op de helft van de verkoopopbrengst, dus het bedrag van € 22.500,00.
Echter zoals hiervoor onder ‘inbreng van [eiser] ’ is overwogen heeft [eiser] slechts € 30.604,08 aan inleg bij aanvang van de [bedrijf] ingebracht. Dit betekent dat [eiser] € 2.339,92 (= € 33.000,00 - € 30.604,08) te weinig heeft ingebracht. De toewijsbare hoofdsom wordt om die reden verminderd met dit bedrag. De gevorderde hoofdsom wordt daarom toegewezen tot het bedrag van € 20.160,08 (= € 22.500,00 - € 2.339,92).
De buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.210,00. De kantonrechter wijst de vordering af, omdat niet is gebleken dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW aan [gedaagden] is verzonden. De brief van 28 januari 2025, waarnaar is verwezen, is namelijk op naam van [bedrijf] en niet op naam van [gedaagden] zelf. De vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten wordt om die reden afgewezen.
De wettelijke rente
[gedaagden] is te laat met het betalen van de hoofdsom aan [eiser] en is daarom de wettelijke rente verschuldigd. [eiser] vordert wettelijke rente vanaf 11 februari 2025 tot de volledige betaling. De gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen, omdat zoals hiervoor is overwogen de brief van 28 januari 2025 onjuist is. In plaats daarvan wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf twee weken na datum van de dagvaarding – 7 augustus 2025 – tot volledige betaling.
De proceskosten
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
147,23
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
1.731,00
(3 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.754,23
De hoofdelijke veroordeling
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Over de vorderingen van [gedaagden] (in reconventie)
De verklaringen voor recht
[gedaagden] vordert, op basis wat hij in conventie heeft gesteld, drie verklaringen voor recht namelijk:
A. verklaring voor recht dat de verkoopopbrengst van de [bedrijf] pas voor verdeling in aanmerking komt nadat alle schulden, intern en extern, volledig zijn voldaan;
B. verklaring voor recht dat [gedaagden] gerechtigd is om het aandeel van [eiser] in de schulden van de vennootschap te verrekenen met haar eventuele aanspraak op verdeling van de verkoopopbrengst
en
C. verklaring voor recht dat de lening van [bedrijf] aan de [bedrijf] kwalificeert als zakelijke vennootschapsschuld behorend tot de te vereffenen passiva van de vennootschap.
[eiser] heeft de verklaringen voor recht gemotiveerd betwist en concludeert tot afwijzing daarvan. [gedaagden] heeft geen belang bij de verklaring voor recht onder A, omdat er geen schulden zijn van de [bedrijf] en de verkoopopbrengst kan gelijk aan ieders aandeel daarin worden verdeeld. Ook voor de verklaring voor recht onder B heeft te gelden dat er geen sprake is van schulden van de [bedrijf] zodat [eiser] daarin geen aandeel heeft. Bovendien zijn eventuele schuldeisers geen partij in deze procedure. De vordering van [eiser] op [gedaagden] leent zich dan ook niet voor verrekening met eventuele vorderingen van deze schuldeisers. Wat betreft de verklaring voor recht onder C wordt de omvang van de gestelde lening betwist. Ook voor zover sprake is van een lening, is die onbevoegd – zonder dat [eiser] hierin is gekend – aangegaan en kan die [eiser] niet worden tegen geworpen.
De kantonrechter wijst de verklaringen voor recht onder A tot en met C af en hij overweegt daartoe als volgt. Zoals op de vordering van [eiser] (in conventie) al is geoordeeld, is niet komen vast te staan dat de [bedrijf] leningen en/of schulden heeft die tot een (terug)betalingsverplichting leiden. Er valt dan ook niets te verrekenen met de verkoopopbrengst. De verklaringen voor recht worden daarom afgewezen.
De proceskosten
[gedaagden] wordt als de partij die geen gelijk krijgt hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld. Deze kosten worden aan de kant van [eiser] vastgesteld op € 577,00 aan salaris gemachtigde voor de conclusie van antwoord in reconventie. Voor de mondelinge behandeling wordt geen punt toegekend, omdat er geen noemenswaardig meer werkzaamheden zijn verricht.
In conventie en reconventie
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
3. De beslissing
in conventie
veroordeelt [gedaagden] , hoofdelijk om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 20.160,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 7 augustus 2025 tot de volledige betaling;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.754,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op26 augustus 2026.
HHt/37278